Skip to content

Woordenlijst (Totaaloverzicht)

Alle nieuwe woorden uit de cursus in de volgorde van hun introductie, met thematische toelichtingen.

Les 2

deva m. -- देव : hemelbewoner, god; vorst, koning.

īśvara m. -- ईश्वर : heer, heerser, god (monotheïstisch).

brāhmaṇa m. -- ब्राह्मण : brahmaan (geestelijke stand).

kṣatriya m. -- क्षत्रिय : Kṣatriya (vorsten- en krijgersstand).

vaiśya m. -- वैश्य : Vaiśya (voedings- en handelsstand).

śūdra m. -- शूद्र : Śūdra (dienstverlenende stand).

Volgens de klassieke theorie (bijv. Manusmṛti I, 88-91) zijn de taken verdeeld:

van de brahmanen
vedastudie
onderricht
offer voor zichzelf
offer voor anderen
geven
ontvangen van gaven
van de kṣatriya's
het volk beschermen
gaven (aan brahmanen) geven
voor zichzelf offeren
vedastudie
van de vaiśya's
veeteelt
landbouw
handel
geldverlening
voor zichzelf offeren
gaven (aan brahmanen) geven
voor zichzelf offeren
vedastudie
van de śūdra's
de drie hogere klassen dienen

dvija m. -- द्विज : "tweemaalgeborene" (geïnitieerden van de drie hoogste standen: Brāhmaṇa, Kṣatriya, Vaiśya).

varṇa m. -- वर्ण : kleur, geboortestand (streven).

De vier standen (varṇa m.) worden vaak met kasten verward. De vier standen zijn echter -- in tegenstelling tot de kasten -- niets specifiek Indisch, ook in Europa hadden wij (deels tot aan de Eerste Wereldoorlog) een standenmaatschappij, zoals de volgende afbeelding uit de 15e eeuw aantoont:

Afb.: Weergave van de standenindeling in de Europese middeleeuwen (houtsnede uit het einde van de 15e eeuw).
(Bron: Details)

Bijschriften:

  • Priesterklasse (~Brāhmaṇa): Tu supplex ora = Bid smekend!
  • Adel (~Kṣatriya): Tu protege = Bescherm!
  • Boerenstand (~Vaiśya/Śūdra): Tuque labora = En werk!

De drie standen dragen de bijbehorende standskleding. Boven de standen – die daarmee als door God gewild worden aangeduid – troont Christus.

Max Weber (1864–1920) definieert ‘stand’ als volgt:

»Stand« verwijst naar een groep mensen die binnen een vereniging daadwerkelijk
a) aanspraak maken op een bijzondere status binnen de stand, – en mogelijk dus ook
b) aanspraak maken op bijzondere standmonopolies.

Standen kunnen ontstaan
a) primair, door een eigen standgebonden levenswijze, waaronder in het bijzonder door de aard van het beroep (levenswijze- resp. beroepsstanden),
b) secundair, erfelijks-charismatisch, door succesvolle aanspraken op prestige op grond van standgebonden afstamming (geboortestanden),
c) door standgebonden toe-eigening van politieke of hiocratische heersersbevoegdheden als monopolies (politieke of hiocratische standen).

De ontwikkeling van de stand op basis van afkomst is doorgaans een vorm van (erfelijke) toe-eigening van privileges aan een vereniging of aan gekwalificeerde individuen. Elke vaste toe-eigening van kansen, in het bijzonder [van] heersersbevoegdheden of [verdien]kansen, neigt ertoe om tot standvorming te leiden. Elke standvorming leidt doorgaans tot een monopolistische toe-eigening van heersersbevoegdheden en verdienkansen.
Terwijl de werkende klassen groeien op basis van een marktgerichte economie, ontstaan en bestaan standen bij voorkeur op basis van een monopolistisch-liturgische, feodale of op standen gebaseerde, patrimoniale voorziening in behoeften door verenigingen.

Een samenleving wordt »standgebonden« genoemd wanneer de sociale indeling bij voorkeur volgens standen plaatsvindt, en »klassegebonden« wanneer deze bij voorkeur volgens klassen plaatsvindt. Van de »klassen« staat de »sociale« klasse het dichtst bij de »stand«, de »arbeidsklasse« het verst ervan verwijderd. Standen worden vaak, wat hun zwaartepunt betreft, gevormd door bezitsklassen.

Elke standgenootschappelijke samenleving is conventioneel, geordend door regels voor de levenswijze, creëert daarom economisch irrationele consumptieomstandigheden en belemmert op deze manier de vrije marktvorming door monopolistische toe-eigeningen en door het uitschakelen van de vrije beschikking over het eigen verdienvermogen.

[Weber, Max (1864–1920): Economie en samenleving: Schets van de interpretatieve sociologie. – 5e, herziene druk. – Tübingen: Mohr, 1976. – blz. 625 e.v.]

Varṇa’s zijn derhalve geboorteklassen.

kavi m. -- कवि : dichter.

agni m. -- अग्नि : vuur, de god Agni.

Afb.: de god Agni, miniatuur, 18e eeuw.
(Bron: Details)

sādhu 3 -- साधु : juist, goed.

sādhu m. -- साधु : „heilige” man, sādhu.

Afb.: Sādhu (साधु), Pashupatinath-tempel, Kathmandu.
(Bron: Details)

guru 3 -- गुरु : zwaar, belangrijk, vereringenswaardig

guru m. -- गुरु : vereringenswaardige persoon: vader, moeder, oudere verwant, met name leraar, meester

Les 3

Leer de volgende woorden:

śruti v. = श्रुति : het horen, de eeuwige overlevering (benaming voor de Veda's en Brāhmaṇa's).

smṛti v. = स्मृति : herinnering, meditatieve herinnering = aandachtigheid, overlevering (tegenovergesteld aan śruti). Omvat:
de zes vedāṅga n. (वेदाङ्ग)

  1. śikṣā v. (शिक्षा): juiste uitspraak
  2. chandas o. (छन्दस्): metrum
  3. vyākaraṇa o. (व्याकरण): grammatica
  4. nirukta o. (निरुक्त) : woordverklaring, etymologie
  5. jyotiṣa o. (ज्योतिष) : astronomie, kalenderleer
  6. kalpa m. (कल्प) : ceremonieel
    śrautasūtra o. (श्रौतसूत्र) : leerwerken voor de uitvoering van de grote offers
    gṛhyasūtra o. (गृह्यसूत्र) : leerwerken voor de ceremonies en offers van het dagelijks leven
    dharmasūtra o. (धर्मसूत्र) en dharmaśāstra o. (धर्मशास्त्र) : leerwerken over recht en zeden (juist gedrag)
    de grote epen mahābhārata o. (महाभारत) en rāmāyaṇa o. (रामायण)
    de purāṇa's (पुराण)
    nītiśāstra o. (नीतिशास्त्र) : leerwerken van levenswijsheid

smṛti is ook een benaming voor dharmaleerwerken.

dhenu v. = धेनु : (melk)koe.

paśu m. = पशु : gedomesticeerd vee, veestapel (collectiefum).

devatā v. = देवता : godheid (abstract en concreet).

brāhmaṇī f. = ब्राह्मणी : Brahmanin.

kṣatriyā f. = क्षत्रिया : vrouwelijke Kṣatriya.

kṣatriyī f. = क्षत्रियी : vrouw van een Kṣatriya.

vaiśyā f. = वैश्या : vrouwelijke Vaiśya.

śūdrā f. = शूद्रा : vrouwelijke Śūdra.

śūdrī f. / śūdrāṇī f. = शूद्री शूद्राणी : vrouw van een Śūdra.

devī f. = देवी : godin, met name Durgā f. = दुर्गा, de echtgenote van Śiva = शिव.

Afbeelding: Durgā = दुर्गा, Orissa
(Bron afbeelding: Details)

sādhvī f. = साध्वी : vrouwelijke vorm van sādhu.

gurvī f. = गुर्वी : vrouwelijke vorm van guru.

asmitā f. = अस्मिता : "Ik-zijn", d.w.z. de (verkeerde) overtuiging: Ik ben het die ziet, enz.

ānvīkṣikī f. = आन्वीक्षिकी : filosofie (de wetenschap die door logisch correcte redeneringen tot haar conclusies komt).

upekṣā f. = उपेक्षा : niet-opmerking, gelijkmoedigheid.

karuṇā f. = करुणा : mededogen, compassie.

muditā f. = मुदिता : vreugde, met name medevreugde (tegenovergesteld aan jaloezie).

Les 5

Leer de volgende woorden:

abhiniveṣa m. = अभिनिवेष : neiging tot, volharding, aandringen op; specifiek: gehechtheid aan het lichaam alsof het iets eigen is.

kāma m. = काम : wens, begeerte, gewenst geschenk, zinnelijk genot, liefde; liefdesgod Kāma.

Afbeelding: God Kāma = kāmadeva = कामदेव, 18e eeuw
(Bron afbeelding: Wikipedia, publiek domein)

krodha m. = क्रोध : woede.

kleśa m. = क्लेश : kwelling, plaag.
trayī v. = त्रयी : het getal drie; in het bijzonder de drie Veda’s (Ṛgveda, Sāmaveda, Yajurveda).

daṇḍanīti v. = दण्डनीति : politiek (een Tatpuruṣa van daṇḍa m. = "stok, macht, heerschappij, straf" en nīti v. = "juiste leiding").

dvijāti 3 / dvija 3 = द्विजाति / द्विज : tweemaal geboren.

dveṣa m. = द्वेष : haat.

maitrī v. = मैत्री : vriendschap, vriendelijkheid, welwillendheid.

rāga m. = राग : (rode) kleur, hartstocht, liefde.

lobha m. = लोभ : hebzucht, begeerte.

varṇa m. = वर्ण : kleur, soort, stand.

vārttā v. = वार्त्ता : verworven bezit, economie.

vidyā v. = विद्या : kennis, wetenschap.

avidyā v. = अविद्या : onwetendheid, onkennis.

ca = : en.
(Wordt achter het woord geplaatst waaraan het wordt gekoppeld. Als meerdere woorden worden gekoppeld, staat het idealiter achter het eerste woord van het laatste koppelingslid: brāhmaṇāḥ kṣatriyā vaiśyāḥ śūdrāś ca = ब्राह्मणाः क्षत्रिया वैश्याः शूद्राश्च).

ca ... ca = ... : zowel ... als.

Les 6

In het Sanskriet worden de werkwoorden in de stamvorm weergegeven. Het getal achter de stam geeft de vervoegingsklasse aan.

  • P: de stam komt alleen voor in de Parasmaipada
  • Ā: de stam komt alleen voor in de Ātmanepada
  • U: Ubhayapada („beide woordvormen”): de stam wordt zowel in de Parasmaipada als in de Ātmanepada gebruikt.
  • (): Tussen haakjes staat de 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd indicatief (laṭ).

