🇳🇱 NL - Nederlands
🇳🇱 NL - Nederlands
Weergave
🇳🇱 NL - Nederlands
🇳🇱 NL - Nederlands
Weergave
Alle nieuwe woorden uit de cursus in de volgorde van hun introductie, met thematische toelichtingen.
deva m. -- देव : hemelbewoner, god; vorst, koning.
īśvara m. -- ईश्वर : heer, heerser, god (monotheïstisch).
brāhmaṇa m. -- ब्राह्मण : brahmaan (geestelijke stand).
kṣatriya m. -- क्षत्रिय : Kṣatriya (vorsten- en krijgersstand).
vaiśya m. -- वैश्य : Vaiśya (voedings- en handelsstand).
śūdra m. -- शूद्र : Śūdra (dienstverlenende stand).
Volgens de klassieke theorie (bijv. Manusmṛti I, 88-91) zijn de taken verdeeld:
van de brahmanen
vedastudie
onderricht
offer voor zichzelf
offer voor anderen
geven
ontvangen van gaven
van de kṣatriya's
het volk beschermen
gaven (aan brahmanen) geven
voor zichzelf offeren
vedastudie
van de vaiśya's
veeteelt
landbouw
handel
geldverlening
voor zichzelf offeren
gaven (aan brahmanen) geven
voor zichzelf offeren
vedastudie
van de śūdra's
de drie hogere klassen dienen
dvija m. -- द्विज : "tweemaalgeborene" (geïnitieerden van de drie hoogste standen: Brāhmaṇa, Kṣatriya, Vaiśya).
varṇa m. -- वर्ण : kleur, geboortestand (streven).
De vier standen (varṇa m.) worden vaak met kasten verward. De vier standen zijn echter -- in tegenstelling tot de kasten -- niets specifiek Indisch, ook in Europa hadden wij (deels tot aan de Eerste Wereldoorlog) een standenmaatschappij, zoals de volgende afbeelding uit de 15e eeuw aantoont:

Afb.: Weergave van de standenindeling in de Europese middeleeuwen (houtsnede uit het einde van de 15e eeuw).
(Bron: Details)
Bijschriften:
De drie standen dragen de bijbehorende standskleding. Boven de standen – die daarmee als door God gewild worden aangeduid – troont Christus.
Max Weber (1864–1920) definieert ‘stand’ als volgt:
»Stand« verwijst naar een groep mensen die binnen een vereniging daadwerkelijk
a) aanspraak maken op een bijzondere status binnen de stand, – en mogelijk dus ook
b) aanspraak maken op bijzondere standmonopolies.
Standen kunnen ontstaan
a) primair, door een eigen standgebonden levenswijze, waaronder in het bijzonder door de aard van het beroep (levenswijze- resp. beroepsstanden),
b) secundair, erfelijks-charismatisch, door succesvolle aanspraken op prestige op grond van standgebonden afstamming (geboortestanden),
c) door standgebonden toe-eigening van politieke of hiocratische heersersbevoegdheden als monopolies (politieke of hiocratische standen).
De ontwikkeling van de stand op basis van afkomst is doorgaans een vorm van (erfelijke) toe-eigening van privileges aan een vereniging of aan gekwalificeerde individuen. Elke vaste toe-eigening van kansen, in het bijzonder [van] heersersbevoegdheden of [verdien]kansen, neigt ertoe om tot standvorming te leiden. Elke standvorming leidt doorgaans tot een monopolistische toe-eigening van heersersbevoegdheden en verdienkansen.
Terwijl de werkende klassen groeien op basis van een marktgerichte economie, ontstaan en bestaan standen bij voorkeur op basis van een monopolistisch-liturgische, feodale of op standen gebaseerde, patrimoniale voorziening in behoeften door verenigingen.
Een samenleving wordt »standgebonden« genoemd wanneer de sociale indeling bij voorkeur volgens standen plaatsvindt, en »klassegebonden« wanneer deze bij voorkeur volgens klassen plaatsvindt. Van de »klassen« staat de »sociale« klasse het dichtst bij de »stand«, de »arbeidsklasse« het verst ervan verwijderd. Standen worden vaak, wat hun zwaartepunt betreft, gevormd door bezitsklassen.
Elke standgenootschappelijke samenleving is conventioneel, geordend door regels voor de levenswijze, creëert daarom economisch irrationele consumptieomstandigheden en belemmert op deze manier de vrije marktvorming door monopolistische toe-eigeningen en door het uitschakelen van de vrije beschikking over het eigen verdienvermogen.
[Weber, Max (1864–1920): Economie en samenleving: Schets van de interpretatieve sociologie. – 5e, herziene druk. – Tübingen: Mohr, 1976. – blz. 625 e.v.]
Varṇa’s zijn derhalve geboorteklassen.
kavi m. -- कवि : dichter.
agni m. -- अग्नि : vuur, de god Agni.

Afb.: de god Agni, miniatuur, 18e eeuw.
(Bron: Details)
sādhu 3 -- साधु : juist, goed.
sādhu m. -- साधु : „heilige” man, sādhu.

Afb.: Sādhu (साधु), Pashupatinath-tempel, Kathmandu.
(Bron: Details)
guru 3 -- गुरु : zwaar, belangrijk, vereringenswaardig
guru m. -- गुरु : vereringenswaardige persoon: vader, moeder, oudere verwant, met name leraar, meester
Leer de volgende woorden:
śruti v. = श्रुति : het horen, de eeuwige overlevering (benaming voor de Veda's en Brāhmaṇa's).
smṛti v. = स्मृति : herinnering, meditatieve herinnering = aandachtigheid, overlevering (tegenovergesteld aan śruti). Omvat:
de zes vedāṅga n. (वेदाङ्ग)
smṛti is ook een benaming voor dharmaleerwerken.
dhenu v. = धेनु : (melk)koe.
paśu m. = पशु : gedomesticeerd vee, veestapel (collectiefum).
devatā v. = देवता : godheid (abstract en concreet).
brāhmaṇī f. = ब्राह्मणी : Brahmanin.
kṣatriyā f. = क्षत्रिया : vrouwelijke Kṣatriya.
kṣatriyī f. = क्षत्रियी : vrouw van een Kṣatriya.
vaiśyā f. = वैश्या : vrouwelijke Vaiśya.
śūdrā f. = शूद्रा : vrouwelijke Śūdra.
śūdrī f. / śūdrāṇī f. = शूद्री शूद्राणी : vrouw van een Śūdra.
devī f. = देवी : godin, met name Durgā f. = दुर्गा, de echtgenote van Śiva = शिव.

Afbeelding: Durgā = दुर्गा, Orissa
(Bron afbeelding: Details)
sādhvī f. = साध्वी : vrouwelijke vorm van sādhu.
gurvī f. = गुर्वी : vrouwelijke vorm van guru.
asmitā f. = अस्मिता : "Ik-zijn", d.w.z. de (verkeerde) overtuiging: Ik ben het die ziet, enz.
ānvīkṣikī f. = आन्वीक्षिकी : filosofie (de wetenschap die door logisch correcte redeneringen tot haar conclusies komt).
upekṣā f. = उपेक्षा : niet-opmerking, gelijkmoedigheid.
karuṇā f. = करुणा : mededogen, compassie.
muditā f. = मुदिता : vreugde, met name medevreugde (tegenovergesteld aan jaloezie).
Leer de volgende woorden:
abhiniveṣa m. = अभिनिवेष : neiging tot, volharding, aandringen op; specifiek: gehechtheid aan het lichaam alsof het iets eigen is.
kāma m. = काम : wens, begeerte, gewenst geschenk, zinnelijk genot, liefde; liefdesgod Kāma.

Afbeelding: God Kāma = kāmadeva = कामदेव, 18e eeuw
(Bron afbeelding: Wikipedia, publiek domein)
krodha m. = क्रोध : woede.
kleśa m. = क्लेश : kwelling, plaag.
trayī v. = त्रयी : het getal drie; in het bijzonder de drie Veda’s (Ṛgveda, Sāmaveda, Yajurveda).
daṇḍanīti v. = दण्डनीति : politiek (een Tatpuruṣa van daṇḍa m. = "stok, macht, heerschappij, straf" en nīti v. = "juiste leiding").
dvijāti 3 / dvija 3 = द्विजाति / द्विज : tweemaal geboren.
dveṣa m. = द्वेष : haat.
maitrī v. = मैत्री : vriendschap, vriendelijkheid, welwillendheid.
rāga m. = राग : (rode) kleur, hartstocht, liefde.
lobha m. = लोभ : hebzucht, begeerte.
varṇa m. = वर्ण : kleur, soort, stand.
vārttā v. = वार्त्ता : verworven bezit, economie.
vidyā v. = विद्या : kennis, wetenschap.
avidyā v. = अविद्या : onwetendheid, onkennis.
ca = च : en.
(Wordt achter het woord geplaatst waaraan het wordt gekoppeld. Als meerdere woorden worden gekoppeld, staat het idealiter achter het eerste woord van het laatste koppelingslid: brāhmaṇāḥ kṣatriyā vaiśyāḥ śūdrāś ca = ब्राह्मणाः क्षत्रिया वैश्याः शूद्राश्च).
ca ... ca = च ... च : zowel ... als.
In het Sanskriet worden de werkwoorden in de stamvorm weergegeven. Het getal achter de stam geeft de vervoegingsklasse aan.
Leer de volgende woorden:
Leer de volgende woorden:

Afb.: Was dit de vedische somaplant?: Vliegenzwam: Amanita muscaria (L.) Lam.
(Bron: Details)
Leer de volgende woorden:
ji 1 P (jayati) जि जयति : overwinnen, verslaan, veroveren
labh 1 Ā (labhate) लभ् लभते : vatten, verkrijgen, grijpen
tu तु : maar (staat na het eerste woord van de tegenstellende zin of zinsdeel)
paś 4 P (paśyati) पश् पश्यति : zien, gewaarworden (wordt als presensstam gebruikt in plaats van de wortel dṛś 0 "zien, gewaarworden")
kṛ 8 U (karoti) कृ करोति : maken, doen
tan 8 U (tanoti) तन् तनोति : uitrekken
rakṣ 1 P (rakṣati) रक्ष् रक्षति : bewaken
sārathi m. सारथि : wagenmenner, voerman
kapi m. कपि : aap
kumārī f. कुमारी : het meisje, de maagd
nāga m. नाग : de Naakte, de olifant, de slang (olifant en slang hebben geen vacht, evenals de "naakte aap" mens)
gaja m. गज : olifant
śuc 1 P (śocati) शुच् शोचति : treuren
śuka m. शुक : papegaai
pat 1 P (patati) पत् पतति : vallen, vliegen
patrikā f. पत्रिका : brief
likh 1 P (likhati) लिख् लिखति : krassen, schrijven (oorspronkelijk met een graveerstift op een palmblad, later echter algemeen)

Afb.: likh (लिख्) : Indische schrijfgriffel van staal om in te kerven in palmbladen
(Bron afbeelding: Details)

Afb.: likh (लिख्) : Schrijfstokje van de Batak (Sumatra), zoals het vermoedelijk ook in Indië gebruikelijk was
(Bron afbeelding: Details)
sukha n. सुख : geluk, welzijn
duḥkha n. दुःख : ongeluk, lijden
Leer de volgende woorden:
adhyayana n. (अध्ययन) : leren, met name vedastudie

Afb.: adhyayana = अध्ययन, Sri Skandaguru Vidyalayam, Tiruparankundram bij Madurai.
(Bron afbeelding: Details)
kāru m. / kāruka m. (कारु / कारुक) : ambachtsman

Afb.: kāru = कारु, Gujarat.
(Bron afbeelding: Details)
kuśīlava m. (कुशीलव) : (reizende) vertoonder, acteur, zanger
kusīda n. (कुसीद) : woeker
kṛṣ 1 P (karṣati) कृष् कर्षति : trekken
kṛṣ 6 U (kṛṣati) कृष् कृषति : ploegen
daarvan: kṛṣi f. / kṛṣikā f. (कृषि / कृषिका) : akkerbouw
dāna n. (दान) : geven, geschenk, vrijgevigheid
pratigraha m. (प्रतिग्रह) : ontvangen, geschenk
pravacana n. (प्रवचन) : rede, (mondelinge) onderricht
pāśupālya n. (पाशुपाल्य) : veehouderij, veeteelt
bij yaj 1 U:
ijyā f. (इज्या) : offer (uit *yj » ij + suffix yā)
yajana n. (यजन) : offer in opdracht van iemand anders
rūpa n. (रूप) : uiterlijk, vorm, mooie vorm, natuur, wezen
vāṇijya n. / vāṇijyā f. / vaṇijyā f. (वाणिज्य / वाणिज्या / वणिज्या) : handel
śuśrūṣā f. (शुश्रूषा) : gehoorzaamheid, gehoorzame dienst
Leer de volgende woorden:
gṛha n. गृह : huis
grāma m. ग्राम : dorp
nagara n. नगर : stad
Voor het stads- en dorpsleven zie Basham, Wonder, hoofdstuk 6.
yajña m. यज्ञ : Opfer
Het offer is in India in de eerste plaats een verering van de godheid als gast. Hierdoor verplicht men zich jegens de godheid.
Wortbildung: yaj 1 U + kṛt-Suffix -na-.
:::
puṇya n. पुण्य : gutes Werk, Verdienst
Hiermee verdient men welzijn en goede wedergeboorten.
:::
In India schreef men het ware woord toverskracht toe, ja de hele wereldorde wordt door het ware woord onderhouden en geschapen. Voor dit belangrijke concept zie het fundamentele werk:
Lüders, Heinrich (1869–1943): Varuna / Heinrich Lüders. Uit de nalatenschap uitgegeven door Ludwig Alsdorf. - Göttingen : Vandenhoeck & Ruprecht. -- Deel 2: Varuna en de Ṛta. -- 1959. -- XXIII blz., blz. 340 - 764

Afb.: वरुणः
(Afbeeldingsbron: Details)
anṛta o. अनृत : onwaarheid, leugen (tegenovergestelde van satya)
Woordvorming an- ("on-") + ṛta o.
ṛta is een centraal begrip in de Veda's, waarvan de vertaling omstreden is: "waarheid" (Lüders, Thieme), "orde" (Renou).
ṛṣi m. ऋषि : Vedische wijze, auteur van Vedische liederen
De namen van deze ṛṣi's worden genoemd in de Brāhmaṇa's en in afzonderlijke indexen bij de Veda's. Alle brahmanen leiden hun afkomst af van dergelijke ṛṣi's, naar wie hun gotra (गोत्र) zijn genoemd. Voor het concept gotra zie Basham, Wonder, Hfdst. 5.

Afb.: विश्वामित्रः
(Afbeeldingsbron: Details)
Lüders, Heinrich (1869–1943): Varuna / Heinrich Lüders. Uit de nalatenschap uitgegeven door Ludwig Alsdorf. - Göttingen : Vandenhoeck & Ruprecht. -- Deel 2: Varuna en de Ṛta. -- 1959. -- XXIII blz., blz. 340 - 764

Afb.: वरुणः
(Afbeeldingsbron: Details)
anṛta o. अनृत : onwaarheid, leugen (tegenovergestelde van satya)
Woordvorming an- ("on-") + ṛta o.
ṛta is een centraal begrip in de Veda's, waarvan de vertaling omstreden is: "waarheid" (Lüders, Thieme), "orde" (Renou).
ṛṣi m. ऋषि : Vedische wijze, auteur van Vedische liederen
De namen van deze ṛṣi's worden genoemd in de Brāhmaṇa's en in afzonderlijke indexen bij de Veda's. Alle brahmanen leiden hun afkomst af van dergelijke ṛṣi's, naar wie hun gotra (गोत्र) zijn genoemd. Voor het concept gotra zie Basham, Wonder, Hfdst. 5.