Leer de volgende woorden:

  • yaj 1 U (yajati) यज् यजति : vereren met een offer, offeren
  • bhū 1e persoon (bhavati) भू भवति : worden, ontstaan, zijn
  • smṛ 1e persoon (smarati) स्मृ स्मरति : zich voor de geest halen, zich herinneren
  • nṛt 4 P (nṛtyati) नृत् नृत्यति : dansen
  • 1 U (nayati) नी नयति : leiden
  • man 4 Ā (manyate) मन् मन्यते : denken
  • muh 4 P (muhyati) मुह् मुह्यति : verward zijn
  • yudh 4 Ā (yudhyate) युध् युध्यते : vechten
  • viś 6 P (viśati) विश् विशति : binnengaan
  • sṛj 6 P (sṛjati) सृज् सृजति : loslaten, uit zichzelf laten stromen, laten emaneren

Les 7

Leer de volgende woorden:

  • 5 Ā (aśnute) अश् अश्नुते : bereiken, bij komen, verkrijgen
  • āp 5 P (āpnoti) आप् आप्नोति : bereiken, verkrijgen
  • kup 4 P (kupyati) कुप् कुप्यति : toornen
  • krudh 4 P (krudhyati) क्रुध् क्रुध्यति : toornig worden
  • khād 1 P (khādati) खाद् खादति : kauwen, eten
  • śru 5 P (śṛṇoti !) श्रु शृणोति : horen (iets: accusatief, iemand: genitief of accusatief; over: accusatief; van iemand: genitief, ablatief, instrumentaal)
  • su 5 U (sunoti) सु सुनोति : uitpersen
  • soma m. सोम : persdrank, soma; maan (uit welke plant soma werd geperst, is tot op de dag van vandaag omstreden).

Afb.: Was dit de vedische somaplant?: Vliegenzwam: Amanita muscaria (L.) Lam.
(Bron: Details)

  • phala zn. फल : vrucht (ook in figuurlijke zin: (karmische) vrucht van een daad)
  • nṛtya n. नृत्य : dans
  • svarga m. स्वर्ग : hemel
  • naraka m. नरक : hel (volgens een hindoeïstische opvatting heeft het universum de vorm van een ei (Brahmāṇḍa m.n. = ब्रह्माण्ड = „ei van Brahmā“): boven de aarde bevinden zich zes hemelen met toenemende gelukzaligheid, onder de aarde bevinden zich zeven zogenaamde pātāla n. = पाताल, verblijfsplaatsen van de nāga m. = नाग (slangen) en andere mythische wezens; daaronder bevinden zich 7 hellewerelden met toenemende kwellingen)
  • aṅga n. अङ्ग : lichaamsdeel, onderdeel; ook = vedāṅga = वेदाङ्ग
  • gam 1 P (gacchati) गम् गच्छति : gaan (behoort volgens de inheemse werkwoordclassificatie tot de tegenwoordige tijdklasse 1, maar is in werkelijkheid een vorming met een stamvormingsachtervoegsel -ccha- voor de tegenwoordige tijd: gam » laaggraad (gm ») ga-ccha-ti)

Les 8

Leer de volgende woorden:

ji 1 P (jayati) जि जयति : overwinnen, verslaan, veroveren
labh 1 Ā (labhate) लभ् लभते : vatten, verkrijgen, grijpen
tu तु : maar (staat na het eerste woord van de tegenstellende zin of zinsdeel)
paś 4 P (paśyati) पश् पश्यति : zien, gewaarworden (wordt als presensstam gebruikt in plaats van de wortel dṛś 0 "zien, gewaarworden")
kṛ 8 U (karoti) कृ करोति : maken, doen
tan 8 U (tanoti) तन् तनोति : uitrekken
rakṣ 1 P (rakṣati) रक्ष् रक्षति : bewaken
sārathi m. सारथि : wagenmenner, voerman
kapi m. कपि : aap
kumārī f. कुमारी : het meisje, de maagd
nāga m. नाग : de Naakte, de olifant, de slang (olifant en slang hebben geen vacht, evenals de "naakte aap" mens)
gaja m. गज : olifant
śuc 1 P (śocati) शुच् शोचति : treuren
śuka m. शुक : papegaai
pat 1 P (patati) पत् पतति : vallen, vliegen
patrikā f. पत्रिका : brief
likh 1 P (likhati) लिख् लिखति : krassen, schrijven (oorspronkelijk met een graveerstift op een palmblad, later echter algemeen)

Afb.: likh (लिख्) : Indische schrijfgriffel van staal om in te kerven in palmbladen
(Bron afbeelding: Details)

Afb.: likh (लिख्) : Schrijfstokje van de Batak (Sumatra), zoals het vermoedelijk ook in Indië gebruikelijk was
(Bron afbeelding: Details)

sukha n. सुख : geluk, welzijn
duḥkha n. दुःख : ongeluk, lijden

Les 9

Leer de volgende woorden:

adhyayana n. (अध्ययन) : leren, met name vedastudie

Afb.: adhyayana = अध्ययन, Sri Skandaguru Vidyalayam, Tiruparankundram bij Madurai.
(Bron afbeelding: Details)

kāru m. / kāruka m. (कारु / कारुक) : ambachtsman

Afb.: kāru = कारु, Gujarat.
(Bron afbeelding: Details)

kuśīlava m. (कुशीलव) : (reizende) vertoonder, acteur, zanger
kusīda n. (कुसीद) : woeker
kṛṣ 1 P (karṣati) कृष् कर्षति : trekken
kṛṣ 6 U (kṛṣati) कृष् कृषति : ploegen
daarvan: kṛṣi f. / kṛṣikā f. (कृषि / कृषिका) : akkerbouw
dāna n. (दान) : geven, geschenk, vrijgevigheid
pratigraha m. (प्रतिग्रह) : ontvangen, geschenk
pravacana n. (प्रवचन) : rede, (mondelinge) onderricht
pāśupālya n. (पाशुपाल्य) : veehouderij, veeteelt
bij yaj 1 U:
ijyā f. (इज्या) : offer (uit *yj » ij + suffix )
yajana n. (यजन) : offer in opdracht van iemand anders
rūpa n. (रूप) : uiterlijk, vorm, mooie vorm, natuur, wezen
vāṇijya n. / vāṇijyā f. / vaṇijyā f. (वाणिज्य / वाणिज्या / वणिज्या) : handel
śuśrūṣā f. (शुश्रूषा) : gehoorzaamheid, gehoorzame dienst

Les 10

Leer de volgende woorden:

gṛha n. गृह : huis
grāma m. ग्राम : dorp
nagara n. नगर : stad

Voor het stads- en dorpsleven zie Basham, Wonder, hoofdstuk 6.

  • yajña m. यज्ञ : Opfer

Het offer is in India in de eerste plaats een verering van de godheid als gast. Hierdoor verplicht men zich jegens de godheid.

Wortbildung: yaj 1 U + kṛt-Suffix -na-.
:::

  • puṇya n. पुण्य : gutes Werk, Verdienst

Hiermee verdient men welzijn en goede wedergeboorten.
:::

  • pāpa n. पाप : Übeltat, Böses (Gegensatz zu puṇya)
  • satya n. सत्य : Wahrheit

In India schreef men het ware woord toverskracht toe, ja de hele wereldorde wordt door het ware woord onderhouden en geschapen. Voor dit belangrijke concept zie het fundamentele werk:

Lüders, Heinrich (1869–1943): Varuna / Heinrich Lüders. Uit de nalatenschap uitgegeven door Ludwig Alsdorf. - Göttingen : Vandenhoeck & Ruprecht. -- Deel 2: Varuna en de Ṛta. -- 1959. -- XXIII blz., blz. 340 - 764

Afb.: वरुणः
(Afbeeldingsbron: Details)

  • anṛta o. अनृत : onwaarheid, leugen (tegenovergestelde van satya)

    Woordvorming an- ("on-") + ṛta o.

    ṛta is een centraal begrip in de Veda's, waarvan de vertaling omstreden is: "waarheid" (Lüders, Thieme), "orde" (Renou).

  • ṛṣi m. ऋषि : Vedische wijze, auteur van Vedische liederen

    De namen van deze ṛṣi's worden genoemd in de Brāhmaṇa's en in afzonderlijke indexen bij de Veda's. Alle brahmanen leiden hun afkomst af van dergelijke ṛṣi's, naar wie hun gotra (गोत्र) zijn genoemd. Voor het concept gotra zie Basham, Wonder, Hfdst. 5.

Afb.: विश्वामित्रः
(Afbeeldingsbron: Details)

  • vad 1 P (vadati) वद् वदति : zeggen, spreken
  • prach 6 P (pṛcchati !) प्रच्छ् पृच्छति : vragen (iemand: acc.; naar iets: acc.)
  • saha सह : samen met, gezamenlijk met (ook bij "vechten met" enz.) (postpositie met instrumentalis)

Lüders, Heinrich (1869–1943): Varuna / Heinrich Lüders. Uit de nalatenschap uitgegeven door Ludwig Alsdorf. - Göttingen : Vandenhoeck & Ruprecht. -- Deel 2: Varuna en de Ṛta. -- 1959. -- XXIII blz., blz. 340 - 764

Afb.: वरुणः
(Afbeeldingsbron: Details)

  • anṛta o. अनृत : onwaarheid, leugen (tegenovergestelde van satya)

    Woordvorming an- ("on-") + ṛta o.

    ṛta is een centraal begrip in de Veda's, waarvan de vertaling omstreden is: "waarheid" (Lüders, Thieme), "orde" (Renou).

  • ṛṣi m. ऋषि : Vedische wijze, auteur van Vedische liederen

    De namen van deze ṛṣi's worden genoemd in de Brāhmaṇa's en in afzonderlijke indexen bij de Veda's. Alle brahmanen leiden hun afkomst af van dergelijke ṛṣi's, naar wie hun gotra (गोत्र) zijn genoemd. Voor het concept gotra zie Basham, Wonder, Hfdst. 5.

Afb.: विश्वामित्रः
(Afbeeldingsbron: Details)

  • vad 1 P (vadati) वद् वदति : zeggen, spreken
  • prach 6 P (pṛcchati !) प्रच्छ् पृच्छति : vragen (iemand: acc.; naar iets: acc.)
  • saha सह : samen met, gezamenlijk met (ook bij "vechten met" enz.) (postpositie met instrumentalis)

Lüders, Heinrich (1869–1943): Varuna / Heinrich Lüders. Uit de nalatenschap uitgegeven door Ludwig Alsdorf. - Göttingen : Vandenhoeck & Ruprecht. -- Deel 2: Varuna en de Ṛta. -- 1959. -- XXIII blz., blz. 340 - 764

Afb.: वरुणः
(Afbeeldingsbron: Details)

  • anṛta o. अनृत : onwaarheid, leugen (tegenovergestelde van satya)

Woordvorming an- ("on-") + ṛta o.