Afb.: विश्वामित्रः
(Afbeeldingsbron: Details)
Lüders, Heinrich (1869–1943): Varuna / Heinrich Lüders. Uit de nalatenschap uitgegeven door Ludwig Alsdorf. - Göttingen : Vandenhoeck & Ruprecht. -- Deel 2: Varuna en de Ṛta. -- 1959. -- XXIII blz., blz. 340 - 764

Afb.: वरुणः
(Afbeeldingsbron: Details)
Woordvorming an- ("on-") + ṛta o.
ṛta is een centraal begrip in de Veda's, waarvan de vertaling omstreden is: "waarheid" (Lüders, Thieme), "orde" (Renou).
De namen van deze ṛṣi's worden genoemd in de Brāhmaṇa's en in afzonderlijke indexen bij de Veda's. Alle brahmanen leiden hun afkomst af van dergelijke ṛṣi's, naar wie hun gotra (गोत्र) zijn genoemd. Voor het concept gotra zie Basham, Wonder, Hfdst. 5.

Afb.: विश्वामित्रः
(Afbeeldingsbron: Details)
Leer de volgende woorden:
- Staat na de formulering van een gedachte, wens, uitspraak, citaat gelijk als aanhalingstekens (").
- In het Sanskriet bestaat er geen indirecte rede; vormingen met iti moeten in het Duits vaak in indirecte rede worden weergegeven.
- Vaak is na iti een werkwoord van denken toe te voegen: "denkend: '...' doet hij dat". In het Duits idiomatisch weergeven (bijv. "Omdat hij honger heeft, gaat hij...").
evam एवम् : zo (bijwoordelijk, bijv. evaṃ jayati "zo overwint hij").
na न : niet
putra m. पुत्र : zoon (in India was het noodzakelijk om een zoon te verwekken die de offers voor de voorouders kon brengen.)
dharma m. धर्म : („dat wat vaststaat”, d.w.z.) recht, wet, zeden, karakter.
adharma m. अधर्म : onrecht (tegenpool van dharma).
iṣ 6 P (icchati) इष् इच्छति : wensen (iṣ-ccha-ti).
Enkele naamwoordvormen:

Afb.: vadanāni = वदनानि
(Bron: Details)
prach 6 P प्रच्छ् : vragen
iṣ 6 P इष् : wensen

Afb.: गौतमो बुद्धः
(Afbeeldingsbron: Details)
dah 1 P (dahati), PPP dagdha दह् दहति दग्ध : (iets) verbranden
sah 1 Ā (sahate), PPP soḍha सह् sahate soḍha : overwinnen, verdragen, geduldig verdragen = vergeven
mṛga m. मृग : wild dier
mārga m. मार्ग : weg (paden waren vaak de wildpaadjes)

Afb.: मार्गः
(Bron afbeelding: Details)
api अपि : ook (achtergesteld)
Tot de zesde presentieklass worden door de inheemse grammatici enkele wortels gerekend, die de presentiestam vormen met een nasale infix en themavokaal a, bijv.:
muc 6 U (muñcati), PPP mukta मुच् मुञ्चति मुक्त : losmaken, loslaten, bevrijden; bevrijden van de cyclus van wedergeboorten (saṃsāra m.) = verlossen
sic 6 U (siñcati), PPP sikta सिच् सिञ्चति सिक्त : besprenkelen
Tot woordvorming:
muc: mokṣa m. मोक्ष : losmaking, bevrijding, verlossing
sic + abhi-: abhiṣeka m. अभिषेक : besprenkeling van een koning bij de koningswijding, koningswijding
budh: bodhi m./f. बोधि : het ontwaken (waardoor een Boeddha of Jina tot de verlossende inzicht komt)

Afb.: महावीरो जिनः
(Bron afbeelding: Details)
buddhi f. (budh + -ti) बुद्धि : inzicht, orgaan van het inzicht.
| Wortel धातु | Passief Present 3. sg. Indicativ यक् लट् | PPP क्त |
|---|---|---|
| aś 5 Ā अश् | aśyate अश्यते | aṣṭa अष्ट |
| āp 5 P आप् | āpyate आप्यते | āpta आप्त |
| as 2 P अस् | — | bhūta भूत |
| bhaj 1 U भज् | bhajyate भज्यते | bhakta भक्त |
| bhū 1 P भू | bhūyate भूयते | bhūta भूत |
| budh 4 Ā / 1 U बुध् | budhyate बुध्यते | buddha बुद्ध |
| dah 1 P दह् | dahyate दह्यते | dagdha दग्ध |
| div 4 P दिव् | dīvyate दीव्यते | dyūta द्यूत |
| dṛś दृश् | dṛśyate दृश्यते | dṛṣṭa दृष्ट |
| gam 1 P गम् | gamyate गम्यते | gata गत |
| grah 9 U ग्रह् | gṛhyate गृह्यते | gṛhīta गृहीत |
| hṛ 1 U हृ | hriyate ह्रियते | hṛta हृत |
| i 2 P इ | īyate ईयते | ita इत |
| iṣ 6 P इष् | iṣyate इष्यते | iṣṭa इष्ट |
| jan 4 Ā जन् | janyate जन्यते | jāta जात |
| ji 1 P जि | jīyate जीयते | jita जित |
| kath 10 U कथ् | kathyate कथ्यते | kathita कथित |
| khād 1 P खाद् | khādyate खाद्यते | khādita खादित |
| kṛ 8 U कृ | kriyate क्रियते | kṛta कृत |
| krudh 4 P क्रुध् | krudhyate क्रुध्यते | kruddha क्रुद्ध |
| kup 4 P कुप् | kupyate कुप्यते | kupita कुपित |
| labh 1 Ā लभ् | labhyate लभ्यते | labdha लब्ध |
| man 4 Ā मन् | manyate मन्यते | mata मत |
| mṛ 6 Ā मृ | mriyate म्रियते | mṛta मृत |
| muc 6 U मुच् | mucyate मुच्यते | mukta मुक्त |
| nī 1 U नी | nīyate नीयते | nīta नीत |
| paś पश् | (dṛśyate) दृश्यते | (dṛṣṭa) दृष्ट |
| pat 1 P पत् | patyate पत्यते | patita पतित |
| prach 6 P प्रच्छ् | pṛcchyate पृच्छ्यते | pṛṣṭa पृष्ट |
| pūj 10 U पूज् | pūjyate पूज्यते | pūjita पूजित |
| rakṣ 1 P रक्ष् | rakṣyate रक्ष्यते | rakṣita रक्षित |
| ram 1 Ā रम् | ramyate रम्यते | rata रत |
| sah 1 Ā सह् | sahyate सह्यते | soḍha सोढ |
| sic 6 U सिच् | sicyate सिच्यते | sikta सिक्त |
| śru 5 P श्रु | śrūyate श्रूयते | śruta श्रुत |
| su 5 U सु | sūyate सूयते | suta सुत |
| svap 2 P स्वप् | supyate सुप्यते | supta सुप्त |
| tyaj 1 P त्यज् | tyajyate त्यज्यते | tyakta त्यक्त |
| uch उछ् | — | uṣita उषित |
| vad 1 P वद् | udyate उद्यते | udita उदित |
| vas 1 P वस् | uṣyate उष्यते | uṣita उषित |
| vadh वध् | vadyate वद्यते | hata हत |
| yaj 1 U यज् | ijyate इज्यते | iṣṭa इष्ट |
| yudh 4 Ā युध् | yudhyate युध्यते | yuddha युद्ध |
Leer de volgende woorden:
eva एव : benadrukt het voorafgaande woord
asura m. असुर : demon
ASURA. 'Spiritueel, goddelijk.'
In de oudste delen van de Ṛgveda wordt deze term gebruikt voor de hoogste geest en is hetzelfde als de Ahura van de Zoroastrische gelovigen. In de betekenis van 'god' werd het toegepast op verschillende belangrijke godheden, zoals Indra, Agni en Varuṇa. Later verkreeg het een volledig tegenovergestelde betekenis en ging het, zoals nu, verwijzen naar een demon of vijand van de goden.
Dit woord komt met deze betekenis voor in de latere delen van de Ṛgveda, vooral in het laatste boek, en ook in de Atharvaveda. De Brāhmaṇas geven het dezelfde betekenis en beschrijven veel gevechten tussen de Asuras en de goden. Volgens het Taittirīya Brāhmaṇa werd de adem (asu) van Prajapati levend, en "met die adem schiep ik de Asuras." In een ander deel van hetzelfde werk wordt gezegd dat Prajāpati "zwanger werd. Hij schiep Asuras uit zijn buik." Het Śatapatha Brāhmaṇa sluit aan bij de eerste uitspraak en stelt dat "hij Asuras schiep uit zijn lagere adem." Het Taittirīya Āraṇyaka stelt dat Prajāpati goden, mensen, vaders, Gandharvas en Apsarases schiep uit water, en dat de Asuras, Rakṣasas en piśācas voortkwamen uit druppels die morsen werden. De uitspraak van Manu is dat ze door de Prajāpatis werden geschapen.
Volgens de Viṣṇu Purāṇa werden ze voortgebracht uit het schaamgebied van Brahma (prajāpati). De beschrijving in de Vāyu Purāṇa luidt: "Asuras werden eerst als zonen voortgebracht uit zijn (Prajāpati's) schaamgebied. Asu wordt door de Brāhmaṇa verklaard als adem betekenis. Uit deze bestonden ze; vandaar dat ze Asuras heten." Het woord wordt al lang gebruikt als algemene naam voor de vijanden van de goden, waaronder de Daityas en Danavas en andere nakomelingen van Kaśyapa, maar niet de Rakṣasas die afstammen van Pulastya.
In deze betekenis is een andere afleiding voor het woord gevonden: de bron is niet langer asu, 'adem,' maar het initiële a wordt opgevat als de negatieve prefix, en asura betekent 'niet een god;' vandaar dat volgens sommigen het woord sura ontstond, vaak gebruikt voor 'een god.'"
[Bron: Dowson, John (1820–1881): A classical dictionary of Hindu mythology and religion, geography, history, and literature. -- London, Trübner, 1879. -- s.v. ]

Afbeelding: महिषासुरः
(Bron afbeelding: Details)
guṇa m. गुण : draad, koord; eigenschap, goede eigenschap
pad 4 Ā (padyate), Pass.: padyate, PPP panna पद् पद्यते पद्यते पन्न : gaan, geraken in
as 2 P (asti) अस् अस्ति : zijn, aanwezig zijn
as 4 P (asyati), Pass.: asyate, PPP asta अस् अस्यति अस्यते अस्त : werpen, (weg-)werpen
i 2 P (eti), Pass.: īyate, PPP ita इ एति ईयते इत : gaan
pā 2 P (pāti), Pass. pāyate, PPP pāta पा पाति पायते पात : beschermen, hoeden
pā 1 P (pibati), Pass. pīyate, PPP pīta पा पिबति पीयते पीत : drinken (traditioneel gerekend tot de 1e klasse)
dviṣ 2 U (dveṣṭi), Pass. dviṣyate, PPP dviṣṭa द्विष् द्वेष्टि द्विष्यते द्विष्ट : haten, vijandig zijn
ad 2 P (atti), Pass. adyate, PPP anna अद् अत्ति अद्यते अन्न : eten, verorberen
anna n. अन्न : voedsel (afgeleid van PPP: *ad-na: het gegetene)

Afbeelding: अन्नम्
(Bron afbeelding: Details)
Woordvorming:
pad 4 Ā:
pada n. पद : stap, standplaats, plaats
pāda m. पाद : voet, een vierde, versregel

Afbeelding: चत्वारः पादाः : गजः
(Bron afbeelding: Details)
dviṣ 2 U:
dveṣa द्वेष : haat

Afbeelding: दीपाः
(Bron afbeelding: Details)
पुष्कल 3: prachtig, schitterend, overvloedig
वा : of (achtergesteld)
अथवा : of (voorafgaand)
चतुर्थ 3 (v.: चतुर्थी): vierde
विद् "vinden" 6 U विन्दति ; Pass. विद्यते ; PPP विन्न / वित्त विद् "weten" 2 P वेत्ति ; Pass. विद्यते ; PPP विदित पत् "vliegen, vallen" 1 P पतति ; Pass. पत्यते ; PPP पतित अर्ध 3: half, m.n. helft
पूजा v.: eerbetoon, eervolle ontvangst, religieuze verering (Pūjā)

Afbeelding: पूजा
(Bron afbeelding: Details)
कुल n.: kudde, menigte, geslacht, afstamming, familie
इन्द्र m.: vorst, eerste, beste onder ; godenkoning Indra

Afb.: इन्द्रः
(Bron: Details)
दास m.: slaaf, lijfeigene, dienaar
दासी f.: slavin, lijfeigene, dienares
काल m.: tijd, (juiste) tijdstip ; lot, dood ; doodsgod Kāla
काल 3: zwart, blauwzwart, donker
पुरुष m.: mens, man, knecht
-जन als tweede lid van Tatpuruṣa's, vaak uitdrukking van het meervoud
स्तु 2 स्तौति ; Pass. स्तूयते ; PPP स्तुत : loven, prijzen
davon:
स्तुति f.: lofprijzing, loflied
स्तोत्र n.: (middel tot prijzen =) loflied, hymne
सिंह m.: leeuw (Panthera leo persica)

Afb.: सिंहः
(Bron: Details)
व्याघ्र m.: tijger (Panthera tigris tigris) (letterlijk: gaper)

Afb.: व्याघ्रः
(Bron: Details)
इव (achtergeplaatst): als het ware, als (in vergelijkingen: व्याघ्र इव पुरुषः = "een man als een tijger", "een tijgerachtige man"
एव (achtergeplaatst): benadrukt het voorgaande, komt in het Nederlands vaak overeen met beklemtoning, een soort emoticon \<!\>, bijv. सत्यमेव जयति "alleen de waarheid overwint", "juist de waarheid overwint", "de waarheid overwint"
अरि m.: vijand (volgens Thieme, Der Fremdling im Ṛgveda: oorspronkelijk = vreemdeling)
आर्य 3: Arisch, edel ; m. Ariër (zelfaanduiding van de Sanskriet sprekende oude Indiërs, letterlijk: gastvriendelijke (Thieme)) ; edele, eervolle man
naar जन्
जाति v.: geboorte, soort, kaste (voor kaste zie Basham, Wonder, blz. 148ff.)
मृ 4 Ā म्रियते ; Pass. म्रियते ; PPP मृत : sterven (volgens Indiase grammaticus: 6 Ā)
daarvan:
मरण n.: sterven, dood
मृति v.: sterven, dood
मृत्यु m.: dood ; gepersonifieerd: god van de dood
अध्यापन n.: onderwijzen, onderwijs

Afb.: अध्यापनम्
"Dit is een speciale ceremonie in een kleine tempel in Satara (सातारा). Het wordt uitgevoerd door de studenten van de Swami Muktananda Vedashala ter viering van Mahāśivarātri. Dit is een vedische school waar kinderen de heilige teksten, de Veda's, uit hun hoofd leren. Deze school onderwijst de Krishna Yajurveda en enkele delen van het Samaveda. Ik schrijf mijn masterthesis over deze school."
(Bron afbeelding: Details)
अनसूया v.: niet morren, afgunsteloosheid
नृशंस्य n.: kwaadaardigheid, lafheid
daarvan:
अनृशंस्य n.: niet kwaadaardig zijn
जीव् 1 P जीवति ; Pass. जीव्यते ; PPP जीवित : leven
daarvan:
आजीव m.: levensonderhoud
क्षमा v.: geduld, langmoedigheid, vergevingsgezindheid
क्षेम n.: rust, vrede, welzijn, zeker bezit
चित्त n.: bewustzijn, denken, geest
निरोध m.: stoppen, tot stilstand brengen
योग m.: aanspanning, verbinding, vereniging, verwerving ; yoga

Afbeelding: योगी
Birla Mandir, Delhi
(Bron afbeelding: Details)
वृत् 1 Ā वर्तते ; Pass. वृत्यते ; PPP वृत्त : draaien, wenden, (ergens) bevinden, wonen
शस्त्र (śastra) n.: snijdtuig, snijwapen, zwaard, wapen
शौच n.: reiniging, zuiverheid
साधन m.,n. साधनी साधना f.: naar het doel leidend, veroorzakend
अहिंसा f.: het niemand iets tot last doen, niet-verwonden, geweldloosheid