ṛta is een centraal begrip in de Veda's, waarvan de vertaling omstreden is: "waarheid" (Lüders, Thieme), "orde" (Renou).

  • ṛṣi m. ऋषि : Vedische wijze, auteur van Vedische liederen

De namen van deze ṛṣi's worden genoemd in de Brāhmaṇa's en in afzonderlijke indexen bij de Veda's. Alle brahmanen leiden hun afkomst af van dergelijke ṛṣi's, naar wie hun gotra (गोत्र) zijn genoemd. Voor het concept gotra zie Basham, Wonder, Hfdst. 5.

Afb.: विश्वामित्रः
(Afbeeldingsbron: Details)

  • vad 1 P (vadati) वद् वदति : zeggen, spreken
  • prach 6 P (pṛcchati !) प्रच्छ् पृच्छति : vragen (iemand: acc.; naar iets: acc.)
  • saha सह : samen met, gezamenlijk met (ook bij "vechten met" enz.) (postpositie met instrumentalis)

Lektion 11

Leer de volgende woorden:

  • iti इति : zo
  • Staat na de formulering van een gedachte, wens, uitspraak, citaat gelijk als aanhalingstekens (").
  • z.B. sādhavaḥ svargaṃ gacchantīti brāhmaṇā vadanti "Brahmanen zeggen: 'Heiligen komen in de hemel'" = "Brahmanen zeggen dat heiligen in de hemel komen".
  • In het Sanskriet bestaat er geen indirecte rede; vormingen met iti moeten in het Duits vaak in indirecte rede worden weergegeven.
  • ... (citaat) ... iti śrutiḥ = "zo de Veda".
  • Vaak is na iti een werkwoord van denken toe te voegen: "denkend: '...' doet hij dat". In het Duits idiomatisch weergeven (bijv. "Omdat hij honger heeft, gaat hij...").
  • evam एवम् : zo (bijwoordelijk, bijv. evaṃ jayati "zo overwint hij").

  • na : niet

    • Ontkent afzonderlijke woorden (staat er direct voor: na sādhuḥ "een niet-goede") of hele zinnen (staat aan het begin of direct voor het werkwoord).
  • putra m. पुत्र : zoon (in India was het noodzakelijk om een zoon te verwekken die de offers voor de voorouders kon brengen.)

  • dharma m. धर्म : („dat wat vaststaat”, d.w.z.) recht, wet, zeden, karakter.

    • Komt het meest overeen met de natuurwet/zedenwet. Iedereen heeft, afhankelijk van zijn varṇa en āśrama (levensfase), zijn eigen plichten (svadharma).
  • adharma m. अधर्म : onrecht (tegenpool van dharma).

  • iṣ 6 P (icchati) इष् इच्छति : wensen (iṣ-ccha-ti).

Enkele naamwoordvormen:

  • vad 1 P वद् : zeggen
    • vāda m. वाद : uitspraak, verklaring, woord
    • vadana n. वदन : het spreken; spraakorgaan: mond, gezicht

Afb.: vadanāni = वदनानि
(Bron: Details)

  • prach 6 P प्रच्छ् : vragen

    • praśna m. प्रश्न : vraag (achtervoegsel -na zoals in yaj-ña)
  • iṣ 6 P इष् : wensen

    • iṣṭi v. इष्टि : wens (iṣ + -ti)

Les 12

  • budh 4 Ā (budhyate) / 1 U (bodhati), PPP buddha बुध् बुध्यते बोधति बुद्ध : ontwaken, tot inzicht komen, beseffen; PPP buddha 3 ontwaakt, vandaar Buddha = "de Ontwaakte" (niet: de Verlichte)

Afb.: गौतमो बुद्धः
(Afbeeldingsbron: Details)

dah 1 P (dahati), PPP dagdha दह् दहति दग्ध : (iets) verbranden
sah 1 Ā (sahate), PPP soḍha सह् sahate soḍha : overwinnen, verdragen, geduldig verdragen = vergeven
mṛga m. मृग : wild dier
mārga m. मार्ग : weg (paden waren vaak de wildpaadjes)

Afb.: मार्गः
(Bron afbeelding: Details)

api अपि : ook (achtergesteld)

Tot de zesde presentieklass worden door de inheemse grammatici enkele wortels gerekend, die de presentiestam vormen met een nasale infix en themavokaal a, bijv.:

muc 6 U (muñcati), PPP mukta मुच् मुञ्चति मुक्त : losmaken, loslaten, bevrijden; bevrijden van de cyclus van wedergeboorten (saṃsāra m.) = verlossen
sic 6 U (siñcati), PPP sikta सिच् सिञ्चति सिक्त : besprenkelen

Tot woordvorming:

muc: mokṣa m. मोक्ष : losmaking, bevrijding, verlossing
sic + abhi-: abhiṣeka m. अभिषेक : besprenkeling van een koning bij de koningswijding, koningswijding
budh: bodhi m./f. बोधि : het ontwaken (waardoor een Boeddha of Jina tot de verlossende inzicht komt)

Afb.: महावीरो जिनः
(Bron afbeelding: Details)

buddhi f. (budh + -ti) बुद्धि : inzicht, orgaan van het inzicht.

12.5.1. Passief en PPP van de tot nu toe geleerde wortels

Wortel
धातु
Passief Present 3. sg. Indicativ
यक् लट्
PPP
क्त
5 Ā
अश्
aśyate
अश्यते
aṣṭa
अष्ट
āp 5 P
आप्
āpyate
आप्यते
āpta
आप्त
as 2 P
अस्
bhūta
भूत
bhaj 1 U
भज्
bhajyate
भज्यते
bhakta
भक्त
bhū 1 P
भू
bhūyate
भूयते
bhūta
भूत
budh 4 Ā / 1 U
बुध्
budhyate
बुध्यते
buddha
बुद्ध
dah 1 P
दह्
dahyate
दह्यते
dagdha
दग्ध
div 4 P
दिव्
dīvyate
दीव्यते
dyūta
द्यूत
dṛś
दृश्
dṛśyate
दृश्यते
dṛṣṭa
दृष्ट
gam 1 P
गम्
gamyate
गम्यते
gata
गत
grah 9 U
ग्रह्
gṛhyate
गृह्यते
gṛhīta
गृहीत
hṛ 1 U
हृ
hriyate
ह्रियते
hṛta
हृत
i 2 P
īyate
ईयते
ita
इत
iṣ 6 P
इष्
iṣyate
इष्यते
iṣṭa
इष्ट
jan 4 Ā
जन्
janyate
जन्यते
jāta
जात
ji 1 P
जि
jīyate
जीयते
jita
जित
kath 10 U
कथ्
kathyate
कथ्यते
kathita
कथित
khād 1 P
खाद्
khādyate
खाद्यते
khādita
खादित
kṛ 8 U
कृ
kriyate
क्रियते
kṛta
कृत
krudh 4 P
क्रुध्
krudhyate
क्रुध्यते
kruddha
क्रुद्ध
kup 4 P
कुप्
kupyate
कुप्यते
kupita
कुपित
labh 1 Ā
लभ्
labhyate
लभ्यते
labdha
लब्ध
man 4 Ā
मन्
manyate
मन्यते
mata
मत
mṛ 6 Ā
मृ
mriyate
म्रियते
mṛta
मृत
muc 6 U
मुच्
mucyate
मुच्यते
mukta
मुक्त
1 U
नी
nīyate
नीयते
nīta
नीत
paś
पश्
(dṛśyate)
दृश्यते
(dṛṣṭa)
दृष्ट
pat 1 P
पत्
patyate
पत्यते
patita
पतित
prach 6 P
प्रच्छ्
pṛcchyate
पृच्छ्यते
pṛṣṭa
पृष्ट
pūj 10 U
पूज्
pūjyate
पूज्यते
pūjita
पूजित
rakṣ 1 P
रक्ष्
rakṣyate
रक्ष्यते
rakṣita
रक्षित
ram 1 Ā
रम्
ramyate
रम्यते
rata
रत
sah 1 Ā
सह्
sahyate
सह्यते
soḍha
सोढ
sic 6 U
सिच्
sicyate
सिच्यते
sikta
सिक्त
śru 5 P
श्रु
śrūyate
श्रूयते
śruta
श्रुत
su 5 U
सु
sūyate
सूयते
suta
सुत
svap 2 P
स्वप्
supyate
सुप्यते
supta
सुप्त
tyaj 1 P
त्यज्
tyajyate
त्यज्यते
tyakta
त्यक्त
uch
उछ्
uṣita
उषित
vad 1 P
वद्
udyate
उद्यते
udita
उदित
vas 1 P
वस्
uṣyate
उष्यते
uṣita
उषित
vadh
वध्
vadyate
वद्यते
hata
हत
yaj 1 U
यज्
ijyate
इज्यते
iṣṭa
इष्ट
yudh 4 Ā
युध्
yudhyate
युध्यते
yuddha
युद्ध

Les 13

Leer de volgende woorden:

eva एव : benadrukt het voorafgaande woord
asura m. असुर : demon

ASURA. 'Spiritueel, goddelijk.'

In de oudste delen van de Ṛgveda wordt deze term gebruikt voor de hoogste geest en is hetzelfde als de Ahura van de Zoroastrische gelovigen. In de betekenis van 'god' werd het toegepast op verschillende belangrijke godheden, zoals Indra, Agni en Varuṇa. Later verkreeg het een volledig tegenovergestelde betekenis en ging het, zoals nu, verwijzen naar een demon of vijand van de goden.

Dit woord komt met deze betekenis voor in de latere delen van de Ṛgveda, vooral in het laatste boek, en ook in de Atharvaveda. De Brāhmaṇas geven het dezelfde betekenis en beschrijven veel gevechten tussen de Asuras en de goden. Volgens het Taittirīya Brāhmaṇa werd de adem (asu) van Prajapati levend, en "met die adem schiep ik de Asuras." In een ander deel van hetzelfde werk wordt gezegd dat Prajāpati "zwanger werd. Hij schiep Asuras uit zijn buik." Het Śatapatha Brāhmaṇa sluit aan bij de eerste uitspraak en stelt dat "hij Asuras schiep uit zijn lagere adem." Het Taittirīya Āraṇyaka stelt dat Prajāpati goden, mensen, vaders, Gandharvas en Apsarases schiep uit water, en dat de Asuras, Rakṣasas en piśācas voortkwamen uit druppels die morsen werden. De uitspraak van Manu is dat ze door de Prajāpatis werden geschapen.

Volgens de Viṣṇu Purāṇa werden ze voortgebracht uit het schaamgebied van Brahma (prajāpati). De beschrijving in de Vāyu Purāṇa luidt: "Asuras werden eerst als zonen voortgebracht uit zijn (Prajāpati's) schaamgebied. Asu wordt door de Brāhmaṇa verklaard als adem betekenis. Uit deze bestonden ze; vandaar dat ze Asuras heten." Het woord wordt al lang gebruikt als algemene naam voor de vijanden van de goden, waaronder de Daityas en Danavas en andere nakomelingen van Kaśyapa, maar niet de Rakṣasas die afstammen van Pulastya.

In deze betekenis is een andere afleiding voor het woord gevonden: de bron is niet langer asu, 'adem,' maar het initiële a wordt opgevat als de negatieve prefix, en asura betekent 'niet een god;' vandaar dat volgens sommigen het woord sura ontstond, vaak gebruikt voor 'een god.'"

[Bron: Dowson, John (1820–1881): A classical dictionary of Hindu mythology and religion, geography, history, and literature. -- London, Trübner, 1879. -- s.v. ]

Afbeelding: महिषासुरः
(Bron afbeelding: Details)

guṇa m. गुण : draad, koord; eigenschap, goede eigenschap
pad 4 Ā (padyate), Pass.: padyate, PPP panna पद् पद्यते पद्यते पन्न : gaan, geraken in
as 2 P (asti) अस् अस्ति : zijn, aanwezig zijn
as 4 P (asyati), Pass.: asyate, PPP asta अस् अस्यति अस्यते अस्त : werpen, (weg-)werpen
i 2 P (eti), Pass.: īyate, PPP ita इ एति ईयते इत : gaan
2 P (pāti), Pass. pāyate, PPP pāta पा पाति पायते पात : beschermen, hoeden

1 P (pibati), Pass. pīyate, PPP pīta पा पिबति पीयते पीत : drinken (traditioneel gerekend tot de 1e klasse)

dviṣ 2 U (dveṣṭi), Pass. dviṣyate, PPP dviṣṭa द्विष् द्वेष्टि द्विष्यते द्विष्ट : haten, vijandig zijn
ad 2 P (atti), Pass. adyate, PPP anna अद् अत्ति अद्यते अन्न : eten, verorberen
anna n. अन्न : voedsel (afgeleid van PPP: *ad-na: het gegetene)

Afbeelding: अन्नम्
(Bron afbeelding: Details)

Woordvorming:

pad 4 Ā:

pada n. पद : stap, standplaats, plaats

pāda m. पाद : voet, een vierde, versregel

Afbeelding: चत्वारः पादाः : गजः
(Bron afbeelding: Details)

dviṣ 2 U:

dveṣa द्वेष : haat

Les 14

  • śīla n. (शील) : (goede) karakter, zedelijkheid
  • bhūṣ-aṇa n (भूषण) : sieraad
  • dīpa m. (दीप) : lamp

Afbeelding: दीपाः
(Bron afbeelding: Details)

  • bala n. (बल) : geweld, kracht, sterkte; legermacht, troepen
  • bāla 3 (बाल) : jong, kinderlijk, dwaas; m. knaap
  • bālā f. (बाला) : jong meisje
  • nara m. (नर) : man, mens
  • śatru m. (शत्रु) : vijand
  • loka m. (लोक) : wereld; Enk. en Meerv.: de mensen, het volk
  • jala n. (जल) : water
  • jan 4 Ā (jāyate), Pass. janyate / jāyate, PPP jāta (जन् जायते जन्यते जायते जात) : geboren worden, ontstaan, optreden
  • jan-a m. (जन) : schepsel, mens, mensen
  • vac 2 P (vakti, geen 3. meerv.!), Pass. ucyate, PPP ukta (वच् वक्ति उच्यते उक्त) : zeggen, spreken tot (accusatief)
  • uk-ti f. (उक्ति) : uitspraak, woord
  • vac-ana n. (वचन) : het spreken, het woord
  • vāk-ya n. (वाक्य) : woord, rede

Les 15

पुष्कल 3: prachtig, schitterend, overvloedig

वा : of (achtergesteld)

अथवा : of (voorafgaand)

चतुर्थ 3 (v.: चतुर्थी): vierde

विद् "vinden" 6 U विन्दति ; Pass. विद्यते ; PPP विन्न / वित्त विद् "weten" 2 P वेत्ति ; Pass. विद्यते ; PPP विदित पत् "vliegen, vallen" 1 P पतति ; Pass. पत्यते ; PPP पतित अर्ध 3: half, m.n. helft

पूजा v.: eerbetoon, eervolle ontvangst, religieuze verering (Pūjā)

Afbeelding: पूजा
(Bron afbeelding: Details)

कुल n.: kudde, menigte, geslacht, afstamming, familie

इन्द्र m.: vorst, eerste, beste onder ; godenkoning Indra

Afb.: इन्द्रः
(Bron: Details)

दास m.: slaaf, lijfeigene, dienaar

दासी f.: slavin, lijfeigene, dienares

काल m.: tijd, (juiste) tijdstip ; lot, dood ; doodsgod Kāla

काल 3: zwart, blauwzwart, donker

पुरुष m.: mens, man, knecht

-जन als tweede lid van Tatpuruṣa's, vaak uitdrukking van het meervoud

स्तु 2 स्तौति ; Pass. स्तूयते ; PPP स्तुत : loven, prijzen

davon:

स्तुति f.: lofprijzing, loflied

स्तोत्र n.: (middel tot prijzen =) loflied, hymne

सिंह m.: leeuw (Panthera leo persica)

Afb.: सिंहः
(Bron: Details)

व्याघ्र m.: tijger (Panthera tigris tigris) (letterlijk: gaper)

Afb.: व्याघ्रः
(Bron: Details)

इव (achtergeplaatst): als het ware, als (in vergelijkingen: व्याघ्र इव पुरुषः = "een man als een tijger", "een tijgerachtige man"

एव (achtergeplaatst): benadrukt het voorgaande, komt in het Nederlands vaak overeen met beklemtoning, een soort emoticon \<!\>, bijv. सत्यमेव जयति "alleen de waarheid overwint", "juist de waarheid overwint", "de waarheid overwint"

अरि m.: vijand (volgens Thieme, Der Fremdling im Ṛgveda: oorspronkelijk = vreemdeling)

आर्य 3: Arisch, edel ; m. Ariër (zelfaanduiding van de Sanskriet sprekende oude Indiërs, letterlijk: gastvriendelijke (Thieme)) ; edele, eervolle man

naar जन्

जाति v.: geboorte, soort, kaste (voor kaste zie Basham, Wonder, blz. 148ff.)

मृ 4 Ā म्रियते ; Pass. म्रियते ; PPP मृत : sterven (volgens Indiase grammaticus: 6 Ā)

daarvan:

मरण n.: sterven, dood

मृति v.: sterven, dood

मृत्यु m.: dood ; gepersonifieerd: god van de dood

Les 16

अध्यापन n.: onderwijzen, onderwijs

Afb.: अध्यापनम्
"Dit is een speciale ceremonie in een kleine tempel in Satara (सातारा). Het wordt uitgevoerd door de studenten van de Swami Muktananda Vedashala ter viering van Mahāśivarātri. Dit is een vedische school waar kinderen de heilige teksten, de Veda's, uit hun hoofd leren. Deze school onderwijst de Krishna Yajurveda en enkele delen van het Samaveda. Ik schrijf mijn masterthesis over deze school."
(Bron afbeelding: Details)

अनसूया v.: niet morren, afgunsteloosheid

नृशंस्य n.: kwaadaardigheid, lafheid

daarvan:

अनृशंस्य n.: niet kwaadaardig zijn

जीव् 1 P जीवति ; Pass. जीव्यते ; PPP जीवित : leven

daarvan:

आजीव m.: levensonderhoud

क्षमा v.: geduld, langmoedigheid, vergevingsgezindheid

क्षेम n.: rust, vrede, welzijn, zeker bezit

चित्त n.: bewustzijn, denken, geest

निरोध m.: stoppen, tot stilstand brengen

  • bhūta n. (भूत) (PPP van bhū): wezen, spook

योग m.: aanspanning, verbinding, vereniging, verwerving ; yoga

Afbeelding: योगी
Birla Mandir, Delhi
(Bron afbeelding: Details)

वृत् 1 Ā वर्तते ; Pass. वृत्यते ; PPP वृत्त : draaien, wenden, (ergens) bevinden, wonen

शस्त्र (śastra) n.: snijdtuig, snijwapen, zwaard, wapen

शौच n.: reiniging, zuiverheid

साधन m.,n. साधनी साधना f.: naar het doel leidend, veroorzakend

अहिंसा f.: het niemand iets tot last doen, niet-verwonden, geweldloosheid

Afb.: अहिंसा
"De hand met een wiel op de palm symboliseert de Jain-eda van Ahimsa. Het woord in het midden is 'ahimsa'. Het wiel vertegenwoordigt de dharmacakra, die staat voor de vastberadenheid om de cyclus van reïncarnatie te stoppen door een onvermoeide zoektocht naar waarheid en geweldloosheid."
(Bron afbeelding: Details)

Les 17

हन् 2 P हन्ति, घ्नन्ति Pass. हन्यते  PPP हत : slaan, doden, vermoorden

daarvan:

घात m.: doden

Afb.: घाताः
Bangalore = ಬೆಂಗಳೂರು
(Bron afbeelding: Details)

आस्आस्ते Pass. आस्यते PPP आसित : zitten

daarvan:

आसन n.: het zitten, zit ; ook: zithoudingen van de yogi

Afb.: योगासनम्
(Bron afbeelding: Details)

रुद् 2 P रोदिति Pass. रुद्यते PPP रुदित : huilen, janken

daarvan:

रुद्र m.: (de jankende =) de stormgod Rudra

ब्रू 2 U ब्रवीति Ā ब्रूते geen Passief en PPP: spreken, zeggen (iemand iets zeggen: dubbele accusatief)

दुह् 2 U दोग्धि Pass. दुह्यते PPP दुग्ध : melken

Afb.: दोग्धि
(Bron: Details)

दिश् 6 U दिशति Pass. दिश्यते PPP दिष्ट : tonen, instrueren, bevelen

waarvan:

दिष्टि v.: instructie, gelukkige samenloop van omstandigheden

दिष्ट्या Instr.: (letterlijk: door een gelukkige samenloop van omstandigheden) O gelukkige samenloop van omstandigheden (uitroep van vreugde en geluk)

Les 18

सुष्टु 3: geprezen, voortreffelijk, goed

शोभन 3: schitterend, prachtig, schitterend, mooi, goed

सम 3: gelijk, even, vergelijkbaar (met instrumentalis)

व्याधि m.: ziekte

रिपु m. = शत्रु , bedrieger

वह्नि m. = अग्नि ज्ञान n.: inzicht

शूर 3: dapper, heldhaftig ; m.: held

शब्द m.: geluid, toon, signaal: woord

उदक n.: water

अन्त m.: einde, grens

आदि m.: begin

दण्ड m.: stok, stokslagen, straf

मात्रा v. मात्र n.: maat, begrenzing

सहित 3: verenigd, voorzien van

हस्त m.: hand

प्रभृति v.: begin

Les 19

अर्थ m.: doel, betekenis (van een woord), rijkdom, bezit, vermogen. अर्थम् (acc.), अर्थेन (instr.) met gen. of als achterlid van een Tatpuruṣa: ter wille van ..., om te.