Afb.: अहिंसा
"De hand met een wiel op de palm symboliseert de Jain-eda van Ahimsa. Het woord in het midden is 'ahimsa'. Het wiel vertegenwoordigt de dharmacakra, die staat voor de vastberadenheid om de cyclus van reïncarnatie te stoppen door een onvermoeide zoektocht naar waarheid en geweldloosheid."
(Bron afbeelding: Details)
हन् 2 P हन्ति, घ्नन्ति Pass. हन्यते PPP हत : slaan, doden, vermoorden
daarvan:
घात m.: doden

Afb.: घाताः
Bangalore = ಬೆಂಗಳೂರು
(Bron afbeelding: Details)
आस् 2Ā आस्ते Pass. आस्यते PPP आसित : zitten
daarvan:
आसन n.: het zitten, zit ; ook: zithoudingen van de yogi

Afb.: योगासनम्
(Bron afbeelding: Details)
रुद् 2 P रोदिति Pass. रुद्यते PPP रुदित : huilen, janken
daarvan:
रुद्र m.: (de jankende =) de stormgod Rudra
ब्रू 2 U ब्रवीति Ā ब्रूते geen Passief en PPP: spreken, zeggen (iemand iets zeggen: dubbele accusatief)
दुह् 2 U दोग्धि Pass. दुह्यते PPP दुग्ध : melken

Afb.: दोग्धि
(Bron: Details)
दिश् 6 U दिशति Pass. दिश्यते PPP दिष्ट : tonen, instrueren, bevelen
waarvan:
दिष्टि v.: instructie, gelukkige samenloop van omstandigheden
दिष्ट्या Instr.: (letterlijk: door een gelukkige samenloop van omstandigheden) O gelukkige samenloop van omstandigheden (uitroep van vreugde en geluk)
सुष्टु 3: geprezen, voortreffelijk, goed
शोभन 3: schitterend, prachtig, schitterend, mooi, goed
सम 3: gelijk, even, vergelijkbaar (met instrumentalis)
व्याधि m.: ziekte
रिपु m. = शत्रु , bedrieger
वह्नि m. = अग्नि ज्ञान n.: inzicht
शूर 3: dapper, heldhaftig ; m.: held
शब्द m.: geluid, toon, signaal: woord
उदक n.: water
अन्त m.: einde, grens
आदि m.: begin
दण्ड m.: stok, stokslagen, straf
मात्रा v. मात्र n.: maat, begrenzing
सहित 3: verenigd, voorzien van
हस्त m.: hand
प्रभृति v.: begin
अर्थ m.: doel, betekenis (van een woord), rijkdom, bezit, vermogen. अर्थम् (acc.), अर्थेन (instr.) met gen. of als achterlid van een Tatpuruṣa: ter wille van ..., om te.
अर्थ is een van de drie levensdoelen (पुरुषार्थ), zoals deze in de wereldlijke en religieuze literatuur worden beschreven:
धर्म m.: het verwerven van verdiensten door te doen wat voor iemand juist is, of op zijn minst het vermijden van het kwaad dat zou voortvloeien uit het niet naleven van de dharma
अर्थ m.: doelgericht rationeel gedrag, het verwerven van welvaart
काम m.: zinslust, met name ook op seksueel gebied

Afb.: कामः
Illustratie bij कामसूत्र
(Bron afbeelding: Details)
स्था 1 P तिष्ठति Pass. स्थीयते PPP. स्थित : staan, blijven, standhouden, zich bevinden. (Wordt traditioneel gerekend tot de 1e presentieklassse, hoewel het een reduplicerende thematische presentieklassse betreft, zoals पा 1 पिबति)
स्था + उप 1 U उपतिष्ठति : naderen, zich in eerbiedige houding voor iemand neerzetten
स्था + प्र 1 Ā प्रतिष्ठते : vertrekken, wegtrekken
van स्था :
स्थान n.: plaats, (juiste) locatie, standplaats
स्थिति f.: verblijf, standvastigheid, volharden
गर्भ m.: baarmoeder, schoot, binnenste, embryo / foetus. Aan het einde van een Bahuvrīhi vaak: "binnenste", bijv.
धनगर्भ 3: "wiens binnenste geld is = waarin zich geld bevindt"
गर्भगृह n.: de innerlijkste heilige ruimte van een hindoe-tempel, die het belangrijkste godenbeeld van de tempel bevat (voor de opbouw van hindoe-tempels zie: Volwahsen, A.: India : Bouwwerken van de Hindu's, Boeddhisten en Jainas. -- München, 1968)

Afb.: गर्भगृहम्
Badami (ಬದಾಮಿ)
(Bron afbeelding: Details)
वारिद m.: waterdrager = regenwolk

Afb.: वारिदः
Goa (गोंय)
(Bron afbeelding: Details)
वा 2 P वाति Pass. वायते PPP. वान / वात : waaien
waarvan:
वात m.: wind
वह् 1 U वहति Pass. उह्यते PPP ऊढ : leiden, rijden (trans.)
छत्त्र zn.: parasol, scherm

Afb.: छत्त्रम्
"Onappottan (ഓണപ്പൊട്ടന്), in traditionele klederdracht, is een gebruik in de zuidelijke delen van Kerala. Onappottan bezoekt huizen tijdens het onam en geeft zegeningen. De laatste tijd is onappottan een zeldzaam verschijnsel geworden, dat zich beperkt tot dorpen.”
(Afbeeldingsbron: Details)
पण्डित m.: geleerde, wijze; 3: slim, bedreven (in)

Afb.: पण्डितः जवाहरलाल नेहरू १९५९
(Bron: Details)
सेव् 1 Ā सेवते passief सेव्यते voltooid deelwoord सेवित : wonen bij, bewonen (acc., lok.); bezoeken, zich begeven naar (acc.); bedienen, verzorgen, vereren; beoefenen, gebruiken; bijwonen, geslachtsgemeenschap hebben
नि Voorvoegsel: neer, in
सेव् + नि 1 Ā निषेवते : verblijven bij, bewonen, bezoeken
अमुत्र : daar, in het hiernamaals
इह : hier, in dit leven
विद् 6 U विन्दति Pass. विद्यते PPP विन्न / वित्त : vinden
भार्या v.: te behouden = echtgenote
प्रिय 3: lief, aangenaam
मित्र zn. (!): vriend
बान्धव m.: familielid
हि : want, ja, namelijk (mag nooit aan het begin van een zin staan)
वा : of
आश्रम m., n.: kluizenaarschap, levensfase, levensperiode (namelijk als ब्रह्मचरिन्, गृहस्थ, वनप्रस्थ en eventueel als सन्न्यासिन् ; zie Basham, Wonder, p. 159 e.v.)

Afb.: आश्रमः
Rishikesh = ऋषिकेश. "Dit is eigenlijk een deel van de ashram in Rishikesh waar de Beatles verbleven. Dit specifieke deel was er nog niet toen zij er waren, maar het ziet er wel gaaf uit."
(Bron afbeelding: Details)
कर ३ f. करी । करा : doend, makend, bewerkstelligend
कर m.: hand (zie कृ 8)
कर m.: heffing, tribuut, belasting (niet gerelateerd aan कृ, maar vermoedelijk een leenwoord uit het Tamil - தமிழ்)
क्रिया v.: handeling, heilige handeling, offerhandeling, ceremonie (zie कृ 8)
अधि voorvoegsel: over, op, er-, met betrekking tot
गम् +अधि 1 P अधिगच्छति : aantreffen, bereiken, verkrijgen
तनूकृ 8 U तनूकरोति : verminderen, verzwakken
दायक ३ v.: दायिका : gevend, schenkend
नृप m.: „beschermer van de mannen“ = koning
प्रणिधान zn.: toepassing, inspanning, aandacht voor, dienstbaarheid, nadenken, gelofte
बाधना v.: benauwdheid, kwelling, pijn
भार्या v.: "die behouden moet worden" = echtgenote
भावना v.: meditatieve ontplooiing (naar भू causatief)
मही v.: aarde, grond en bodem
लक्षण n.: kenmerk, eigenschap, attribuut
विप्र m.: „Zitterer“ = dichter, zanger, priester, brahmaan
विषय m.: gebied, domein, object, zintuiglijk object
अपवर्ग m.: einde, verlossing
नि bijwoord: naar beneden, naar binnen, achteruit
वृत् + नि 1 Ā निवर्तते : omkeren, terugkeren
सद् 1 P सीदति (!) passief सद्यते PPP सन्न : zitten, zich neerzetten
सद् + प्र 1 P प्रसीदति : gaan zitten, neergezet worden (in figuurlijke zin) = sereen, rustig, opgewekt worden ; iemand (genitief षष्ठी) genadig zijn
समाधि m.: innerlijke verzameling, hoogste aandacht, meditatieve "verzonkenheid"
स्वाध्याय m.: "zelfstudie", recitatie (vooral van de Veda), Vedastudie
परलौकिक ३ : het hiernamaals betreffend, ginds
तनु ३ : slank
मध्य ३ : middelgroot; n. midden
पृथु ३ (पृथ्वी) : wijd, breed, groot
श्रोणि । श्रोणी f.: heup
रक्त ३ : geverfd, rood
ओष्ठ m.: lip
असित ३ : donker, zwart
ईक्ष् 1 Ā ईक्षते Pass. ईक्ष्यते PPP ईक्षित : zien
नम् 1 P नमति Pass. नम्यते PPP नत : buigen
उद् voorvoegsel: op, omhoog, uit, eruit
नाभि f.: navel
वपुस् n.: schoonheid, gestalte lichaam (declinatie zie later)
स्त्री f.: vrouw
स्तन m.: borst
दरैद्र ३ : arm
ऋध् 5 P ऋध्नोति Pass. ऋध्यते PPP ऋद्ध : gedijen
ऋध् + सम् : gedijen; PPP: geslaagd, rijk
विचित्र ३ : bont, gevarieerd, mooi, wonderbaarlijk, vreemd
विधि m.(!): ordening, wet, voorschrift; schepping, lot
चेष्ट् 1 Ā चेष्टते Pass. चेष्ट्यते PPP चेष्टित : zich bewegen
भज् 1 U भजति Pass. भज्यते PPP भक्त : iemand (acc.) iets toewijzen, laten toekomen, iemand liefhebben, eren, vereren
daarvan:
भक्ति f.: toewijding, trouw, liefde (in religieus opzicht: liefde en respect voor een persoonlijke god. zie daarvoor Basham, Wonder blz. 332v.)
भाग m.: aandeel, deel
भग m.: (goed) aandeel, geluk, welzijn, waardigheid
भगवन्त् 3: gelukbezitter, waardigheidbezitter (bijnaam van विष्णु – कृष्ण)

Afbeelding: भगवान्कृष्णः भगवान्कृष्णः als जगन्नाथ (rechts) met zijn halfzus सुभद्रा (midden) en zijn oudere broer बलराम, Orissa = ଓଡ଼ିଶा
(Bron afbeelding: Details)
भगवद्गीता v.: "Lied (गीता) van de Eerbiedwaardige (कृष्ण)"

Afbeelding: भगवद्गीता भगवद्गीता - manuscript, 19e eeuw
(Bron afbeelding: Details)
भिक्ष् 1 Ā भिक्षते Pass. भिक्ष्यते PPP भिक्षित (eigenlijk een desiderativum van भज्: wensen dat men deelneemt): bedelen
daarvan:
भिक्षु m.: bedelaar, monnik

Afbeelding: भिक्षवः
Luang Prabang = ຫລວງພະບາງ, Laos = ປະເທດລາວ
(Bron afbeelding: Details)
दुष् 4 P दुष्यति Pass. दुष्यते PPP दुष्ट : bederven (intransitief), slecht worden, in diskrediet raken
दोष m.: fout
पच् 1 U पचति Pass. पच्यते (geen PPP, in plaats daarvan पक्व 3: gekookt, gaar) Absol. पक्त्वा : garen (transitief) = koken, braden, roosteren enz.
काम m.: wens, begeerte; gewenste gave, zinnenlust, liefde, god van de liefde
कामम् Akk. adverbieel: naar wens, naar hartenlust

Afbeelding: कामदेवः
19e eeuw
(Bron afbeelding: Details)
शक् 5 P शक्नोति Pass. शक्यते PPP शक्त Inf. शक्तुम् : in staat zijn, kunnen
daarvan:
शक्ति v.: het kunnen, vermogen, vaardigheid, kracht; ook: goddelijke kracht, gepersonifieerd als vrouwelijke metgezel vooral van शिव
शक्र m.: de Machtige (bijnaam van इन्द्र)

Afb.: दुर्गाशक्तिः
Kolkata = কলকাতা
(Afbeeldingsbron: Details)
अर्ह 1 P अर्हति Pass. अर्ह्यते PPP अर्हित Inf. अर्हितुम् : iets verdienen (iets waard zijn), mogen, verplicht zijn om, moeten (in de 2e persoon wordt अर्ह् + infinitief vaak gebruikt als een milde bevelsvorm: "Je zou moeten")
अर्हन्त् 3 part. pres. P: een waardige. In het boeddhisme en het jaïnisme: iemand die de definitieve verlossing heeft bereikt
व्रत zn.: gelofte, religieuze plicht, religieuze naleving (men belooft de godheid iets om er iets van terug te krijgen. Voorbeeld: een moeder belooft haar dochter als tempelprostituee (देवदासी) aan te bieden als haar dochter weer gezond wordt. Belangrijke व्रत vandaag de dag: vasten; zich onthouden van voedsel waar men van houdt; seksuele onthouding; het lezen van heilige geschriften; het uitvoeren van bepaalde rituelen; het voeden van brahmanen en dergelijke. Kort over de व्रत: Walker, Hindu World deel II, blz. 581 e.v. Uitgebreid: P. V. Kane: History of Dharmaśāstra deel 5,1 blz. 1 - 462. Daar, blz. 253–462: lijst van व्रत en religieuze feesten („the following list … does not claim to be thoroughly exhaustive”!!!)
चर् 1 P charati Pass. charyate PPP charita Inf. charitum (Sanskriet: चर् 1 P चरति Pass. चर्यते PPP चरित Inf. चरितुम्) : weiden, rondlopen, zich bewegen, handelen, iets beoefenen, uitvoeren (bijv. व्रतं चर्: een gelofte naleven, met name seksuele onthouding)
waarvan:
चर ३: beweeglijk; zn.: het beweeglijke = dieren (in tegenstelling tot planten)
चरण zn., m.: voet
चरित zn.: levenswijze, levensdaden
ब्रह्मचर्य zn.: de beoefening van de Veda (ब्रह्मन्) = de studie van de Veda in de eerste levensfase (die van ब्रह्मचारिन्), die strikte seksuele onthouding vereist; vandaar ook: seksuele onthouding, celibatair levensgedrag

Afb.: धेनवश्चरन्ति
Goa = गोंय
(Bron: Details)
समान ३: gelijk
सामान्य zn.: gelijkheid, overeenstemming
अधिक ३ : overvloedig, extra, groter, beter, buitengewoon
विशेष m.: bijzonderheid, specificatie, differentia specifica
अलम् Bijwoord: genoeg, voldoende, (iemand, iets) aan kunnen ; met datief: genoeg voor, voldoende voor, aan kunnen ; met instrumentaal: genoeg met, laat het los, bijv. अलं क्रोधेन = "genoeg met de woede = laat de woede rusten!"
Op dezelfde manier wordt अलम् met instrumentalis gebruikt:
कृतम् : कृतं क्रोधेन = „Het is gedaan met de woede = laat de woede varen!”
अलम् + कृ 8U अलंकरोति : versieren
अलंकार m.: versiering, versieringsmiddel (in de poëzie)

Afb.: अलंकारः
(Bron: Details)
हेतु m.: drijfveer, aanleiding, oorzaak, reden; हेतुना, हेतोस्, हेतवे met genitief of als tweede deel van een samengesteld woord = "omwille van..., vanwege"
प्रतिमा v.: portret, afbeelding

Afbeelding: देवीप्रतिमा
Hampi = ಹಂಪೆ, Karnataka = ಕರ್ನಾಟಕ
(Bron afbeelding: Details)
वृत् + प्र 1Ā प्रवर्तते : plaatsvinden, gebeuren, ontstaan
Van वृत्:
वृत्ति v.: gedrag, activiteit, levenswijze
वृत्त n.: gedrag
अभि voorvoegsel: be-, naar - toe, van - af, naar - toe, tegen, in - binnenin, met betrekking tot, op, over, aan
नि voorvoegsel: omlaag, naar beneden, binnenin, achteruit
आ voorzetsel / postpositie: voor ablative of na accusatief: tot aan, tot ; met ablative: van af, vanaf, sedert
अतस् indeclinabile: daarvandaan, toen, daarom, vandaar (pronomatische stam a- "deze" + ablative suffix -tas)
अध्यक्ष m.: toezichthouder, afdelingshoofd ; ooggetuige
इन्द्रिय n.: kracht, zintuig
ऊह m.: overweging, argumentatie
daarvan
अपोह m.: ontkenning (अप + ऊह)
ऊहापोह m.: discussie van pro en contra

Afbeelding: ऊहापोहः
"NEW DELHI/INDIA, 16NOV08 - Suhasini Haidar, Deputy Foreign Editor, CNN-IBN Network 18, India, moderates a panel discussion at the World Economic Forum's India Economic Summit 2008 in New Delhi."
(Bron afbeelding: Details)
औपकारिक 3 v.: -ई : nuttig
कुप्य n.: bosproduct, metaal (edelmetaal niet)
ख्या 2P ख्याति PPP ख्यात : zien, zichtbaar worden ; noemen, uitleggen, meedelen
ख्या + आ 2P आख्यात : vertellen
daarvan:
आख्यान n.: verhaal

Afbeelding: आख्यानम्
"San Francisco storyteller Jeff Byers shares a story with the residents of Chenneri, an Irula village. Storyteller Jeeva Raghunath translates into Tamil for the villagers."
(Bron afbeelding: Details)
ख्या + सम् 2P संख्याति : optellen, berekenen
daarvan:
संख्या v.: telling, opsomming ; सांख्य n.: een van de zes filosofische systemen (kort: Basham, Wonder S. 326f.)
ग्रहण n.: grijpen
चौल n.: ceremonie (संस्कार) van het knippen van haar (op 3-jarige leeftijd)
तत्त्व n.: ware aard, waarheid, realiteit (तद् + त्व = deze-heid)
स्वस्ति v.: geluk, heil (nominaal gevormd uit सु अस्ति = "het is goed")
नमस् n.: buiging, eerbiediging, groet (declinatie later). Begrotingsformule: नमो नमः
daarvan:
कृ + नमस् 8 नमस्करोमि : zich buigen, eerbiedigen, begroeten

Afb.: जयदेवकविर्विष्णुं नमस्करोति
Manuscript van de गीतगोविन्द, 1730 n.Chr.
(Bron afbeelding: Details)
स्वागत n.: welkom (uit su-ā-gata)
तृण n.: grassteel
पुनर् Adverb: wederom, weer, terug, maar
त्यज् 1P त्यजति : verlaten, opgeven, in de steek laten
Fut. त्यक्ष्यति
Pass. त्यज्यते
PPP त्यक्त
Inf. त्यक्तुम्
Absol. 2: -त्यज्य
daarvan:
त्याग m.: opgeven, afstand doen, vermijden
दार m. mv. (!!!): echtgenote
द्रव्य n.: voorwerp, bezit, materieel eigendom, geld
धान्य n.: gedorsen graan

Afb.: धान्यम्
(Bron afbeelding: Details)
धृ 1U धरति : houden, vasthouden
Fut. धरिष्यति
Pass. ध्रियते
PPP धृत
Inf. धर्तुम्
Absol. 2: -धृत्य
daarvan:
धर्म m.: dat wat vast is en vasthoudt = Dharma
नित्य ३ : voortdurend, bestendig, eeuwig
नित्यम् Adv.: altijd, bestendig immer
प्रज्ञा f.: wijsheid, kennis
प्रदान n.: geven, schenken ; gift, schenking
मद् 4 P माद्यति (!): zich verheugen, zich aan iets (Instr., Gen., Lok.) bedrinken
Fut. मदिष्यति
Pass. मद्यते
PPP मत्त
Inf. मदितुम्
daarvan:
मद m.: dronkenheid, zinnendronkenschap = zinnenlust
मान m.: inschatting, aanzien, roem, eer, trots, hoogmoed, minderwaardigheidscomplex ; (men meet zich aan anderen)
यदि Voegwoord: als
न्याय m.: regel, principe, methode, oordeel (jurist.), logica (uit ni + i +a)
अन्यथा Adv.: anders, anderszins, ten onrechte, onjuist
या 2P याति, यान्ति = गम्
Pass. यायते
PPP यात
Inf. यातुम्
Absol. 2: -याय
दारिद्र्य n. = दरिद्रस्य भावः प्रदान n. = दान शास् 2P शास्ति, शासति (3. mv.) : bevelen, onderwijzen, straffen
Pass. शिष्यते
PPP शिष्ट ३ : onderwezen
Absol 1.: शासित्वा / शिष्त्वा
daarvan:
शिक्षा f.: wetenschap, onderricht ; fonetiek
स्तेन m.: dief
स्तेय n.: diefstal
किल्बिष n.: schuld, belediging, zonde
विना Postpositie: zonder, behalve (met Akk., Instr., Abl.)
मूल n.: wortel

Afb.: मूलानि
(Bron: Details)
लिप् 6U लिम्पति (!): besmeren, insmeren
Fut. लेप्स्यति
Pass. लिप्यते
PPP लिप्त
Inf. लेप्तुम्
daarvan:
लिप्ति v.: besmeren, schrijven, schrift

Afbeelding: लिप्तिः
(Bron afbeelding: Details)
वर्ष n.,m.: regen, regentijd, jaar
वह् 1U वहति : leiden, rijden, waaien (wind)
Fut. वक्ष्यति
Pass. उह्यते
PPP ऊढ
Inf. वोढुम्
Absol 2: -उह्य वह् + वि 1P विवहति : wegleiden (namelijk de bruid uit het ouderlijk huis) = trouwen
daarvan:
विवाह m.: wegleiden, huwelijk van een vrouw (Instr., saha) (voor het huwelijk zie Basham, Wonder S. 166 -171)

Afbeelding: विवाहः
(Bron afbeelding: Details)
नी + वि 1U विनयति : wegleiden, onderwijzen, opvoeden
daarvan:
विनय m.: verwijderen, opvoeden, discipline, boeddhistisch: kloosterdiscipline, kloosterrichtlijn
विज्ञान n.: kennis, inzicht
विष्टि f.: arbeid, dwangarbeid

Afbeelding: विष्टिः
(Bron afbeelding: Details)
वृध् 1Ā वर्धते : groeien, groter worden
Fut. वर्धिष्यते
Pass. वृध्यते
PPP वृद्ध : volwassen, oud, vermeerderd
Inf. वर्धितुम्
daarvan:
वृद्धि f.: groeien, groei, verdubbelingsgraad (uit: vṛdh-ti)
सामर्थ्य n.: het aan zijn doel beantwoordend
स्वभाव m.: wezen, natuur, karakter
हर्ष m.: (rechtop staan van de haren op het lichaam), vreugde
हिरण्य ३ : goudkleurig ; n.: goud, geld, rijkdom

Afbeelding: हिरण्यम्
(Bron afbeelding: Details)
अणु ३ : dun, fijn, zeer klein ; m.: atoom
गोदान n.: het geven van koeien / een koe; tweede kapselceremonie (een संस्कार)
वस् 1P (वसति): verblijven, wonen (met lokatief van de persoon bij wie men woont)
Fut.: वत्स्यति:br Pass.: उष्यते:br PPP: उषित:br Inf.: वस्तुम्
daarvan:
वस्तु n.: zitplaats, plaats; realiteit, reëel ding, werkelijkheid, object
वस्तुतस्: in werkelijkheid, echt
वस् 2Ā (वस्ते): aantrekken (kleding), dragen (kleding)
Fut.: वसिष्यते:br PPP: वसित:br Inf.: वसितुम्
daarvan:
वस्त्र n.: middel om zich aan te trekken = kleding, gewaad, stof

Afb.: वस्त्राणि
Vastrāṇi. Majuli, Assam.
(Bron afbeelding: Details)
वस् 6P (उच्छति): oplichten (deze wortel is belangrijk vanwege de nominale afleidingen:)
वसु n.: rijkdom, schat, bezit, eigendom
वसन्त m.: ("schitterend" =) lente (maart tot mei)

Afb.: वसन्तः
Vasanta (Schleichera oleosa), Khopoli, Maharashtra, 2007-04-07.
(Bron afbeelding: Details)
हृ 1U (हरति): houden, dragen; halen, wegnemen, roven
Fut.: हरिष्यति:br Pass.: ह्रियते:br PPP: हृत:br Inf.: हर्तुम्
daarvan:
हर 3: wegnemend; m.: de vernietiger = bijnaam van Śiva
Gegenstück to हर:
हरि 3: blond, geel, groen; m. bijnaam van Viṣṇu (behoort niet tot de wortel हृ 1)
हरिहर m.: Viṣṇu en Śiva verenigd als één enkele godheid.

Afb.: हरिहरः
Harihara (links: Viṣṇu, rechts: Śiva).
(Bron afbeelding: Details)

Afb.: हरिहरः
Harihara (links: Viṣṇu, rechts: Śiva). Godrumdwip, West-Bengalen.
(Bron afbeelding: Details)
विद् 2P वेत्ति, विदन्ति: weten, kennen
Fut. vediṣyati
Pass. vidyate
Kaus. vedayati
PPP vidita
Inf. vediṣyum
daarvan: vidyā v., veda m.
विद् 6U विन्दति (!): vinden
Fut. vediṣyati / vetsyat
Pass. vidyate: er is, het bestaat
Kaus. vedayati
PPP vinna / vitta
Inf. vediṣtum / vettum
i + adhi 2Ā adhīte, adhīyate: studeren, uit het hoofd leren
Kaus. adhyāpayati: laten studeren, onderwijzen
daarvan: adhyayana n.: studie (met name van de Veda); adhyāya m.: les, hoofdstuk (gedeelte om uit het hoofd te leren)
कम् 10Ā कामयते: liefhebben
Fut. kāmayiṣyate / kamiṣyate
Pass. kāmyate
Kaus. kāmayati
PPP kānta (!)
Inf. kāmayitum / kamitum

Afb.: कृष्णो राधां कामयति
Schilderij van राजा रवि वर्मा (1848 - 1906)
(Bron afbeelding: Details)
चुर् 10 चोरयति: stelen
Fut. corayiṣyati
Pass. coryate
Kaus. corayati
PPP corita
Inf. coritum
Onthoud vooral de betekenis van de kausativa bij de volgende werkwoorden:
dṛś — darśayati: tonen
man — mānayati: hoogachten, eren (is waarschijnlijk een denominatief van māna "eer")
vac — vācayati: ook: hardop lezen (een tekst laten spreken)
vad — vādayati: ook: een muziekinstrument aan het spreken brengen = een muziekinstrument spelen

Afbeelding: वीणां वादयति
Vīṇā-Spielerin.
(Bron afbeelding: Details)
भार m.: last

Afbeelding: बाला भारं हरति
Meisje draagt last. Bij Ahmedabad.
(Bron afbeelding: Details)
भृत्य m.: ondergeschikte, dienaar
Preverb:
उद्° : op, omhoog, ten einde toe, uit, eruit-
परि° : rond, om (plaats, tijd), omheen
भू + परि 1P परिभवति : (rond iemand heen worden = inringen =) meester worden, overwinnen ; verachten, minachten
अवज्ञान n.: verachting
गुप्त 3: beschermt, beveiligd
गृहस्थ 3: zich in het huis bevindend ; m. huiskop (iemand die zich in de 2e आश्रम bevindt)
ग्रस् 1Ā ग्रसते : verteren, opeten
Fut. ग्रसिष्यते
Pass. ग्रस्यते
Kaus. ग्रासयति
PPP ग्रस्त
Inf. ग्रसितुम्
तीक्ष्ण 3: "wild", scherp, spits, streng, hevig, scherptongig
न्याय m.: norm, regel, juiste manier; methode, logica (van इ + नि)
परिव्राजक m.: rondtrekker, zwervende monnik, pelgrim

Afbeelding: परिव्राजकाः
Pushkar = पुष्कर
(Bron afbeelding: Details)
पालयति : ook betekenisgelijk met पाति पुनर् Indecl.: weer, steeds terug, terug, nog een keer ; echter, maar (voor stemhebbende klanken behalve r-: पुनर्)
प्रजा f.: voortbrenging, geboorte, nakomelingschap
मत्स्य m.: vis
daarvan:
मात्स्य 3: behorend tot de vis (tot vissen)

Afbeelding: मत्स्यः रोहू मछली = Labeo rohita Hamilton
(Bron afbeelding: Details)
मृदु 3 (v.: मृद्वी): zacht, mild, soepel; langzaam, zwak
यथा bijwoord: zoals, als het ware
रम् 1Ā रमते : stil staan, rusten, vertoeven ; genot vinden, zich vermaken
Fut. रंस्यते
Pass. रम्यते
Caus. रमयति
PPP रत
Inf. रन्तुम्
वानप्रस्थ m.: boskluizenaar (iemand die zich in het 3e आश्रम bevindt)
शुचि 3: stralend, glanzend, verfijnd; m.: zuiverheid
पूज् 10P पूजयति : eren, vereren
PPP पूजित
क्री 9U क्रीणाति : kopen
Fut. क्रेष्यति
Pass. क्रीयते
PPP क्रीत
Inf. क्रेतुम्
क्री + वि 9Ā विक्रीणीते : verkopen
Absol. विक्रीय

Afb.: क्रीणन्ति विक्रीणते च
Bundi = बुन्दी, Rajasthan = राजस्थान
(Bron afbeelding: Details)
ज्ञा 9U जानाति : kennen, herkennen, weten, begrijpen
Fut. ज्ञास्यति
Pass. ज्ञायते
Caus. ज्ञापयति
Caus. PPP ज्ञप्त / ज्ञापित
PPP ज्ञात
Inf. ज्ञातुम्
waarvan:
ज्ञाति m.: (bloed-)verwant (verwanten zijn degenen die men kent!)
ज्ञान zn.: inzicht, kennis, begrip (met name van de „hogere“ waarheden in religie en filosofie)

Afb.: ज्ञातयः
Darewadi, district Ahmed Nagar = अहमदनगर, Maharashtra = महाराष्ट्र
(Bron afbeelding: Details)
पू 9U पुनाति : reinigen
Fut. पविष्यति
Pass. पूयते
Caus. पावयति
PPP पूत
Inf. पवितुम्

Afbeelding: श्रोत्राणि पुनाति
(Bron afbeelding: Details)
अश् 9P अश्नाति : eten, verteren
Fut. अशिष्यति
Pass. अश्यते
Kaus. आशयति
PPP अशित
Inf. अशितुम्

Afbeelding: अश्नीयात् थाली, Zuid-India
(Bron afbeelding: Details)
प्रिय ३: lief, liefhebbend, vriendelijk

Afbeelding: प्रिया
(Bron afbeelding: Details)
चेत् Conjunctie: als; mits, dat (staat nooit aan het begin van een zin)
न चेत् : indien niet
यदि Conjunctie: als
यद्यपि : hoewel, zelfs als, ofschoon
यद्येवम् : indien het zo is, onder deze omstandigheden
पुनर् : weer, keer op keer, terug, nogmaals, daarentegen, maar
पुनः पुनर् : keer op keer
daarvan:
पुनर्भव m.: wedergeboorte

Afbeelding: पुनर्भवः
(Bron afbeelding: Details)
जीव् 1P जीवति : leven
Fut. जीविष्यति
Pass. जीव्यते
Kaus. जीवयति
PPP जीवित : levend
Inf. जीवितुम्
daarvan:
जीव m./n.: leven, individuele ziel
सनातन ३ v.: सनातनी : eeuwig, onvergankelijk, bestendig
युज् 7U युनक्ति : spannen, voor het juk spannen, aanspannen, bevestigen ; Ā ook: zich inspannen (= zich inspannen), verbinden met, concentreren op (Locatief, सप्तमी)
Fut. योक्ष्यति
Pass. युज्यते
Kaus. योजयति
PPP युक्त
Inf. योक्तुम्
daarvan:
युग n.😗* juk, paar, wereldtijdperk (er zijn vier wereldtijden:
Het कलियुग begon rond 3102 v. Chr., het jaar van de महाभारत-oorlog. Meer details bij Basham, Wonder S. 323)
योग m.: "aanspanning, inspanning", inspanning, verbinding, yoga (zie daarvoor Basham, Wonder S. 327ff.)