अर्थ is een van de drie levensdoelen (पुरुषार्थ), zoals deze in de wereldlijke en religieuze literatuur worden beschreven:

धर्म m.: het verwerven van verdiensten door te doen wat voor iemand juist is, of op zijn minst het vermijden van het kwaad dat zou voortvloeien uit het niet naleven van de dharma

अर्थ m.: doelgericht rationeel gedrag, het verwerven van welvaart

काम m.: zinslust, met name ook op seksueel gebied

Afb.: कामः
Illustratie bij कामसूत्र
(Bron afbeelding: Details)

स्था 1 P तिष्ठति Pass. स्थीयते PPP. स्थित : staan, blijven, standhouden, zich bevinden. (Wordt traditioneel gerekend tot de 1e presentieklassse, hoewel het een reduplicerende thematische presentieklassse betreft, zoals पा 1 पिबति)

स्था + उप 1 U उपतिष्ठति : naderen, zich in eerbiedige houding voor iemand neerzetten

स्था + प्र 1 Ā प्रतिष्ठते : vertrekken, wegtrekken

van स्था :

स्थान n.: plaats, (juiste) locatie, standplaats

स्थिति f.: verblijf, standvastigheid, volharden

गर्भ m.: baarmoeder, schoot, binnenste, embryo / foetus. Aan het einde van een Bahuvrīhi vaak: "binnenste", bijv.

धनगर्भ 3: "wiens binnenste geld is = waarin zich geld bevindt"

गर्भगृह n.: de innerlijkste heilige ruimte van een hindoe-tempel, die het belangrijkste godenbeeld van de tempel bevat (voor de opbouw van hindoe-tempels zie: Volwahsen, A.: India : Bouwwerken van de Hindu's, Boeddhisten en Jainas. -- München, 1968)

Afb.: गर्भगृहम्
Badami (ಬದಾಮಿ)
(Bron afbeelding: Details)

वारिद m.: waterdrager = regenwolk

Afb.: वारिदः
Goa (गोंय)
(Bron afbeelding: Details)

वा 2 P वाति Pass. वायते PPP. वान / वात : waaien
waarvan:

वात m.: wind

वह् 1 U वहति Pass. उह्यते PPP ऊढ : leiden, rijden (trans.)

छत्त्र zn.: parasol, scherm

Afb.: छत्त्रम्
"Onappottan (ഓണപ്പൊട്ടന്‍), in traditionele klederdracht, is een gebruik in de zuidelijke delen van Kerala. Onappottan bezoekt huizen tijdens het onam en geeft zegeningen. De laatste tijd is onappottan een zeldzaam verschijnsel geworden, dat zich beperkt tot dorpen.”
(Afbeeldingsbron: Details)

पण्डित m.: geleerde, wijze; 3: slim, bedreven (in)

Afb.: पण्डितः जवाहरलाल नेहरू १९५९
(Bron: Details)

सेव् 1 Ā सेवते passief सेव्यते voltooid deelwoord सेवित : wonen bij, bewonen (acc., lok.); bezoeken, zich begeven naar (acc.); bedienen, verzorgen, vereren; beoefenen, gebruiken; bijwonen, geslachtsgemeenschap hebben

नि Voorvoegsel: neer, in

सेव् + नि  1 Ā निषेवते : verblijven bij, bewonen, bezoeken

अमुत्र : daar, in het hiernamaals

इह : hier, in dit leven

विद् 6 U विन्दति Pass. विद्यते PPP विन्न / वित्त : vinden

भार्या v.: te behouden = echtgenote

प्रिय 3: lief, aangenaam

मित्र zn. (!): vriend

बान्धव m.: familielid

हि : want, ja, namelijk (mag nooit aan het begin van een zin staan)

Les 20

वा : of

आश्रम m., n.: kluizenaarschap, levensfase, levensperiode (namelijk als ब्रह्मचरिन्, गृहस्थ, वनप्रस्थ en eventueel als सन्न्यासिन् ; zie Basham, Wonder, p. 159 e.v.)

Afb.: आश्रमः
Rishikesh = ऋषिकेश. "Dit is eigenlijk een deel van de ashram in Rishikesh waar de Beatles verbleven. Dit specifieke deel was er nog niet toen zij er waren, maar het ziet er wel gaaf uit."
(Bron afbeelding: Details)

कर ३ f. करी । करा : doend, makend, bewerkstelligend

कर m.: hand (zie कृ 8)

कर m.: heffing, tribuut, belasting (niet gerelateerd aan कृ, maar vermoedelijk een leenwoord uit het Tamil - தமிழ்)

क्रिया v.: handeling, heilige handeling, offerhandeling, ceremonie (zie कृ 8)

अधि voorvoegsel: over, op, er-, met betrekking tot

गम् +अधि 1 P अधिगच्छति : aantreffen, bereiken, verkrijgen

तनूकृ 8 U तनूकरोति : verminderen, verzwakken

दायक ३ v.: दायिका : gevend, schenkend

नृप m.: „beschermer van de mannen“ = koning

प्रणिधान zn.: toepassing, inspanning, aandacht voor, dienstbaarheid, nadenken, gelofte

बाधना v.: benauwdheid, kwelling, pijn

भार्या v.: "die behouden moet worden" = echtgenote

भावना v.: meditatieve ontplooiing (naar भू causatief)

मही v.: aarde, grond en bodem

लक्षण n.: kenmerk, eigenschap, attribuut

विप्र m.: „Zitterer“ = dichter, zanger, priester, brahmaan

विषय m.: gebied, domein, object, zintuiglijk object

अपवर्ग m.: einde, verlossing

नि bijwoord: naar beneden, naar binnen, achteruit

वृत् + नि 1 Ā निवर्तते : omkeren, terugkeren

सद् 1 P सीदति (!) passief सद्यते PPP सन्न : zitten, zich neerzetten

सद् + प्र 1 P प्रसीदति : gaan zitten, neergezet worden (in figuurlijke zin) = sereen, rustig, opgewekt worden ; iemand (genitief षष्ठी) genadig zijn

समाधि m.: innerlijke verzameling, hoogste aandacht, meditatieve "verzonkenheid"

स्वाध्याय m.: "zelfstudie", recitatie (vooral van de Veda), Vedastudie

परलौकिक ३ : het hiernamaals betreffend, ginds

तनु ३ : slank

मध्य ३ : middelgroot; n. midden

पृथु ३ (पृथ्वी) : wijd, breed, groot

श्रोणि । श्रोणी f.: heup

रक्त ३ : geverfd, rood

ओष्ठ m.: lip

असित ३ : donker, zwart

ईक्ष् 1 Ā ईक्षते Pass. ईक्ष्यते PPP ईक्षित : zien

नम् 1 P नमति Pass. नम्यते PPP नत : buigen

उद् voorvoegsel: op, omhoog, uit, eruit

नाभि f.: navel

वपुस् n.: schoonheid, gestalte lichaam (declinatie zie later)

स्त्री f.: vrouw

स्तन m.: borst

दरैद्र ३ : arm

ऋध् 5 P ऋध्नोति Pass. ऋध्यते PPP ऋद्ध : gedijen

ऋध् + सम् : gedijen; PPP: geslaagd, rijk

विचित्र ३ : bont, gevarieerd, mooi, wonderbaarlijk, vreemd

विधि m.(!): ordening, wet, voorschrift; schepping, lot

चेष्ट् 1 Ā चेष्टते Pass. चेष्ट्यते PPP चेष्टित : zich bewegen

Les 21

भज् 1 U भजति Pass. भज्यते PPP भक्त : iemand (acc.) iets toewijzen, laten toekomen, iemand liefhebben, eren, vereren

daarvan:

भक्ति f.: toewijding, trouw, liefde (in religieus opzicht: liefde en respect voor een persoonlijke god. zie daarvoor Basham, Wonder blz. 332v.)
भाग m.: aandeel, deel
भग m.: (goed) aandeel, geluk, welzijn, waardigheid
भगवन्त् 3: gelukbezitter, waardigheidbezitter (bijnaam van विष्णुकृष्ण)

Afbeelding: भगवान्कृष्णः भगवान्कृष्णः als जगन्नाथ (rechts) met zijn halfzus सुभद्रा (midden) en zijn oudere broer बलराम, Orissa = ଓଡ଼ିଶ
(Bron afbeelding: Details)

भगवद्गीता v.: "Lied (गीता) van de Eerbiedwaardige (कृष्ण)"

Afbeelding: भगवद्गीता भगवद्गीता - manuscript, 19e eeuw
(Bron afbeelding: Details)

भिक्ष् 1 Ā भिक्षते Pass. भिक्ष्यते PPP भिक्षित (eigenlijk een desiderativum van भज्: wensen dat men deelneemt): bedelen

daarvan:

भिक्षु m.: bedelaar, monnik

Afbeelding: भिक्षवः
Luang Prabang = ຫລວງພະບາງ, Laos = ປະເທດລາວ
(Bron afbeelding: Details)

दुष् 4 P दुष्यति Pass. दुष्यते PPP दुष्ट : bederven (intransitief), slecht worden, in diskrediet raken

दोष m.: fout

पच् 1 U पचति Pass. पच्यते (geen PPP, in plaats daarvan पक्व 3: gekookt, gaar) Absol. पक्त्वा : garen (transitief) = koken, braden, roosteren enz.

Les 22

काम m.: wens, begeerte; gewenste gave, zinnenlust, liefde, god van de liefde

कामम् Akk. adverbieel: naar wens, naar hartenlust

Afbeelding: कामदेवः
19e eeuw
(Bron afbeelding: Details)

शक् 5 P शक्नोति Pass. शक्यते PPP शक्त Inf. शक्तुम् : in staat zijn, kunnen

daarvan:

शक्ति v.: het kunnen, vermogen, vaardigheid, kracht; ook: goddelijke kracht, gepersonifieerd als vrouwelijke metgezel vooral van शिव
शक्र m.: de Machtige (bijnaam van इन्द्र)

Afb.: दुर्गाशक्तिः
Kolkata = কলকাতা
(Afbeeldingsbron: Details)

अर्ह 1 P अर्हति Pass. अर्ह्यते PPP अर्हित Inf. अर्हितुम् : iets verdienen (iets waard zijn), mogen, verplicht zijn om, moeten (in de 2e persoon wordt अर्ह् + infinitief vaak gebruikt als een milde bevelsvorm: "Je zou moeten")

अर्हन्त् 3 part. pres. P: een waardige. In het boeddhisme en het jaïnisme: iemand die de definitieve verlossing heeft bereikt

व्रत zn.: gelofte, religieuze plicht, religieuze naleving (men belooft de godheid iets om er iets van terug te krijgen. Voorbeeld: een moeder belooft haar dochter als tempelprostituee (देवदासी) aan te bieden als haar dochter weer gezond wordt. Belangrijke व्रत vandaag de dag: vasten; zich onthouden van voedsel waar men van houdt; seksuele onthouding; het lezen van heilige geschriften; het uitvoeren van bepaalde rituelen; het voeden van brahmanen en dergelijke. Kort over de व्रत: Walker, Hindu World deel II, blz. 581 e.v. Uitgebreid: P. V. Kane: History of Dharmaśāstra deel 5,1 blz. 1 - 462. Daar, blz. 253–462: lijst van व्रत en religieuze feesten („the following list … does not claim to be thoroughly exhaustive”!!!)

चर् 1 P charati Pass. charyate PPP charita Inf. charitum (Sanskriet: चर् 1 P चरति Pass. चर्यते PPP चरित Inf. चरितुम्) : weiden, rondlopen, zich bewegen, handelen, iets beoefenen, uitvoeren (bijv. व्रतं चर्: een gelofte naleven, met name seksuele onthouding)
waarvan:

चर ३: beweeglijk; zn.: het beweeglijke = dieren (in tegenstelling tot planten)

चरण zn., m.: voet

चरित zn.: levenswijze, levensdaden

ब्रह्मचर्य zn.: de beoefening van de Veda (ब्रह्मन्) = de studie van de Veda in de eerste levensfase (die van ब्रह्मचारिन्), die strikte seksuele onthouding vereist; vandaar ook: seksuele onthouding, celibatair levensgedrag

Afb.: धेनवश्चरन्ति
Goa = गोंय
(Bron: Details)

Les 23

समान ३: gelijk

सामान्य zn.: gelijkheid, overeenstemming

अधिक ३ : overvloedig, extra, groter, beter, buitengewoon

विशेष m.: bijzonderheid, specificatie, differentia specifica

Les 24

अलम् Bijwoord: genoeg, voldoende, (iemand, iets) aan kunnen ; met datief: genoeg voor, voldoende voor, aan kunnen ; met instrumentaal: genoeg met, laat het los, bijv. अलं क्रोधेन = "genoeg met de woede = laat de woede rusten!"

Op dezelfde manier wordt अलम् met instrumentalis gebruikt:

कृतम् : कृतं क्रोधेन = „Het is gedaan met de woede = laat de woede varen!”

अलम् + कृ 8U अलंकरोति : versieren

अलंकार m.: versiering, versieringsmiddel (in de poëzie)

Afb.: अलंकारः
(Bron: Details)

हेतु m.: drijfveer, aanleiding, oorzaak, reden; हेतुना, हेतोस्, हेतवे met genitief of als tweede deel van een samengesteld woord = "omwille van..., vanwege"

प्रतिमा v.: portret, afbeelding

Afbeelding: देवीप्रतिमा
Hampi = ಹಂಪೆ, Karnataka = ಕರ್ನಾಟಕ
(Bron afbeelding: Details)

वृत् + प्रप्रवर्तते : plaatsvinden, gebeuren, ontstaan

Van वृत्:

वृत्ति v.: gedrag, activiteit, levenswijze

वृत्त n.: gedrag

अभि voorvoegsel:  be-, naar - toe, van - af, naar - toe, tegen, in - binnenin, met betrekking tot, op, over, aan

नि voorvoegsel: omlaag, naar beneden, binnenin, achteruit

voorzetsel / postpositie: voor ablative of na accusatief: tot aan, tot ; met ablative: van af, vanaf, sedert

अतस् indeclinabile: daarvandaan, toen, daarom, vandaar (pronomatische stam a- "deze" + ablative suffix -tas)

अध्यक्ष m.: toezichthouder, afdelingshoofd ; ooggetuige

इन्द्रिय n.: kracht, zintuig

ऊह m.: overweging, argumentatie

daarvan

अपोह m.: ontkenning (अप + ऊह)

ऊहापोह m.: discussie van pro en contra

Afbeelding: ऊहापोहः
"NEW DELHI/INDIA, 16NOV08 - Suhasini Haidar, Deputy Foreign Editor, CNN-IBN Network 18, India, moderates a panel discussion at the World Economic Forum's India Economic Summit 2008 in New Delhi."
(Bron afbeelding: Details)

औपकारिक 3 v.: - : nuttig

कुप्य n.: bosproduct, metaal (edelmetaal niet)

ख्या 2P ख्याति PPP ख्यात : zien, zichtbaar worden ; noemen, uitleggen, meedelen

ख्या + 2P आख्यात : vertellen

daarvan:

आख्यान n.: verhaal

Afbeelding: आख्यानम्
"San Francisco storyteller Jeff Byers shares a story with the residents of Chenneri, an Irula village. Storyteller Jeeva Raghunath translates into Tamil for the villagers."
(Bron afbeelding: Details)

ख्या + सम् 2P संख्याति : optellen, berekenen

daarvan:

संख्या v.: telling, opsomming ; सांख्य n.: een van de zes filosofische systemen (kort: Basham, Wonder S. 326f.)

ग्रहण n.: grijpen

चौल n.: ceremonie (संस्कार) van het knippen van haar (op 3-jarige leeftijd)

तत्त्व n.: ware aard, waarheid, realiteit (तद् + त्व = deze-heid)

स्वस्ति v.: geluk, heil (nominaal gevormd uit सु अस्ति = "het is goed")

नमस् n.: buiging, eerbiediging, groet (declinatie later). Begrotingsformule: नमो नमः

daarvan:

कृ + नमस् 8 नमस्करोमि : zich buigen, eerbiedigen, begroeten

Afb.: जयदेवकविर्विष्णुं नमस्करोति
Manuscript van de गीतगोविन्द, 1730 n.Chr.
(Bron afbeelding: Details)

स्वागत n.: welkom (uit su-ā-gata)

तृण n.: grassteel

पुनर् Adverb: wederom, weer, terug, maar

Les 25

त्यज् 1P त्यजति : verlaten, opgeven, in de steek laten

Fut. त्यक्ष्यति
Pass. त्यज्यते
PPP त्यक्त
Inf. त्यक्तुम्
Absol. 2: -त्यज्य

daarvan:

त्याग m.: opgeven, afstand doen, vermijden

दार m. mv. (!!!): echtgenote

द्रव्य n.: voorwerp, bezit, materieel eigendom, geld

धान्य n.: gedorsen graan

Afb.: धान्यम्
(Bron afbeelding: Details)

धृ 1U धरति : houden, vasthouden

Fut. धरिष्यति
Pass. ध्रियते
PPP धृत
Inf. धर्तुम्
Absol. 2: -धृत्य

daarvan:

धर्म m.: dat wat vast is en vasthoudt = Dharma

नित्य ३ : voortdurend, bestendig, eeuwig

नित्यम् Adv.: altijd, bestendig immer

प्रज्ञा f.: wijsheid, kennis

प्रदान n.: geven, schenken ; gift, schenking

मद् 4 P माद्यति (!): zich verheugen, zich aan iets (Instr., Gen., Lok.) bedrinken

Fut. मदिष्यति
Pass. मद्यते
PPP मत्त
Inf. मदितुम्

daarvan:

मद m.: dronkenheid, zinnendronkenschap = zinnenlust

मान m.: inschatting, aanzien, roem, eer, trots, hoogmoed, minderwaardigheidscomplex ; (men meet zich aan anderen)

यदि Voegwoord: als

न्याय m.: regel, principe, methode, oordeel (jurist.), logica (uit ni + i +a)

अन्यथा Adv.: anders, anderszins, ten onrechte, onjuist

या 2P याति, यान्ति = गम्

Pass. यायते
PPP यात
Inf. यातुम्
Absol. 2: -याय

दारिद्र्य n. = दरिद्रस्य भावः प्रदान n. = दान शास् 2P शास्ति, शासति (3. mv.) : bevelen, onderwijzen, straffen

Pass. शिष्यते
PPP शिष्ट ३ : onderwezen
Absol 1.: शासित्वा / शिष्त्वा

daarvan:

शिक्षा f.: wetenschap, onderricht ; fonetiek

स्तेन m.: dief

स्तेय n.: diefstal

किल्बिष n.: schuld, belediging, zonde

विना Postpositie: zonder, behalve (met Akk., Instr., Abl.)

मूल n.: wortel

Afb.: मूलानि
(Bron: Details)

लिप् 6U लिम्पति (!): besmeren, insmeren

Fut. लेप्स्यति
Pass. लिप्यते
PPP लिप्त
Inf. लेप्तुम्

daarvan:

लिप्ति v.: besmeren, schrijven, schrift

Afbeelding: लिप्तिः
(Bron afbeelding: Details)

वर्ष n.,m.: regen, regentijd, jaar

वह् 1U वहति : leiden, rijden, waaien (wind)

Fut. वक्ष्यति
Pass. उह्यते
PPP ऊढ
Inf. वोढुम्
Absol 2: -उह्य वह् + वि 1P विवहति : wegleiden (namelijk de bruid uit het ouderlijk huis) = trouwen

daarvan:

विवाह m.: wegleiden, huwelijk van een vrouw (Instr., saha) (voor het huwelijk zie Basham, Wonder S. 166 -171)

Afbeelding: विवाहः
(Bron afbeelding: Details)

नी + वि 1U विनयति : wegleiden, onderwijzen, opvoeden

daarvan:

विनय m.: verwijderen, opvoeden, discipline, boeddhistisch: kloosterdiscipline, kloosterrichtlijn

विज्ञान n.: kennis, inzicht

विष्टि f.: arbeid, dwangarbeid

Afbeelding: विष्टिः
(Bron afbeelding: Details)

वृध्वर्धते : groeien, groter worden

Fut. वर्धिष्यते
Pass. वृध्यते
PPP वृद्ध : volwassen, oud, vermeerderd
Inf. वर्धितुम्

daarvan:

वृद्धि f.: groeien, groei, verdubbelingsgraad (uit: vṛdh-ti)