Afb.: योगः
Yoga-afbeelding.
(Bron afbeelding: Details)
रुध् 7U रुणद्धि : stoppen, tot stilstand brengen, tegenhouden = insluiten, bedekken
Fut. रोत्स्यति
Pass. रुध्यते
Kaus. रोधयति
PPP रुद्ध
Inf. रोद्धुम्
छिद् 7U छिनत्ति : afsnijden
Fut. छेत्स्यति
Pass. छिद्यते
Kaus. छेदयति
PPP छिन्न
Inf. छेत्तुम्
भञ्ज् 7P भनक्ति : (iets) breken
Fut. भङ्क्ष्यति
Pass. भज्यते
PPP भग्न
अञ्ज् 7P अनक्ति : zalven, smeren
Fut. अङ्क्ष्यति । अञ्जिष्यति
Pass. अज्यते
Kaus. अञ्जयति
PPP अक्त
Inf. अञ्जितुम् । अङ्क्तुम्
अञ्ज् + वि** 7Ā व्यङ्क्ते : uiteensmeren = zich schminken, zich onderscheiden maken
PPP व्यक्त : onderscheiden, ontvouwd
daarvan:
व्यञ्जन n.: middel van onderscheid = schmink, kruiden, kenmerk, medeklinker (dat waardoor de betekenissen worden onderscheiden)

Af.: व्यञ्जनम्
Voorbereiding op de Kathakali-dans, Kochi.
(Bron afbeelding: Details)
भिद् 7U भिनत्ति : splitsen
Fut. भेत्स्यति
Pass. भिद्यते
Kaus. भेदयति
PPP भिन्न
Inf. भेत्तुम्
भुज् 7U भुनक्ति : genieten (bijv. eten; "de aarde genieten" = de aarde beheersen)
Fut. भोक्ष्यति
Pass. भुज्यते
Kaus. भोजयति
PPP भुक्त**
Inf. भोक्तुम्
daarvan:
भोग m.: genot, eten, lust, nut, belasting, heffing
बन्ध् 9P बध्नाति (!): binden, vastbinden
Fut. भन्त्स्यति
Pass. बध्यते
Kaus. बन्धयति
PPP बद्ध
Inf. बद्धुम्
daarvan:
बन्धन n.: binden, band
ज्ञा + प्र 9U प्रजानाति : herkennen, begrijpen
daarvan:
प्रज्ञा f.: wijsheid, kennis

Afb.: प्रज्ञापारमिता
Uit een Prajñāpāramitā-manuscript.
(Bron afbeelding: Details)
भू + सम् 1P सम्भवति : ontstaan, bestaan
शरीर n.: lichaam, lijf
अग्र n.: punt, uiterste einde
मही f.: aarde, grond en bodem (letterlijk: de Grote)
एकदा
श्रम् श्राम्यते
श्रमिष्यते:br
श्रम्यते:br
श्रमयति:br
श्रान्त:br
श्रमित्वा । श्रान्त्वा:br
श्रम्य:br
श्रमितुम्
पार्श्व चूत

Afb.: चूतः
Mango boom, Kanpur.
(Bron afbeelding: Details)
तरु वृक्ष पचेलिम स्पृहा परम्
रुह् रोहति
रोक्ष्यति:br
रुह्यते:br
रोहयति । रोपयति:br
रूढ:br
रुह्य:br
रोढुम्
ग्रह् गृह्णाति
ग्रहीष्यति (!):br
गृह्यते:br
ग्राहयति:br
गृहीत:br
गृह्य:br
ग्रहीतुम् (!)
वानर कपि

Afbeelding: वानराः
Apen (rhesusapen) in Delhi.
(Bron afbeelding: Details)
लोक् लोकयति
लोकयिष्यति:br
लोक्यते:br
लोकित:br
लोक्य:br
लोकितुम्
प्रहर्ष कति उपल

Afbeelding: उपलाः
Steengroeve ten zuiden van Pune, Maharashtra.
(Bron afbeelding: Details)
लक्ष्य
क्षिप् क्षिपति
क्षेप्स्यति:br
क्षिप्यते:br
क्षेपयति:br
क्षिप्त:br
क्षिप्य:br
क्षेप्तुम्
चि चिनोति
चेष्यति:br
चीयते:br
चाययति:br
चित:br
चित्य:br
चेतुम्

Afbeelding: चितं गोमयं दहति
Brandende koemestplakken in Rajasthan.
(Bron afbeelding: Details)
चि अव
प्रति अहो
कौशल कुशल

Afbeelding: कौशलम्
Mehndi-schildering op handen in Mumbai.
(Bron afbeelding: Details)
दा 3U ददाति: geven
Fut. दास्यति
Pass. दीयते
Kaus. दापयति
PPP दत्त
Inf. दातुम्
daarvan:
दान n.: geven, geschenk, vrijgevigheid

Afbeelding: दानम्
(Bron afbeelding: Details)
दा + आ 3Ā अदत्ते: (in ontvangst) nemen, in bezit nemen, meenemen
Absol. आदाय: met Akk.: in gezelschap van, met

Afb.: सा पुत्रमादाय भारं बिभ्रती गच्छति
(Bron afbeelding: Details)
sig[धा] 3U दधाति: plaatsen, vaststellen, toewijzen
Fut. धास्यति
Pass. धीयते
Kaus. धापयति
PPP हित (!!)
Inf. धातुम्
धा + सम् + आ 3U समादधाति: de volledige aandacht op iets richten, zich verzamelen
daarvan:
समाधि m.: innerlijke verzameling, hoogste aandacht

Afb.: समाधि
(Bron afbeelding: Details)
पॄ 3P पिपर्ति: vullen, vervullen
Merk op:
3.pl.P पिपुरति
3.sg.Impf.P अपिपर् (uit: *apipart)
3.pl.Impf.P अपिपरुर्
3.sg.Opt.P पिपूर्यात्
Fut. परिष्यति / परीष्यति
Pass. पूर्यते
Kaus. पूरयति / पारयति
PPP पूर्ण / पूर्त / पूरित
पॄ + सम् alleen Pass. सम्पूर्यते en Kaus.: volledig vullen
भी 3P बिभेति: vrezen voor (Abl., Gen.)
Fut. भेष्यति
Pass. भीयते
Kaus. भाययति
PPP भीत
Inf. भेतुम्
daarvan:
भय n.: angst, vrees; gevaar (de subjectieve en de objectieve zijde)

Afb.: भयम्
(Bron afbeelding: Details)
भृ 3U बिभर्ति: dragen, brengen; onderhouden, voeden
Fut. भरिष्यति
Pass. भ्रियते
Kaus. भारयति
PPP भृत
Inf. भर्तुम्
waarvan:
भार m.: last
मा 3Ā मिमीते: meten
Fut. मास्यति / मास्यते
Pass. मीयते
Caus. मापयति
PPP मित
Inf. मातुम्
मा + उप 3Ā उपमिमीते: vergelijken
waarvan:
उपमा f.: vergelijking
प्रतिमा f.: afbeelding
हा 3P जहाति: verlaten
Fut. हास्यति
Pass. हीयते
Caus. हापयति
PPP हीन: verlaten door, bij gebrek aan, gebrekkig
Inf. हातुम्
van PPP हीन:
हीनयान zn.: het gebrekkige voertuig (van het boeddhisme): minachtende benaming door de aanhangers van het "grote voertuig", het महायान; de gebrekkige Weg (यान naar या 2: gaan, rijden). De uitdrukking हीनयान mag niet meer worden gebruikt. De vorm van het oude boeddhisme die vandaag de dag nog bestaat, heet थेरवाद.

Afb.: हीनयानमेव
(Bron: Details)
हु 3P जुहोति: in het vuur gieten (als offer, met name gesmolten boter)
Fut. होष्यति
Pass. हूयते
Caus. हावयति
PPP हुत
Inf. होतुम्

Afb.: घृतमग्नौ जुहोति
(Bron: Details)
घृत n.: gesmolten boter, ghee (घी / گھی / ঘী)
"Ghee wordt gemaakt door ongezouten boter in een grote pan te laten sudderen tot al het water is verdampt en de eiwitten op de bodem zijn neergeslagen. De gekookte en geklaarde boter wordt vervolgens met een lepel afgeschept om te voorkomen dat de melkbestanddelen op de bodem van de pan worden verstoord. In tegenstelling tot boter kan ghee gedurende langere tijd zonder koeling worden bewaard, mits het in een luchtdichte verpakking wordt bewaard om oxidatie te voorkomen en het vrij van vocht blijft. De textuur, kleur of smaak van ghee hangt af van de herkomst van de melk waaruit de boter is gemaakt. In India wordt ghee meestal gemaakt van waterbuffelmelk, omdat deze doorgaans witter is dan koemelk.”
[Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/Ghee. -- Geraadpleegd op 2008-12-26]
क्षिति v. = पृथ्वी = मही = भूमी
शस्य = सस्य n. sg. en pl.: zaad, gewas, graan

Afbeelding: सस्यम्
Rijstveld in India.
(Bron afbeelding: Details)
यावत् : hoe lang, hoe groot
तावत् : zo lang, zo groot
उत्तम 3: hoogste
द्वीप m.v.: eiland, continent

Afbeelding: लक्षद्वीपाः
Kaart van de Lakshadweep-eilanden.
(Bron afbeelding: Details)
मर्त्य 3: sterveling (van मृ)
तिल m.: sesam(zaad) (Sesamum indicum L.)

Afbeelding: तिलाः
Sesamzaad.
(Bron afbeelding: Details)

Afbeelding: Sesamum indicum L.
Bloeiende sesamplant.
(Bron afbeelding: Details)
स्वर्ण n.: (kleurrijk =) goud

Afbeelding: स्वर्णम्
Gouden Tempel (Harmandir Sahib), Amritsar.
(Bron afbeelding: Details)
निकेतन n.: woonplaats, tempel
कोटि v.: punt; 10 miljoen
श्रेष्ठ 3: beste
तल m.v.: vlakte, oppervlak
ऋषभ m.: stier

Afbeelding: ऋषभः
Nandi Stier standbeeld, Chamundi-heuvels, Mysore.
(Bron afbeelding: Details)
यम् 1P यच्छति : terughouden, houden, aanbieden, verlenen
यम् + प्र 1P प्रयच्छति : uitsteken, aanbieden, afleveren
या 2P याति : lopen, rijden
कन्या v.: meisje, maagd
नश् 4P नश्यति : verdwalen, ten onder gaan, verdwijnen
Perf. Vb ननाश, नेशुर् :br
Fut. नशिष्यति । नङ्क्ष्यति :br
causatief नाशयति :br
PPP नष्ट
नश् + प्र 4P प्रणश्यति** : verdwijnen, verloren gaan, ten onder gaan
क्रम् 1U क्रामति, 4P क्राम्यति : voortgaan, lopen
Perf. Vc चक्राम, चक्रमुर् :br
Fut. क्रमिष्यति :br
Pass. क्रम्यते :br
Caus. क्रमयति :br
PPP क्रान्त :br
Inf. क्रमितुम् :br
Absol. क्रमित्वा । क्रन्त्वा । क्रान्त्वा

Afb.: क्रामन्ति
Mensen die lopen, Senegal.
(Bron: Details)
गै 1P गायति (gai + a-ti): zingen, op zangerige toon reciteren, in gebonden spraak verkondigen
Perf. IV जगौ, जगुर् :br
Fut. गास्यति :br
Pass. गीयते :br
Caus. गापयति :br
PPP गीत :br
Inf. गातुम्
waarvan:
गीता v.: lied, gezang

Afb.: जगुः
Tempelmusici in de Kaadu Malleswara-tempel in Bangalore.
(Bron: Details)
अह् P alleen voltooid tegenwoordige tijd met betekenis van tegenwoordige tijd आह, आहुर् : zeggen, spreken
अह् प्र P alleen voltooid verleden tijd met tegenwoordige tijdbetekenis प्राह : zeggen, spreken
ईक्ष् 1Ā ईक्षते : zien, (op)merken, bekijken
Perfectum ईक्षां चक्रे
Toekomst ईक्षिष्यते
Passief ईक्ष्यते
Causatief ईक्षयति
PPP ईक्षित
Infinitief ईक्षितुम्
चि 5U चिनोति : stapelen, verzamelen
Perf. चिकाय । चिचाय
Fut. चेष्यति
Pass. चीयते
Caus. चाययति । चापयति
PPP चित
Inf. चेतुम्

Afb.: गोमयं चिकाय
(Bron: Details)
व्रज् 1P व्रजति : stappen, lopen, weggaan
Perf. Vc वव्राज, वव्रजुर्
Fut. व्रजिष्यति
Pass. व्रज्यते
Caus. व्राजयति
PPP व्रजित
Inf. व्रजितुम्
व्रज् + प्र 1P प्रव्रजति : weggaan (met name uit het huis naar een leven zonder thuis als asceet = monnik worden)
अगार n.। आगार n.: huis, thuis

Afb.: अगारम्
(Bron: Details)
waarvan:
अनगार्य zn. । अनगारika v.: dakloosheid van een boeddhistische monnik of novice

Afb.: अनगार्यम्
(Afbeeldingsbron: Details)
अञ्जलि m.: De twee handen die uit eerbied hoog tegen elkaar zijn gevouwen
आदृत 3: gerespecteerd
उपाध्याय m.: leraar
पृथिवी v.: aarde
पृष्ठ n.: rug, achterkant
पृष्ठम् : achter
प्रजापति m.: Heer der schepselen, Scheppergod
अनु Voorvoegsel: naar, langs, over – heen, in de lengte, volgens, ernaartoe, achter – aan
bijv.
अनुकृ : nabootsen, nadoen
अनुगम् : iemand volgen, meelopen
अभि : naar, toe, ernaartoe, erheen, tegen, erin, met betrekking tot, op, over, aan
bijv.
अभिगम् : erheen gaan, dichterbij komen
वद् + अभि Causatief Ā अभिवादयते : formeel begroeten, aanspreken
ग्लै 1P ग्लायति : weerstand voelen, wegvloeien
Perf. IV जग्लौ
Fut. ग्लास्यति
Pass. ग्लायते
Kaus. ग्लापयति । ग्लपयति
PPP ग्लान
Inf. ग्लातुम्
Absol. -ग्लाय
घ्रा 1P जिघ्रति : iets ruiken
Perf. IV जघ्रौ
Fut. घ्रास्यति
Pass. घ्रायते
Kaus. घ्रापयति
PPP घ्रात । घ्राण
Inf. घ्रातुम्
Absol. -घ्राय
प्री 9U प्रीणति : vermaak vinden, verblijden; liefhebben, iemand genegen zijn
प्री 4Ā प्रीयते : zich verheugen
Perf. IIIa पिप्राय, पिप्रिये
Fut. प्रेष्यति
Pass. प्रीयते
Kaus. प्रीणयति
PPP प्रीत
Inf. प्रेतुम्
स्पृश् 6P स्पृशति : aanraken
Perf IIa पस्पर्श, पस्पृशुर्
Fut. स्पर्क्ष्यति । स्प्रक्ष्यति
Pass. स्पृश्यते
Kaus. स्पर्शयति
PPP स्पृष्ट
Inf. स्पर्ष्तुम् । स्प्रष्तुम्
Absol. -स्पृश्य

Afbeelding: सुगतो भूमीं पस्पर्श
(Bron afbeelding: Details)
हृष् 4P हृष्यति : stijf worden: zich verheffen (haar), zich verheugen over (Instr., Akk., Lok.)
Perf II जहर्ष
Fut. हर्षिष्यति
Pass. हृष्यते
Kaus. हर्षयति
PPP हृषित

Afbeelding: लोमहर्षः
(Bron afbeelding: Details)
स्वक 3: eigen (mijn, jouw ...) m.: lid van
मूर्ख 3: stom, dom, dumm m. Dwaas
मुनि m.: wijze, (zwijgende) asceet
शाक्यमुनि m.: Asceet uit het geslacht van de शाक्य (Kṣatriya's uit कपिलवस्तु) = Boeddha Gautama

Afb.: शाक्यमुनिः
(Bron: Details)
दिन zn.: dag
वृक्ष m.: boom

Afb.: वृक्षः
(Bron: Details)
मुख zn.: mond, gezicht, voorste deel, begin
सूर्य m.: zon, zonnegod Sūrya

Afb.: सूर्यः
(Afbeeldingsbron: Details)
उदक zn.: water

Afb.: उदकम्
(Bron: Details)
वा 2P वाति : waaien, blazen
Toekomst वास्यति
Voltooid IV ववौ
Passief वायते
Causatief वापयति
PPP वान । वात
Inf. वातुम्
waarvan:
वात m.: wind
वा + निस् 2P निर्वाति : waaien, wegwaaien, uitdoven
waarvan:
निर्वाण zn.: Uitdoven, Nirvana
परिनिर्वाण zn.: volkomen uitdoven, volkomen verlossing (aan het einde van het leven van een Boeddha of Arhant)

Afb.: गौतमबुद्धस्य महापरिनिर्वाणम्
(Bron: Details)
मिह् 1P मेहति : plassen, pissen, ejaculeren
Toekomstige tijd मेक्ष्यति
Voltooid verleden tijd II मिमेह, मिमिहुर्
Passief मिह्यते
Causatief मेहयति
PPP मीढ
waarvan:
मेघ m.: wolk (“Seicher”)
सुत m.: zoon
राजन् m.: koning (zie Basham, Wonder, blz. 82–94, over het koningschap in India). Als laatste deel van een samengesteld woord (met name तत्पुरुष) meestal: -राज m. (zoals देव)
Vrouwelijk:
राज्ञी v.: koningin, vrouw van een koning
van राज :
राज्य 3: koninklijk; n. koninkrijk, koningschap, heerschappij
नामन् n.: naam
सीमन् v.: grens
आत्मन् m.: zelf, eigen persoon, innerlijk wezen. Filosofisch en in verlossingsleer: het Absolute in het individu, waarvan zich het individu echter onder omstandigheden niet bewust is (v. Stietencron)
ब्रह्मन् n.: het Absolute, de Veda (volgens Thieme oorspronkelijk: de geformuleerde waarheid, waarvan ब्राह्मण "waarheidsformuleerder")
ब्रह्मन् m.: de persoonlijk gedacht scheppergod Brahmā

Afb.: ब्रह्मा
(Bron afbeelding: Details)
कर्मन् n.: tot कृ 8U: handeling, daad, werk; heilig werk, offerhandeling; karma: het eerdere doen, dat later zijn vruchten brengt (bijv. in wedergeboorte)
कर्मविपाक m.: rijpen van de daden = de goede en slechte consequenties van daden in eerdere bestaansvormen (tot वि-पच्)
हस्तिन् m.: olifant (Elephas maximus)
मनु m.: mens, man; naam van de vader van het menselijk geslacht (tot मन् 4Ā)
daarvan:
मनुष्य m.: mens
शुच् 1P शोचति : (vlammen, schijnen); treuren, betreuren
Perf II शुशोच, शुशुचुर्
Fut. शोचिष्यति
Pass. शुच्यते
Kaus. शोचयति
Inf. शुचितुम्
Absol. शोचित्वा । शुचित्वा
daarvan:
शुचि 3: schijnend, zuiver, helder
शोक m.: rouw, verdriet
अशोक 3: vrij van verdriet; asoka-boom = Saraca asoca (Roxb.) Wilde; naam van de keizer Aśoka (देवानांप्रिय प्रियदर्शी) (ca. 304 – 232 v.Chr.)

Afbeelding: अशोकवृक्षः
(Bron afbeelding: Details)

Afbeelding: अशोकसाम्राज्यम्
(Bron afbeelding: Details)
पात्र n.: Eerbiedwaardige, Meester, Verdienstvolle
मेधा f.: Wijsheid, Verstand, Gedachte
पुस्तक m.n.: Manuscript, Boek
कॢप् 1Ā कल्पते : in juiste volgorde zijn, passen bij (Lok.) ; zich vormen, ontstaan ; besluiten tot, zich neerleggen bij (Dativ)
Perf. II चकॢपे facultatief अनिट्
Fut. कल्पिष्यते । कल्प्स्यते
Kaus. कल्पयति : in orde brengen, creëren, in de verbeelding vormen, zich inbeelden
PPP कॢप्त
Inf. कल्पितुम् । कल्प्तुम्
daarvan:
कल्पना f.: Het vormen in gedachten, het aannemen van iets dat niet bestaat in de werkelijkheid, fictie
कॢप् + वि Kaus. विकल्पयति : (zich verschillend voorstellen =) ter discussie stellen, betwijfelen
daarvan:
विक्ल्प m.: Alternatief, twijfel
तुद् 6U तुदति : slaan
Perf. II तुतोद, तुतुदुर्
Fut. तोत्स्यति
Pass. तुद्यते
Kaus. तोदयति
PPP तुन्न (tud + na)
Inf. तोत्तुम्
तॄ 1P तरति : oversteken, overschrijden, zich redden voor iemand (Akk. = iemands oversteken)
Perf. IIIb ततार, ततरुर् । तेरुर्
Fut. तरिष्यति । तरीष्यति
Pass. तीर्यते
Kaus. तारयति
PPP तीर्ण
Inf. तरितुम् । तरीतुम्
daarvan:
तीर्थ n.: Ford, heilige badplaats, pelgrimsoord

Afbeelding: हरिद्वारे तीर्थम्
(Bron afbeelding: Details)
तीर्थङ्कर m. (uit: तीर्थम्+ कृ): oversteekmeester (over het lijden heen) = de 24 leraren van de Jaina

Afbeelding: तीर्थङ्करः
(Bron afbeelding: Details)
अव Präverb.: neer-, afwaarts, weg-, af-
तॄ + अव 1P अवतरति : neerdaalen
daarvan:
अवतार m.: (neerdaaler, neerdaling) inkarnatie van een god, vooral Viṣṇus 10 inkarnaties (zie Basham, Wonder blz. 304 - 309)

Afbeelding: विष्णोर्दशावताराः
(Bron afbeelding: Details)
स्वप् 2P स्वपिति, स्वपन्ति : slapen, zich neerleggen om te slapen
Impf. अस्वपीत् । अस्वपत्
Perf. सुष्वाप, सुषुपुर्
Fut. स्वप्स्यति
Pass. सुप्यते (uit *svp-ya-te)
Kaus. स्वापयति
PPP सुप्त
Inf. स्वप्तुम्
daarvan:
स्वप्न m.: slaap, droom
सुप्ति f. (uit *svp-ti): slaap, vooral diepe slaap

Afbeelding: स्वपन्ति
(Bron afbeelding: Details)
मूर्ख m = मूढ भुजङ्ग m.: slang

Afbeelding: भुजङ्गः
(Bron afbeelding: Details)
केवलम् Adv.: alleen, uitsluitend, volledig
विष n.: gif

Afbeelding: भुजङ्गस्य विषम्
(Bron afbeelding: Details)
शास् 2P शास्ति : terechtwijzen, beheersen, bevelen, onderwijzen
heeft de zwakke tegenwoordige-stam शिष् : शिष्मस्, de 3. mv. Tegenwoordige Tijd heeft echter een sterke stam: शासति (!! uitgang -ati) naast af en toe शासन्ति. अशासुर्. Ook het gehele आत्मनेपद heeft, voor zover het voorkomt, de sterke stam: शास्ते
Perfectum I शशास, शशासुर्
Toekomende Tijd. शासिष्यति
Passief -शास्यते । शिष्यते
PPP शिष्ट : onderwezen, wijs
Infinitief शासितुम्
Absolutief -शिष्य । -शास्य
daarvan:
शासना v.: koninklijk edict, leer, religie

Afb.: शासना
(Bron afbeelding: Details)
शास्त्र o.: leer, leergang
शास्त्रिन् m.: geleerd, geleerde

Afb.: शास्त्री
(Bron afbeelding: Details)
शिष्य 3: te onderwijzen = leerling
शरण 3: beschermend, schattend ; o. bescherming, toevlucht, het zich tot iets wenden
सङ्घ o.: (tot सम्-हन् : samen-slaan): schare, hoop, gemeenschap (bijv. boeddhistisch)
कन्या v.: jong meisje, dochter, maagd
अति voorvoegsel: over, voorbij-, verder dan (in ruimte, in tijd, in aantal, in hoeveelheid, in volgorde, in macht, in intensiteit), uiterst
इ + अति 2P अत्येति : voorbijgaan
PPP अतीत : o. verleden tijd
प्रकृति v.: (tot कृ + प्र) grondvorm, natuurlijke staat, natuur; oerstof, element
अर्जुन m. eigennaam: Arjuna, een van de vijf zonen van पण्डु. Held in het महाभारत (zie Basham, Wonder blz. 409 - 414)
स्था + अव 1Ā अवतिष्ठते : zich onthouden van, afstand nemen van, zich afzijdig houden, blijven staan
PPP अवस्थित 3: staande, zich bevindend
पुरा Adv.: eens, vroeger
अनेक 3: veel (niet een paar)
कुमार m.: prins
दूत m.: boodschapper, gezant
इष् (1,4,9) Kaus. इषयति : sturen
सकाश m.: aanwezigheid, tegenwoordigheid
शर m.: pijlsteel, pijl
बाण m.: pijl, doel
ज्ञा + प्रति 9U प्रतिजानाति : goedkeuren, beloven; Ā: antwoorden, bevestigen, beweren, erkennen
चल् 1P चलति : in beweging komen
Fut. चलिष्यति
Perf. Vb चचाल, चेलुर्
Pass. चल्यते
Kaus. चलयति । चालयति
PPP चलित
Absol. -चल्य
Inf. चलितुम्
अधिपति m. = राजन् आटोप m.: ijdelheid, trots
चिन्तापर 3: in gedachten verdiept
अन्तरे Adv.: ondertussen
लीला f.: grappen, spel
यावत् Adv.: hoe lang, gedurende
तावत् Adv.: zo lang
द्विधा । द्वेधा Adv.: tweeledig, in twee delen
शंस् 1P शंसति : prijzen, gebieden
Fut. शंसिष्यति
Perf. I शशंस
Pass. शस्यते
Kaus. शंसयति
PPP शस्त
Absol. शसित्वा । शस्त्वा
Inf. शंसितुम्
हृदय n.: hart

Afb.: माता, पिता, पुत्रकः
(Bron afbeelding: Details)
भर्तृ m. (van भृ "dragen, onderhouden"): onderhoudster, voederaar, echtgenoot
भार्या f., जाया f. पत्नी f.: echtgenote (भार्या = gerundivum van भृ : te dragen, te onderhouden, onderhoudsgerechtigde)
पितृ m.: vader
पितृ m. meervoud: de overleden mannelijke voorouders, d.w.z.
Voor beiden worden rituelen uitgevoerd, de zogenaamde श्राद्ध n. Dagelijks worden aan drie mannelijke voorouders (aan vaderszijde en aan moederszijde) water en bij bepaalde gelegenheden rijstballetjes of meelballetjes (पिण्ड m. „balletjes”) aangeboden. Zo moeten de voorouders voedsel krijgen. Het uitvoeren van deze ceremonie is een van de redenen waarom een man een zoon moet verwekken. Degenen die door dit पिण्ड-offer met elkaar verbonden zijn, worden सपिण्ड genoemd (die पिण्ड gemeen hebben). सपिण्ड omvat zes generaties: drie terug in de tijd (tot aan de overgrootvader) en drie vooruit (tot aan de achterkleinzoon).
तात m.: vader
मातृ v.: moeder
पुत्र m.: zoon
दुहितृ v. सुता v.: dochter
नप्तृ m.: kleinzoon
भ्रातृ m.: broer
स्वसृ v., भगिनी v.: zus
देवृ m.: broer van de echtgenoot (zwager van de vrouw)
यातृ m.: echtgenote van de broer van de echtgenoot
ननान्दृ v.: zus van de man
श्वसुर v.: schoonvader (vroeger: alleen van de vrouw)
श्वस्रू v.: schoonmoeder (declinatie volgt later)
मातुल m.: broer van de moeder (oom van moederszijde)
मातुलानी v.: Echtgenote van de broer van de moeder (vrouw van de broer van de moeder)
पितृव्य m.: Broer van de vader (oom van vaderskant)
पितामह m.: grootvader van vaderskant
पितामही v.: grootmoeder van vaderskant
मातामह m.: grootvader van moederszijde
मातामही v.: grootmoeder van moederszijde
ज्ञा + आ Kausativ आज्ञापयति : bevelen, aanorden
आपण m.: markt

Afb.: आपणः
(Bron: Details)
सत्वर 3: snel, haastig
पण्य 3: koopbaar; n.: goed, handel

Afb.: पण्यानि
(Bron: Details)
आम् : ja
सम m. = वर्ष n.
-आयुत 3: voorzien van
भद्र 3: goed, gelukkig; vocatief: mijn lieve!
समय m. (tot सम्-इ): overeenkomst, contract, termijn, datum, tijd
निश्चित 3: besloten, vastgesteld
नोचेत् : indien niet, anders
विलम्ब n.m.: vertraging, uitstel
विपणि f.: winkel, kraam

Afb.: विपणिः
(Bron: Details)
वणिज् m.: koopman

Afb.: वणिक्
(Bron: Details)
वर 3: beste
शीघ्र 3: snel, vlug
वत्स m.: kalf, jong, kind; voc.: mijn lieve

Afb.: वत्सः
(Bron: Details)
उत्तम 3: hoogste, beste
अल्प 3: klein, gering
मूल्य n.: waarde, prijs
कियत् 3: hoe groot
शर्करा f.: suiker (het Duitse "Zucker" gaat via het Italiaanse zucchero, daarvandaan via het Arabische sukkar - سكر en Perzisch äkär - شکر terug op het Sanskriet शर्करा!)
अधिक 3: extra, overtollig, buitengewoon
तर्हि : destijds, toen; daarom, dus
तुल् 10 तुलयति । तोलयति : wegen

Afb.: तोलन्ति
(Bron: Details)
कर्गल n.: papier
संपुट m.: blik (hier: pakket, bundel)
पुरतस् : vooraan, ervoor, voor
श्रेष्ठिन् m.: rijke koopman
जव 3: snel, haastig
द्रु 1P द्रवति rennen
Perf. IIIa दुद्राव, दुद्रुवुर्
Fut. द्रोष्यति
Pass. द्रूयते
Kaus. द्रावयति
PPP द्रुत
Absol. -द्रुत्य
Inf. द्रोतुम्
रे interjectie: He! Jij daar!
अन्यद् 3: een andere (declinatie zoals यद् )
वञ्चक m.: bedrieger
पश्चात्ताप m.: berouw
इत्थम् adv.: op deze manier, zo
दिन n.: dag
जन्मन् n.: geboorte
आनन्द m.: zaligheid, vreugde
प्रति prefix: terug, tegenover, naar - toe
bijv.
हन् + प्रति 2P प्रतिहन्ति : terugslaan
वद् + प्रति 1P प्रतिवदति : terugspreken = antwoorden
ख्या + प्रति + आ 2P प्रत्याख्याति : afwijzen, verachten
या 2P याति : gaan, rijden
Perf. IV ययौ
Fut. यास्यति
Pass. यायते
Kaus. यापयति
PPP यात
Inf. यातुम्
daarvan:
यान n.: gaan, weg, voertuig

Afb.: रेल्यानम्
(Bron afbeelding: Details)
शी 2Ā शेते : liggen. Deze wortel heeft in alle vormen van de tegenwoordige stam Hoge graad: 1.sg.Ind.Tegenw.Ā शेये (śe + e). Volgende vormen zijn bijzonder om te onthouden: 3.pl.Ind.Tegenw.Ā शेरते, 3.pl.Imp.Tegenw.Ā अशेरत
Perf. IIIa शिश्ये (śi-śī + e)
Fut. शयिष्यते
Kaus. शापयति
PPP शयित
Inf. शयितुम्
daarvan:
शयन n.: ligplaats, bed