सामर्थ्य n.: het aan zijn doel beantwoordend

स्वभाव m.: wezen, natuur, karakter

हर्ष m.: (rechtop staan van de haren op het lichaam), vreugde

हिरण्य ३ : goudkleurig ; n.: goud, geld, rijkdom

Afbeelding: हिरण्यम्
(Bron afbeelding: Details)

अणु ३ : dun, fijn, zeer klein ; m.: atoom

गोदान n.: het geven van koeien / een koe; tweede kapselceremonie (een संस्कार)

Les 27

वस् 1P (वसति): verblijven, wonen (met lokatief van de persoon bij wie men woont)

Fut.: वत्स्यति:br Pass.: उष्यते:br PPP: उषित:br Inf.: वस्तुम्

daarvan:

वस्तु n.: zitplaats, plaats; realiteit, reëel ding, werkelijkheid, object

वस्तुतस्: in werkelijkheid, echt

वस् 2Ā (वस्ते): aantrekken (kleding), dragen (kleding)

Fut.: वसिष्यते:br PPP: वसित:br Inf.: वसितुम्

daarvan:

वस्त्र n.: middel om zich aan te trekken = kleding, gewaad, stof

Afb.: वस्त्राणि
Vastrāṇi. Majuli, Assam.
(Bron afbeelding: Details)

वस् 6P (उच्छति): oplichten (deze wortel is belangrijk vanwege de nominale afleidingen:)

वसु n.: rijkdom, schat, bezit, eigendom

वसन्त m.: ("schitterend" =) lente (maart tot mei)

Afb.: वसन्तः
Vasanta (Schleichera oleosa), Khopoli, Maharashtra, 2007-04-07.
(Bron afbeelding: Details)

हृ 1U (हरति): houden, dragen; halen, wegnemen, roven

Fut.: हरिष्यति:br Pass.: ह्रियते:br PPP: हृत:br Inf.: हर्तुम्

daarvan:

हर 3: wegnemend; m.: de vernietiger = bijnaam van Śiva

Gegenstück to हर:

हरि 3: blond, geel, groen; m. bijnaam van Viṣṇu (behoort niet tot de wortel हृ 1)

हरिहर m.: Viṣṇu en Śiva verenigd als één enkele godheid.

Afb.: हरिहरः
Harihara (links: Viṣṇu, rechts: Śiva).
(Bron afbeelding: Details)

Afb.: हरिहरः
Harihara (links: Viṣṇu, rechts: Śiva). Godrumdwip, West-Bengalen.
(Bron afbeelding: Details)

Les 28

विद् 2P वेत्ति, विदन्ति: weten, kennen
Fut. vediṣyati
Pass. vidyate
Kaus. vedayati
PPP vidita
Inf. vediṣyum
daarvan: vidyā v., veda m.

विद् 6U विन्दति (!): vinden
Fut. vediṣyati / vetsyat
Pass. vidyate: er is, het bestaat
Kaus. vedayati
PPP vinna / vitta
Inf. vediṣtum / vettum

i + adhiadhīte, adhīyate: studeren, uit het hoofd leren
Kaus. adhyāpayati: laten studeren, onderwijzen
daarvan: adhyayana n.: studie (met name van de Veda); adhyāya m.: les, hoofdstuk (gedeelte om uit het hoofd te leren)

कम् 10Ā कामयते: liefhebben
Fut. kāmayiṣyate / kamiṣyate
Pass. kāmyate
Kaus. kāmayati
PPP kānta (!)
Inf. kāmayitum / kamitum

Afb.: कृष्णो राधां कामयति
Schilderij van राजा रवि वर्मा (1848 - 1906)
(Bron afbeelding: Details)

चुर् 10 चोरयति: stelen
Fut. corayiṣyati
Pass. coryate
Kaus. corayati
PPP corita
Inf. coritum

Onthoud vooral de betekenis van de kausativa bij de volgende werkwoorden:
dṛśdarśayati: tonen
manmānayati: hoogachten, eren (is waarschijnlijk een denominatief van māna "eer")
vacvācayati: ook: hardop lezen (een tekst laten spreken)
vadvādayati: ook: een muziekinstrument aan het spreken brengen = een muziekinstrument spelen

Afbeelding: वीणां वादयति
Vīṇā-Spielerin.
(Bron afbeelding: Details)

भार m.: last

Afbeelding: बाला भारं हरति
Meisje draagt last. Bij Ahmedabad.
(Bron afbeelding: Details)

भृत्य m.: ondergeschikte, dienaar

Les 29

Preverb:

उद्° : op, omhoog, ten einde toe, uit, eruit-

परि° : rond, om (plaats, tijd), omheen

भू + परि 1P परिभवति : (rond iemand heen worden = inringen =) meester worden, overwinnen ; verachten, minachten

अवज्ञान n.: verachting

गुप्त 3: beschermt, beveiligd

गृहस्थ 3: zich in het huis bevindend ; m. huiskop (iemand die zich in de 2e आश्रम bevindt)

ग्रस्ग्रसते : verteren, opeten

Fut. ग्रसिष्यते
Pass. ग्रस्यते
Kaus. ग्रासयति
PPP ग्रस्त
Inf. ग्रसितुम्

तीक्ष्ण 3: "wild", scherp, spits, streng, hevig, scherptongig

न्याय m.: norm, regel, juiste manier; methode, logica (van + नि)

परिव्राजक m.: rondtrekker, zwervende monnik, pelgrim

Afbeelding: परिव्राजकाः
Pushkar = पुष्कर
(Bron afbeelding: Details)

पालयति : ook betekenisgelijk met  पाति पुनर् Indecl.: weer, steeds terug, terug, nog een keer ; echter, maar (voor stemhebbende klanken behalve r-: पुनर्)

प्रजा f.: voortbrenging, geboorte, nakomelingschap

मत्स्य m.: vis

daarvan:

मात्स्य 3: behorend tot de vis (tot vissen)

Afbeelding: मत्स्यः रोहू मछली = Labeo rohita Hamilton
(Bron afbeelding: Details)

मृदु 3 (v.: मृद्वी): zacht, mild, soepel; langzaam, zwak

यथा bijwoord: zoals, als het ware

रम्रमते : stil staan, rusten, vertoeven ; genot vinden, zich vermaken

Fut. रंस्यते
Pass. रम्यते
Caus. रमयति
PPP रत
Inf. रन्तुम्

वानप्रस्थ m.: boskluizenaar (iemand die zich in het 3e आश्रम bevindt)

शुचि 3: stralend, glanzend, verfijnd; m.: zuiverheid

पूज् 10P पूजयति : eren, vereren

PPP पूजित

Les 30

क्री 9U क्रीणाति : kopen

Fut. क्रेष्यति
Pass. क्रीयते
PPP क्रीत
Inf. क्रेतुम्

क्री + विविक्रीणीते : verkopen

Absol. विक्रीय

Afb.: क्रीणन्ति विक्रीणते च
Bundi = बुन्दी, Rajasthan = राजस्थान
(Bron afbeelding: Details)

ज्ञा 9U जानाति : kennen, herkennen, weten, begrijpen

Fut. ज्ञास्यति
Pass. ज्ञायते
Caus. ज्ञापयति
Caus. PPP ज्ञप्त / ज्ञापित
PPP ज्ञात
Inf. ज्ञातुम्

waarvan:

ज्ञाति m.: (bloed-)verwant (verwanten zijn degenen die men kent!)

ज्ञान zn.: inzicht, kennis, begrip (met name van de „hogere“ waarheden in religie en filosofie)

Afb.: ज्ञातयः
Darewadi, district Ahmed Nagar = अहमदनगर, Maharashtra = महाराष्ट्र
(Bron afbeelding: Details)

पू 9U पुनाति : reinigen

Fut. पविष्यति
Pass. पूयते
Caus. पावयति
PPP पूत
Inf. पवितुम्

Afbeelding: श्रोत्राणि पुनाति
(Bron afbeelding: Details)

अश् 9P अश्नाति : eten, verteren

Fut. अशिष्यति
Pass. अश्यते
Kaus. आशयति
PPP अशित
Inf. अशितुम्

Afbeelding: अश्नीयात् थाली, Zuid-India
(Bron afbeelding: Details)

प्रिय ३: lief, liefhebbend, vriendelijk

Afbeelding: प्रिया
(Bron afbeelding: Details)

चेत् Conjunctie: als; mits, dat (staat nooit aan het begin van een zin)

न चेत् : indien niet

यदि Conjunctie: als

यद्यपि : hoewel, zelfs als, ofschoon

यद्येवम् : indien het zo is, onder deze omstandigheden

पुनर् : weer, keer op keer, terug, nogmaals, daarentegen, maar

पुनः पुनर् : keer op keer

daarvan:

पुनर्भव m.: wedergeboorte

Afbeelding: पुनर्भवः
(Bron afbeelding: Details)

जीव् 1P जीवति : leven

Fut. जीविष्यति
Pass. जीव्यते
Kaus. जीवयति
PPP जीवित : levend
Inf. जीवितुम्

daarvan:

जीव m./n.: leven, individuele ziel

सनातन ३ v.: सनातनी : eeuwig, onvergankelijk, bestendig

Les 31

युज् 7U युनक्ति : spannen, voor het juk spannen, aanspannen, bevestigen ; Ā ook: zich inspannen (= zich inspannen), verbinden met, concentreren op (Locatief, सप्तमी)

Fut. योक्ष्यति
Pass. युज्यते
Kaus. योजयति
PPP युक्त
Inf. योक्तुम्

daarvan:
युग n.😗* juk, paar, wereldtijdperk (er zijn vier wereldtijden:

  1. कृत
  2. त्रेता
  3. द्वापर
  4. कलि

Het कलियुग begon rond 3102 v. Chr., het jaar van de महाभारत-oorlog. Meer details bij Basham, Wonder S. 323)

योग m.: "aanspanning, inspanning", inspanning, verbinding, yoga (zie daarvoor Basham, Wonder S. 327ff.)