Afb.: योगी शयने शेते
(Bronvermelding: Details)
नन्द् 1P नन्दति : zich verheugen in (तृतीयया)
Perf. I ननन्द
Fut. नन्दिष्यति
Pass.: नन्द्यते
Kaus. नन्दयति
PPP नन्दित
Inf. नन्दितुम्
Absol. -नन्द्य
Gerundivum नन्द्य
daarvan:
नन्दिन् 3: gekenmerkt door (speciale) vreugde, vrolijk ; m. naam van het rijdier (वहन) van de शिव (een stier)

Afbeelding: नन्दी
(Bron afbeelding: Details)
नन्द् + अभि 1P (1Ā) अभिनन्दति : zijn vreugde hebben in (द्वितीयया), iemand vrolijk begroeten, welkom heten
यम् 1P यच्छति : houden, dragen ; aanbieden, verlenen ; bijeenhouden, temmen, teugelen, overwinnen
Perf. Vb ययाम, येमुर्
Fut. यंस्यति
Pass. यम्यते
Kaus. यामयति maar: नियमयति
PPP यत
Inf. यन्तुम्
Absol. -यम्य
यम् + आ 1U आयच्छति : rekken, uitstrekken
PPP आयत 3: lang uitgestrekt

Afbeelding: आयतो मरुः
(Bron afbeelding: Details)
यम् + प्र 1P प्रयच्छति : aanbieden, presenteren, overhandigen
यम् + सम् 1P संयच्छति : samenbinden, vastbinden, temmen
यत् 1Ā यतते : streven naar (सप्तमी, चतुर्थी, द्वितीया)
Perf. Vb येते
Fut. यतिष्यते
Pass. यत्यते
Kaus. यातयति
PPP यत्त
Inf. यतितुम्
daarvan:
यत्न m.: inspanning, moeite

Afbeelding: यत्नेन
(Bron afbeelding: Details)
रभ् 1Ā रभते (variant op लभ्): vatten, grijpen
Perf. Wv रेभे
Fut. रप्स्यते
Pass. रभ्यते
Kaus. रम्भयति
PPP रब्ध
Inf. रब्धुम्
Absol. -रभ्य
रभ् + आ 1Ā आरभते : aanraken, beginnen, ondernemen
प्रव्रज्या v. (van प्र-व्रज्): het verlaten van huis en haard ten behoeve van de dakloosheid; ceremonie waarbij men boeddhistisch novice wordt (Pali: पब्बजा)

Afbeelding: प्रव्रअज्या / पब्बजा
(Bron afbeelding: Details)
वा ... वा : ofwel ... of
सम 3: gelijk, juist, vergelijkbaar
daarvan:
समम् Adv.: op gelijke wijze, tegelijk (तृतीयया), gelijkmatig
समता v.: gelijkmoedigheid
विषम 3: ongelijk, oneffen, kwaadaardig
ग्रह् 9U गृह्णाति (gṛh-ṇā-ti) : grijpen, vatten
Perf Va (!) जग्राह, जगृहुर्
Fut. ग्रहीष्यति
Pass. गृह्यते
Kaus.ग्राहयति
PPP गृहीत
Inf. ग्रहितुम्
Absol. -ग्राह्य
daarvan:
ग्रह m.: grijpen, grijper, krokodil, wandelende ster
नवग्रह m.: de negen wandelende sterren (geen planeten!) (zie Basham, Wonder blz. 493):
Zie voor राहु en केतु:
Payer, Alois (1944–): Dharmashastra : Inleiding en overzicht. -- 10. Sacramenten en overgangsrituelen (samskara). -- Aanhangsel C: Rahu en Ketu, de onzichtbare wandelende sterren . -- URL: http://www.payer.de/dharmashastra/dharmash10c.htm

Afb.: सूर्यः, चन्द्रः, मङ्गलः
(Bron: Details)

Afb.: बुधः, बृहस्पतिः
(Bron: Details)

Afb.: शुक्रः, शनिः
(Bron: Details)

Afb.: राहुः, केतुः
(Bron: Details)
तुष् 4P तुष्यति : tevreden zijn, genoegen nemen met (षष्ठ्या, चतुर्थ्या, तृतियया, सप्तम्या)
Perf. II तुतोष, तुतुषुर्
Fut. तोक्ष्यति
Pass. तुष्यते
Kaus. तोषयति
PPP तुष्ट
Inf. तोष्टुम्
नम् 1P नमति : buigen, zich buigen, neigen, zich buigen
Perf. Vb ननाम, नेमुर्
Fut. नंस्यति
Pass. नम्यते
Kaus. नमयति । नामयति
PPP नत
Inf. नन्तुम्

Afb.: नारायण तुभ्यं नमामि
(Bron: Details)
रुह् 1P रोहति : beklimmen, bestijgen
Perf. II रुरोह, रुरुहे
Fut. रोक्ष्यति
Pass. रुह्यते
Kaus. रोहयति । रोपयति
PPP. रूढ
Inf. रोढुम्
ह्वे । हू 1U ह्वयति : roepen, aanroepen
Perf. IIIa जुहाव, जुहुवे
Fut. ह्वास्यति
Pass. हूयते
Kaus. ह्वाययति
PPP हूत
Inf. ह्वातुम्
Absol. -हूय

Afbeelding: महामात्र कं चरिष्णुदूरशब्देनाह्वयसि
(Bron afbeelding: Details)
1 महामात्र m. "Olifantendrijver"; चरिष्णु 3 "beweeglijk", दूरशब्द m. "telefoon, intercom" » चरिष्णुदूरशब्द "mobiele telefoon" (woordvorming: A. Payer)
विभ्रम m.: het heen en weer gaan
भ्रंश m.: het afvallen
श्रम् 4P श्राम्यति : zich inspannen, moe worden
Perf. Vc शश्राम, शश्रामुर्
Fut. श्रमिष्यति
Pass. श्रम्यते
Kaus. श्रमयति । श्रामयति
PPP श्रान्त
Inf. श्रमितुम्
Absol. श्रमित्वा । श्रान्त्वा
daarvan:
आश्रम m.n.
श्रि 1U श्रयति : leunen, zich aanleunen, steun vinden, naar iemand toe gaan (द्वितीयया, सप्तम्या)
Perf. IIIa शिश्राय, शिश्रिये
Fut. श्रयिष्यति
Pass. श्रीयते
Kaus. श्राययति
PPP श्रित
Inf. श्रयितुम्
सञ्ज् 1P सजति : hechten, zich vasthechten aan (सप्तम्या)
Perf. I ससञ्ज, ससञ्जुर्
Fut. संक्ष्यति
Pass. सज्यते
Kaus. सञ्जयति
PPP सक्त
Inf. संक्तुम्
daarvan:
सङ्ग m.: het vasthechten aan, contact met (तृतीयया)
द्रु 1P द्रवति : lopen, haasten
Perf. IIIa (अनिट्) दुद्राव, दुद्रुवुर्
Fut. द्रोष्यति
Pass. द्रूयते
Kaus. द्रावयति
PPP द्रुत
Inf. द्रोतुम्
Absol. -द्रुत्य
भ्रम् 1P भ्रमति । 4Pभ्राम्यति : dwalen, zwerven
Perf. Vc बभ्राम, बभ्रमुर् । Vb भ्रेमुर्
Fut. भ्रमिष्यति
Kaus. भ्रमयति
PPP भ्रान्त
Inf. भ्रमितुम्
Absol. -भ्रम्य
daarvan:
विभ्रम m.: dwalen, verwarring, dwaling
लम्ब् 1Ā लम्बते : hangen aan (सप्तम्या), hangen van (सप्तम्या)
Perf. I ललम्बे
Fut. लम्बिष्यते
Pass. लम्ब्यते
Kaus. लम्बयति
PPP लम्बित
Inf. लम्बितुम्
Absol. -लम्ब्य

Afb.: लम्बोदर नमस्तुभ्यम्
(Bron afbeelding: Details)
लम्ब् + आ 1Ā आलम्बते : zich hangen aan (द्वितीयया)
यदि voegwoord: als
भू + परि 1P परिभवति : omsingelen, beheersen, verslaan
PPP परिभूत 3: verslagen, vernederd, neergeslagen
नि voorzetsel: naar beneden, omlaag, binnenin, achteruit
bijv.
सद् + नि 1P निषीदति : zich neerzetten
भोस् vocatiefdeeltje: aanroep, bijv.: hey, heda, oh, ei, hallo, hi! vaak niet te vertalen. Dit deeltje heeft een speciale sandhi: voor alle stemhebbende medeklinkers luidt het भो.
श्वस् : morgen
अद्य : vandaag
लघु 3: licht (niet zwaar, niet moeilijk), snel, kort (in uitdrukking)
व्याकरण n.: grammatica (zie व्याकृ)
तन्त्र n.: snaar ; weefgetouw, kettingdraad, weefsel ; grondslag, norm, regel ; leer, handboek ; tantra ; toverformule ; middel, truc, geneesmiddel ; regering, autoriteit

Afb.: तन्त्रम्
Sualkuchi = সুৱালকুচি, Assam = অসম
(Bron afbeelding: Details)

Afb.: तन्त्री
Sitar-speler = सितारवादकः
(Bron afbeelding: Details)
स्त्री f.: vrouw, echtgenote ; femininum
Deklinatie:
| स्त्री f. | एकवचनम् | बहुवचनम् |
|---|---|---|
| प्रथमा | स्त्री | स्त्रियस् |
| द्वितीया | स्त्रियम् स्त्रीयम् | स्त्रियस् स्त्रीस् |
| तृतीया | स्त्रिया | स्त्रीभिस् |
| चतुर्थी | स्त्रियै | स्त्रीभ्यस् |
| पञ्चमी | स्त्रियास् | स्त्रीभ्यस् |
| षष्ठी | स्त्रियास् | स्त्रीणाम् |
| सप्तमी | स्त्रियाम् | स्त्रीषु |
| आमन्त्रितम् | स्त्रि | स्त्रियस् |

Afb.: स्वतन्त्राः स्त्रियः
Zelfhulpgroep (SHG), Tamil Nadu = தமிழ்நாடு
(Bron afbeelding: Details)
दिवानिशम् Adverb: overdag en 's nachts
सज्ज् 1P सज्जति : hangen, hechten
कुमार m.: kind, jongeman, prins; bijnaam van कार्तिकेय / Murugan = முருகன் = മുരുകന് / Subrahmanya = ಸುಬ್ರಹ್ಮಣ್ಯ

Afbeelding: कुमारः
Thaipusam-feest = தைப்பூசம், Batu Caves, Maleisië
(Bron afbeelding: Details)
कुमारी v.: meisje, dochter

Afbeelding: कुमारी नेपाल
(Bron afbeelding: Details)
कौमर n.: kindertijd
यौवन n.: jeugd
स्थविर 3: oud, bejaard

Afbeelding: स्थविराः जोधपुर
(Bron afbeelding: Details)
स्थाविर n.: (hoog) bejaard zijn
वाच्य 3: ook: berispenswaardig
सूक्ष्म 3: fijn, klein, subtiel

Afbeelding: सूक्ष्मम्
Karanji-meer = ಕಾರಂಜಿ ಕೆರೆ
(Bron afbeelding: Details)
प्रसङ्ग m.: gehechtheid, neiging ; gelegenheid
विशेष m.: verschil, bijzonderheid
प्रसूति v.: geboorte, nakomelingschap
चरित्र n.: gebruik, gewoonte, gewoonterecht ; gedrag
जाया v.: echtgenote

Afbeelding: मम जाया
(Afbeelding: Payer)
(Bron afbeelding: Details)
दीर्घ 3: lang
ह्रस्व 3: kort
आयुस् n.: levensduur (de volledige levensduur die men kan leven, als er niets tussenkomt) ;
daarvan:
आयुर्वेद m.: het traditionele Indiase medische systeem
zie:
Carakasaṃhitā: Geselecteerde teksten uit de Carakasaṃhitā / vertaald en toegelicht door Alois Payer (1944–). -- 0. Inleiding. -- URL: http://www.payer.de/ayurveda/caraka0001.htm
क्षिप् 6P क्षिपति : werpen, slingeren
Perf. II चिक्षेप, चिक्षेपिथ, चिक्षिपुर्
Fut. क्षेप्स्यति
Pass. क्षिप्यते
Kaus. क्षेपयति
PPP क्षिप्त
Inf. क्षेप्तुम्
Absol. -क्षिप्य
Gerundiv: क्षेप्य
त्वर् 1Ā त्वरते : haasten
Perf. Vc तत्वरे
Fut. त्वरिष्यते
Pass. त्वर्यते
Kaus. त्वरयति
PPP त्वरित । तू्र्ण
Inf. त्वरितुम्
द्रुह् 4P द्रुह्यति : schaden
Perf. II दुद्रोह, दुद्रुहुर्
Fut. द्रोहिष्यति । ध्रोक्ष्यति
Pass. द्रुह्यते
Kaus. द्रोहयति
PPP द्रुग्ध । द्रूढ
Inf. द्रोग्धुम्
कुलूहल n.: nieuwsgierigheid, interesse

Afb.: कुलूहलम्
(Bron afbeelding: Details)
कृत्स्न 3: heel, volledig
परिचय m.: kennismaking
कला f.: kunst

Afb.: उत्तमा काला शिवो नटराजा, 11e eeuw
(Bron afbeelding: Details)
वर m.n.: wens
उत Indekl.: en, ook, of
विहंग m.: vogel ("in de luchtस्droom - विह - gaand")

Afb.: विहंगः
(Bron afbeelding: Details)
वेष m.: kleding, uiterlijk, voorkomen

Afb.: वेषः वाराणस्याम्
(Bron afbeelding: Details)
छन्न n.: deken, schuilplaats
पञ्जर n.: kooi

Afb.: पञ्जरम्
Waarzegger met papegaai in kooi: de papegaai trekt briefjes waarop het lot staat Mysore
(Bron afbeelding: Details)
चाण्डाल । चण्डाल m.: laagste stand van Dalits
स्वयम् Indekl.: zelf, vanzelf
अवनि f.: aarde
मुहूर्त m.,n.: ogenblik, moment, juist oogenblik
ध्यै 1P ध्यायति : zich voorstellen, denken
Perf. IV दध्यौ
Fut. ध्यास्यति
Pass. ध्यायते
Kaus. ध्यापयति
PPP ध्यात
Inf. ध्यातुम्
Gerundiv ध्येय
आदर m.: rekening, aandacht, respect

Afb.: सादरः
Amritsar = ਅੰਮ੍ਰਿਤਸਰ
(Bron afbeelding: Details)
कुतुक n. = कुलूहल n.
परम 3: verste, hoogste ; पञ्चम्या : beter dan, hoger dan
शिशु m.: kind, jong

Afb.: गजशिशुः
Sri Lanka
(Bron afbeelding: Details)
ध्रुव 3: vast, onveranderlijk
निषेक m.: besprenkeling, bevruchting, vloeistof, ejaculaat, ceremonie bij de verwekking
पण्डित 3: verstandig, wijs, geleerd
मन् + अव 4Ā अवमन्यते : verachten, minachten
मन्त्रिन् 3: raadgevend ; m.: adviseur, raadheer, minister

Afb.: मन्त्री
Kapil Sibal (1948 -), unie-minister bij het Ministerie van Wetenschap en Technologie en het Ministerie van Aardwetenschappen (sinds 2006)
(Bron afbeelding: Details)
रहस् n.: geheim, eenzaamheid
रिष् 1P रिषति 4P रिष्यति : beschadigd worden, mislukken, beschadigen
Perf. II रिरेष, रिरिषुर्
Fut. रेषिष्यति
Pass. रिष्यते
Kaus. रेषयति
PPP रिष्ट
लुप् 6U लुम्पति : breken, vernietigen
Perf. II लुलोप, लुलुपे
Fut. लोप्स्यति
Pass. लुप्यते
Kaus. लोपयति
PPP लुप्त
Inf. लोप्तुम्
Gerundivum लुप्य । लोप्य
विधि m.: ook: lot (verwant met विधा)
वृष् 1P वर्षति : regenen (meestal met een कर्तृ -- een god of een wolk)
Perf. II ववर्ष, ववृषुर्
Fut. वर्षिष्यति
Pass. वृष्यते
Kaus. वर्षयति
PPP वृष्ट
Inf. वर्षितुम्
Absol. वर्षित्वा । वृष्ट्वा
Absol.-वृष्य

Afbeelding: महामेघो वर्षिष्यति
Aankomst van de moesson, Bangalore ಬೆಂಗಳೂರು
(Bron afbeelding: Details)
संयक् Adv.: juist, waarachtig, op de behoorlijke manier ; volkomen, volledig
आदित्य m.: zon ; mv.: Āditya : een bepaalde klasse van goden

Afbeelding: आदित्यः
(Bron afbeelding: Details)
सर्व 3: elke, alle
Vervoeging zoals यद् (uitzondering: Nom.Akk.sg.Neuter)
| Enkelvoud एकवचनम् | Meervoud बहुवचनम् | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Maskulinum पुंस् | Neutrum नपुंसकम् | Femininum स्त्री | Maskulinum पुंस् | Neutrum नपुंसकम् | Femininum स्त्री | |||
| 1. Nominatief १. प्रथमा | सर्वस् | सर्वम् | सर्वा | सर्वे | सर्वाणि | सर्वास् | ||
| 2. Accusatief २. द्वितीया | सर्वम् | सर्वम् | सर्वाम् | सर्वान् | सर्वाणि | सर्वास् | ||
| 3. Instrumentalis ३. तृतीया | सर्वेण | सर्वया | सर्वैस् | |||||
| 4. Dativ ४. चतुर्थी | सर्वस्मै | सर्वस्यै | सर्वेभ्यस् | |||||
| 5. Ablatief ५. पञ्चमी | सर्वस्मात् | सर्वस्यास् | सर्वेभ्यस् | |||||
| 6. Genetief ६. षष्ठी | सर्वस्य | सर्वस्यास् | सर्वेषाम् | |||||
| 7. Lokatief ७. सप्तमी | सर्वस्मिन् | सर्वस्याम् | सर्वेषु | |||||
वै : partikel dat het voorgaande woord benadrukt: waarlijk, inderdaad, maar
इह Bijwoord: hier, hier op aarde, hierheen; nu. Voor zelfstandige naamwoorden in de locatief (षष्ठी) synoniem met अस्मिन्, अस्याम् कल्प m: statuut, gewoonte, ritueel; wereldperiode (zie कॢप्)
कल्याण 3 (v.: कल्याणी) :mooi

Afb.: कल्याणी
(Bron: Details)
कु- : als eerste deel van samengestelde woorden: slecht

Afb.: कुनगरम् धारावी, मुंबई
(Bron: Details)
चक्ष् 2Ā चष्टे 2.pl. Ā चड्ढ्वे : zien
Perf. चचक्षे
wordt in de overige tijden niet gebruikt
चक्ष् + प्र 2Ā प्रचष्टे : vertellen, beschouwen als, noemen
देश m.: plaats, locatie, land, streek
अजिन n.: antilopenvacht, met name de vacht van de zwarte antilope (hertgeitantilope: Antilope cervicapra L.). Kwam oorspronkelijk voor op het hele Indiase subcontinent, van Punjab en Sind tot Bengalen en van Nepal tot Kanyakumari (Kaap Comorin) (Tamil: கன்னியாகுமரி). Zie:
Walker's mammals of the world / Ronald M. Nowak. -- 6e druk -- Baltimore [e.a.] : Johns Hopkins Univ. Pr., 1999. -- 2 delen -- ISBN 0-8018-5789-9. -- Deel 2. -- blz. 1193 e.v.

Afb.:
(Bron: Details)
अतिथि m.: gast
अभ्यन्तर 3: zich binnen bevindend, volgende ; m. de naaste verwant, inwoner
अरण्य zn.: wildernis, bos
ऋतु m.: periodiek proces, seizoen, tijdsperiode, menstruatie, tijd waarin de vrouw vruchtbaar is en recht heeft op geslachtsgemeenschap met haar echtgenoot.
Zie voor ऋतु Manu III, 45-48: volgens deze tekst duurt ऋतु 16 dagen (volgens de alternatieve vertaling: 20 dagen) vanaf het begin van de menstruatie; gedurende de eerste vier dagen na het begin van de menstruatie is geslachtsgemeenschap verboden (volgens de alternatieve vertaling: gedurende de eerste acht (4 + 4) dagen), evenals op de 11e (resp. 15e) en 13e (resp. 18e) dag. Op even dagen krijgt de vrouw zonen, op oneven dagen dochters. Voor het volgende wordt uitgegaan van een ऋतु van in totaal 16 dagen (niet de alternatieve vertaling), zoals ook de meeste inheemse commentaren doen, en wat dus de heersende opvatting is geweest.
Aangezien de eisprong 14 dagen vóór het begin van de menstruatie plaatsvindt, is bij deze bepaling van de vruchtbare periode vruchtbaarheid bijna „gegarandeerd” bij een interval tussen menstruaties van 19 tot 30 dagen. De verboden dagen (11e en 13e) vergroten de kans op geslachtsgemeenschap op de 12e en 14e dag, d.w.z. de kans op bevruchting bij een cyclus van 28 dagen (de levensduur van de zaadcellen in de vrouw bedraagt ca. 3 dagen). Deze bepalingen zijn als het ware een positief gebruik van de Knaus-Ogino-methode.

Afb.: ऋतुः
(Bron: Details)
एकत्र Adv.: op één plaats
जटा v.: vlecht (kapsel van de asceet)

Afbeelding: जटा ऋषिकेश
(Bron afbeelding: Details)
तुल्य 3: gelijk, vergelijkbaar (तृतीयया)
तरय 3 (v.: तरयी): drievoudig, uit drie delen bestaand
प्राणान्तिक 3 (v.: -ī): dodelijk, dood brengend, levenslang
बाह्य 3: buiten, zich bevindend aan de buitenkant, vreemd
भिक्षा v.: bedeld aalmoes, bedelmaaltijd
मार्यादा v.: grens
शिष् 7P शिनष्टि : verlaten, achterlaten
Perf.II शिशेषे, शिशिषुर्
Fut. शेक्ष्यति
Pass. शिष्यते
Kaus. शेषयति
PPPशिष्ट
Absol. -शिष्य
शिष् + वि 7P विशिनष्टि : onderscheiden
Pass. विशिष्यते : zich onderscheiden van (पञ्चम्या, तृतीयया), beter zijn dan (पञ्चम्या, तृतीयया), de beste zijn onder (षष्ठ्या, सप्तम्या)
समान 3: gelijksoortig, gelijk, vergelijkbaar ; m.: leeftijdgenoot
स्व 3: eigen, van iemand (mijn, jouw etc.) Wordt gedeclineerd zoals सर्व. In Abl.Lok.sg.m.n en in Nom.pl.m kan het ook worden gedeclineerd zoals देव:
Abl.sg.m.n स्वस्मात् । स्वात्
Lok.sg.m.n. स्वस्मिन् । स्वे
Nom.pl.m स्वे । स्वास्
गर्ह् 1Ā गर्हते 10P गर्हयति : schelden, berispen
Perf I जगर्हे
Fut. गर्हिष्यते
PPP गर्हित
पिशित n.: (voorbereid) vlees

Afbeelding: पिशितम्
Kolkata = কলকাতা
(Bron afbeelding: Details)
उपहार m.: offerande, offert, geschenk
मधु n.: honing, zoete drank, met (honingwijn)

Afbeelding: मधु
City Palace, उदयपुर
(Bron afbeelding: Details)
मांस n.: Vlees
मृगया f.: Jacht

Afb.: मृगया
Jacht met चीता (Acinonyx jubatus venaticus) Gujarat = ગુજરાત, 1812
(Bron afbeelding: Details)
शिवा f.: (vrouwelijke) jakhals (gouden jakhals = Canis aureus)

Afb.: शिवा
Canis aureus, Kalatop Khajjiar Sanctuary
(Bron afbeelding: Details)
रुत n.: Geschreeuw
कौशिक m.: Uil

Afb.: कौशिकः
Brahma-uil (Athene brama), Mahesana = મહેસાણા
(Bron afbeelding: Details)
शकुनि m.: Vogel
श्वन् m.: Hond
sterke stam श्वान्
zwakke stam voor klinker सुन्
zwakke stam voor medeklinker श्व

Afb.: श्वा लिङ्गं च
Karnataka = ಕರ್ನಾಟಕ
(Bron afbeelding: Details)
परिचित 3: vertrouwd, bekend
अटवी f.: Woud
शून्य 3: leeg, woest
आपान(क) n.: Feestmaal

Afb.: आपानकम् जोधपुर
(Bron afbeelding: Details)
क्रूर 3: rauw, wreed
दिह् 2U देग्धि, दिग्धे : besmeren, insmeren
Perf. II दिदेह
Fut. धेक्ष्यति
Pass. दिह्यते
Kaus. देहयति
PPP दिग्ध
विष n.: Gif

Afb.: मूषिकाविषाणि
Bangalore = ಬೆಂಗಳೂರು
(Bron afbeelding: Details)
भुजंग m.: Slang

Afb.: भुजंगः
Ketenviper (Daboia russelii), Bangalore = ಬೆಂಗಳೂರು
(Bron afbeelding: Details)
सायक m.: pijl
उत्साद m.: ondergang, verlies
कलत्र Neutrum: vrouw, wijfje
बन्दी f.: gevangene, buit
योषित् f.: jonge vrouw, meisje
शार्दूल m. = व्याघ्र m.
रुधिर n.: bloed
अर्चन n. अर्चना f. = पूजा f.
बलि m.: afgifte, offergave, tribut
मणि m.: juweel

Afb.: मणिः
Hope Diamond uit Guntur = గుంటూరు, thans Smithsonian Museum of Natural History, Washington DC
(Bron afbeelding: Details)
वन n.: bos, woud
मद m.: ook "muskus" van een olifant (in Musht)

Afb.: मदः
(Bron afbeelding: Details)
राग m.: ook: kleur, rode kleur
कालन n.: bos, woud
खन् 1U खनति : graven
Perf. चखान, चखने
Fut. खनिष्यति
Kaus. खानयति
PPP खात
Absol खनित्वा । खात्वा
चिन्त् 10 चिन्तयति : denken, overwegen
शबर .: eigennaam van een niet-ariaanse stam
अखिल 3: ononderbroken, volledig
निखिल 3: volledig, heel
van:
खिल m.: braakliggend land, woestijn

Afb.: खिलः
Tambhol, Akole, Ahmednagar = अहमदनगर
(Bron afbeelding: Details)
अन्तर् Adv.: binnen, in het binnenste ; postpositie met Gen. Lok. (षष्टी, सप्तमी): binnenin, middenin ; postpositie met Gen. Abl. (षष्ठी, पञ्चमी): uit ... naar buiten
अन्योन्य 3: wederzijds, elkaar
इ + वि + परि 2P विपर्येति : mislukken
PPP विपरीत 3: verkeerd, fout
त्रि 3: drie
| Maskulinum पुंस् | Neutrum नपुंसकम् | Femininum स्त्री | |
|---|---|---|---|
| 1. Nominatief १. प्रथमा | त्रयस् | त्रीणि | तिस्रस् |
| 2. Accusatief २. द्वितीया | त्रीन् | त्रीणि | तिस्रस् |
| 3. Instrumentalis ३. तृतीया | त्रिभिस् | ||
| 4. Dativ ४. चतुर्थी | त्रिभ्यस् | ||
| 5. Ablatief ५. पञ्चमी | त्रिभ्यस् | ||
| 6. Genetief ६. षष्ठी | त्रयाणाम् | ||
| 7. Lokatief ७. सप्तमी | त्रिषु | ||
निस् Postpositie en prefix bij nomina en werkwoorden: uit, weg, naar buiten, tevoorschijn, uit, weg, zonder - van
पीड् 10P पीडयति : drukken, kwelen; benauwen, belegeren, plagen

Afbeelding: पीडिताः
Hyderabad = హైదరాబాద్
(Bron afbeelding: Details)
पर 3: (Vervoeging zoals सर्व) verafstaand, vreemd, hoger dan (पञ्चम्या), uiterste, hoogst; ander, vreemd, vijandig; m.: vreemdeling
daarvan:
परम् Adv.: in hoge mate, daarop, later, maar, echter
प्रति Postpositie (द्वितीयया): naar - toe, naar, met betrekking tot, tegenover
प्रधान 3: voornaamste, beste; n.: het belangrijkste

Afbeelding: प्रधानः मुंबई
(Bron afbeelding: Details)
लौल्य n.: hebzucht, lust
वर्ग m.: afdeling, sectie, schare
त्रिवर्ग m.: drietal (bijv. धर्मः, अर्थः, कामः; of: सत्त्वम्, रजस्, तमस्; of: ब्राह्मणाः, क्षत्रियाः, वैश्याः)
वश् 2P वस्टि, उशन्ति, Imperat. 2.sg.: उड्ढि : willen, gebieden, verlangen naar
Perf. Va उवाश, ऊशुर्
Fut. वशिष्यति
Pass. उष्यते
Kaus. वाशयति
PPP उशित
Inf. वशितुम्
Absol. -वश्य
वा 2P वाति : waaien, blazen
Perf. IV ववौ
Fut. वास्यति
Pass. वायते
Kaus. वापयति
PPP वान । वात
Inf. वातुम्
daarvan:
वात m.: wind
वृज् 7P वृणक्ति 1P वर्जति : keren, draaien ; afweren, uitsluiten
Perf. II ववर्ज, ववृजुर्
Fut. वर्जिष्यति
Pass. वृज्यते
Kaus. वर्जयति : wegnemen
Kaus. PPP वर्जित : van iets beroofd, vrij van
PPP वृक्त
Inf. वर्जितुम्
व्यवहार m.: drijven, wandel, omgang, verkeer, zaak, handel, (rechts)zaak
शील n.: gebruik, gewoonte, natuur, karakter, goede gewoonte = moraal
सूर्य m.: zon
सेव् 1Ā सेवते : iemanden (द्वितीया) dienen, opwachten, eren, liefhebben
Perf. I सिषेवे
Fut. सेविष्यते
Pass. सेव्यते
Kaus. सेवयति
PPP सेवित
Inf. सेवितुम्
Absol. -सेव्य
daarvan:
सेवा f.: dienst, opwachting
धीर 3: vast, standvastig, continu, volhardend
शम् शाम्यति
शशाम, शेमुर् शमिष्यति शम्यते शमयति शान्त शमित्वा । शान्त्वा
कोविद 3: ervaren in (षष्ठ्या सप्तम्या वा)
याम m.: nachtwacht (telkens drie uur)
परंपरा f.: ononderbroken reeks
अमुत्र Adv.: daar, daartoe
च्यु 1Ā च्यवते : zich bewegen, zich voortbewegen, neervallen
Perf. IIIa चुच्युवे
Fut. च्योष्यते
Pass. च्यूयते
Kaus. च्यावयति
PPP च्युत
भू + अनु 1P अनुभवति : erkennen, voelen, waarnemen, ervaren
चक्र n.: rad

Afbeelding: चक्रम्
Konark = कोनार्क
(Bron afbeelding: Details)
कदली f.: bananenplant (Musa sp.)

Afbeelding: कदली
Hampi = ಹಂಪೆ
(Bron afbeelding: Details)
सार m.n.: kern, merg, essentie, substantie
दिव्य 3: hemels, goddelijk
वर 3: beste
आदर्श m.: spiegel
मल m.n.: vuil, vlek

Afbeelding: मलम् मुंबई
(Bron afbeelding: Details)
त्रिपिष्टप n.: Indra's hemel
मार m.: het gepersonifieerde kwaad, de gepersonifieerde verleiding / manipulatie, duivel

Afbeelding:
Amaravati = అమరావతి, 2e eeuw n.Chr.
(Bron afbeelding: Details)
विजिज्ञासु 3: iemand die volledig wil begrijpen
त्रै 1Ā त्रायते : beschermen, redden
Perf. IV तत्रे
Fut. त्रास्यते
Pass. त्रायते
Kaus. त्रापयति
PPP त्राण । त्रात
Inf. त्रातुम्