Afb.: योगः
Yoga-afbeelding.
(Bron afbeelding: Details)

रुध् 7U रुणद्धि : stoppen, tot stilstand brengen, tegenhouden = insluiten, bedekken

Fut. रोत्स्यति
Pass. रुध्यते
Kaus. रोधयति
PPP रुद्ध
Inf. रोद्धुम्

छिद् 7U छिनत्ति : afsnijden

Fut. छेत्स्यति
Pass. छिद्यते
Kaus. छेदयति
PPP छिन्न
Inf. छेत्तुम्

भञ्ज् 7P भनक्ति : (iets) breken

Fut. भङ्क्ष्यति
Pass. भज्यते
PPP भग्न

अञ्ज् 7P अनक्ति : zalven, smeren

Fut. अङ्क्ष्यति । अञ्जिष्यति
Pass. अज्यते
Kaus. अञ्जयति
PPP अक्त
Inf. अञ्जितुम् । अङ्क्तुम्

अञ्ज् + वि** 7Ā व्यङ्क्ते : uiteensmeren = zich schminken, zich onderscheiden maken

PPP व्यक्त : onderscheiden, ontvouwd

daarvan:
व्यञ्जन n.: middel van onderscheid = schmink, kruiden, kenmerk, medeklinker (dat waardoor de betekenissen worden onderscheiden)

Af.: व्यञ्जनम्
Voorbereiding op de Kathakali-dans, Kochi.
(Bron afbeelding: Details)

भिद् 7U भिनत्ति : splitsen

Fut. भेत्स्यति
Pass. भिद्यते
Kaus. भेदयति
PPP भिन्न
Inf. भेत्तुम्

भुज् 7U भुनक्ति : genieten (bijv. eten; "de aarde genieten" = de aarde beheersen)

Fut. भोक्ष्यति
Pass. भुज्यते
Kaus. भोजयति
PPP भुक्त**
Inf. भोक्तुम्

daarvan:
भोग m.: genot, eten, lust, nut, belasting, heffing

बन्ध् 9P बध्नाति (!): binden, vastbinden

Fut. भन्त्स्यति
Pass. बध्यते
Kaus. बन्धयति
PPP बद्ध
Inf. बद्धुम्

daarvan:
बन्धन n.: binden, band

ज्ञा + प्र 9U प्रजानाति : herkennen, begrijpen

daarvan:
प्रज्ञा f.: wijsheid, kennis

Afb.: प्रज्ञापारमिता
Uit een Prajñāpāramitā-manuscript.
(Bron afbeelding: Details)

भू + सम् 1P सम्भवति : ontstaan, bestaan

शरीर n.: lichaam, lijf

Les 32

अग्र n.: punt, uiterste einde

मही f.: aarde, grond en bodem (letterlijk: de Grote)

एकदा

श्रम् श्राम्यते

श्रमिष्यते:br
श्रम्यते:br
श्रमयति:br
श्रान्त:br
श्रमित्वा । श्रान्त्वा:br
श्रम्य:br
श्रमितुम्

पार्श्व चूत

Afb.: चूतः
Mango boom, Kanpur.
(Bron afbeelding: Details)

तरु वृक्ष पचेलिम स्पृहा परम्

रुह् रोहति

रोक्ष्यति:br
रुह्यते:br
रोहयति । रोपयति:br
रूढ:br
रुह्य:br
रोढुम्

ग्रह् गृह्णाति

ग्रहीष्यति (!):br
गृह्यते:br
ग्राहयति:br
गृहीत:br
गृह्य:br
ग्रहीतुम् (!)

वानर कपि

Afbeelding: वानराः
Apen (rhesusapen) in Delhi.
(Bron afbeelding: Details)

लोक् लोकयति

लोकयिष्यति:br
लोक्यते:br
लोकित:br
लोक्य:br
लोकितुम्

प्रहर्ष कति उपल

Afbeelding: उपलाः
Steengroeve ten zuiden van Pune, Maharashtra.
(Bron afbeelding: Details)

लक्ष्य

Afbeelding: लक्ष्यम्

Schietoefening / pijlricht, Karnataka.
(Bron afbeelding: Details)

क्षिप् क्षिपति

क्षेप्स्यति:br
क्षिप्यते:br
क्षेपयति:br
क्षिप्त:br
क्षिप्य:br
क्षेप्तुम्

चि चिनोति

चेष्यति:br
चीयते:br
चाययति:br
चित:br
चित्य:br
चेतुम्

Afbeelding: चितं गोमयं दहति
Brandende koemestplakken in Rajasthan.
(Bron afbeelding: Details)

चि अव

प्रति अहो

कौशल कुशल

Afbeelding: कौशलम्
Mehndi-schildering op handen in Mumbai.
(Bron afbeelding: Details)

Les 33

दा 3U ददाति: geven

Fut. दास्यति
Pass. दीयते
Kaus. दापयति
PPP दत्त
Inf. दातुम्

daarvan:

दान n.: geven, geschenk, vrijgevigheid

Afbeelding: दानम्
(Bron afbeelding: Details)

दा + अदत्ते: (in ontvangst) nemen, in bezit nemen, meenemen

Absol. आदाय: met Akk.: in gezelschap van, met

Afb.: सा पुत्रमादाय भारं बिभ्रती गच्छति
(Bron afbeelding: Details)

sig[धा] 3U दधाति: plaatsen, vaststellen, toewijzen

Fut. धास्यति
Pass. धीयते
Kaus. धापयति
PPP हित (!!)
Inf. धातुम्

धा + सम् + 3U समादधाति: de volledige aandacht op iets richten, zich verzamelen

daarvan:

समाधि m.: innerlijke verzameling, hoogste aandacht

Afb.: समाधि
(Bron afbeelding: Details)

पॄ 3P पिपर्ति: vullen, vervullen

Merk op:
3.pl.P पिपुरति
3.sg.Impf.P अपिपर् (uit: *apipart)
3.pl.Impf.P अपिपरुर्
3.sg.Opt.P पिपूर्यात्

Fut. परिष्यति / परीष्यति
Pass. पूर्यते
Kaus. पूरयति / पारयति
PPP पूर्ण / पूर्त / पूरित

पॄ + सम् alleen Pass. सम्पूर्यते en Kaus.: volledig vullen

भी 3P बिभेति: vrezen voor (Abl., Gen.)

Fut. भेष्यति
Pass. भीयते
Kaus. भाययति
PPP भीत
Inf. भेतुम्

daarvan:

भय n.: angst, vrees; gevaar (de subjectieve en de objectieve zijde)

Afb.: भयम्
(Bron afbeelding: Details)

भृ 3U बिभर्ति: dragen, brengen; onderhouden, voeden

Fut. भरिष्यति
Pass. भ्रियते
Kaus. भारयति
PPP भृत
Inf. भर्तुम्

waarvan:

भार m.: last

मामिमीते: meten

Fut. मास्यति / मास्यते
Pass. मीयते
Caus. मापयति
PPP मित
Inf. मातुम्

मा + उपउपमिमीते: vergelijken

waarvan:

उपमा f.: vergelijking

प्रतिमा f.: afbeelding

हा 3P जहाति: verlaten

Fut. हास्यति
Pass. हीयते
Caus. हापयति
PPP हीन: verlaten door, bij gebrek aan, gebrekkig
Inf. हातुम्
van PPP हीन:

हीनयान zn.: het gebrekkige voertuig (van het boeddhisme): minachtende benaming door de aanhangers van het "grote voertuig", het महायान; de gebrekkige Weg (यान naar या 2: gaan, rijden). De uitdrukking हीनयान mag niet meer worden gebruikt. De vorm van het oude boeddhisme die vandaag de dag nog bestaat, heet थेरवाद.

Afb.: हीनयानमेव
(Bron: Details)

हु 3P जुहोति: in het vuur gieten (als offer, met name gesmolten boter)

Fut. होष्यति
Pass. हूयते
Caus. हावयति
PPP हुत
Inf. होतुम्

Afb.: घृतमग्नौ जुहोति
(Bron: Details)

घृत n.: gesmolten boter, ghee (घी / گھی / ঘী)

"Ghee wordt gemaakt door ongezouten boter in een grote pan te laten sudderen tot al het water is verdampt en de eiwitten op de bodem zijn neergeslagen. De gekookte en geklaarde boter wordt vervolgens met een lepel afgeschept om te voorkomen dat de melkbestanddelen op de bodem van de pan worden verstoord. In tegenstelling tot boter kan ghee gedurende langere tijd zonder koeling worden bewaard, mits het in een luchtdichte verpakking wordt bewaard om oxidatie te voorkomen en het vrij van vocht blijft. De textuur, kleur of smaak van ghee hangt af van de herkomst van de melk waaruit de boter is gemaakt. In India wordt ghee meestal gemaakt van waterbuffelmelk, omdat deze doorgaans witter is dan koemelk.”

[Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/Ghee. -- Geraadpleegd op 2008-12-26]

Les 34

क्षिति v. = पृथ्वी = मही = भूमी

शस्य = सस्य n. sg. en pl.: zaad, gewas, graan

Afbeelding: सस्यम्
Rijstveld in India.
(Bron afbeelding: Details)

यावत् : hoe lang, hoe groot

तावत् : zo lang, zo groot

उत्तम 3: hoogste

द्वीप m.v.: eiland, continent

Afbeelding: लक्षद्वीपाः
Kaart van de Lakshadweep-eilanden.
(Bron afbeelding: Details)

मर्त्य 3: sterveling (van मृ)

तिल m.: sesam(zaad) (Sesamum indicum L.)

Afbeelding: तिलाः
Sesamzaad.
(Bron afbeelding: Details)

Afbeelding: Sesamum indicum L.
Bloeiende sesamplant.
(Bron afbeelding: Details)

स्वर्ण n.: (kleurrijk =) goud

Afbeelding: स्वर्णम्
Gouden Tempel (Harmandir Sahib), Amritsar.
(Bron afbeelding: Details)

निकेतन n.: woonplaats, tempel

कोटि v.: punt; 10 miljoen

श्रेष्ठ 3: beste

तल m.v.: vlakte, oppervlak

ऋषभ m.: stier

Afbeelding: ऋषभः
Nandi Stier standbeeld, Chamundi-heuvels, Mysore.
(Bron afbeelding: Details)

यम् 1P यच्छति : terughouden, houden, aanbieden, verlenen

यम् + प्र 1P प्रयच्छति : uitsteken, aanbieden, afleveren
या 2P याति : lopen, rijden

कन्या v.: meisje, maagd

Les 35

नश् 4P नश्यति : verdwalen, ten onder gaan, verdwijnen

Perf. Vb ननाश, नेशुर् :br
Fut. नशिष्यति । नङ्क्ष्यति :br
causatief नाशयति :br
PPP नष्ट

नश् + प्र 4P प्रश्यति** : verdwijnen, verloren gaan, ten onder gaan

क्रम् 1U क्रामति, 4P क्राम्यति : voortgaan, lopen

Perf. Vc चक्राम, चक्रमुर् :br
Fut. क्रमिष्यति :br
Pass. क्रम्यते :br
Caus. क्रमयति :br
PPP क्रान्त :br
Inf. क्रमितुम् :br
Absol. क्रमित्वा । क्रन्त्वा । क्रान्त्वा

Afb.: क्रामन्ति
Mensen die lopen, Senegal.
(Bron: Details)

गै 1P गायति (gai + a-ti): zingen, op zangerige toon reciteren, in gebonden spraak verkondigen

Perf. IV जगौ, जगुर् :br
Fut. गास्यति :br
Pass. गीयते :br
Caus. गापयति :br
PPP गीत :br
Inf. गातुम्

waarvan:
गीता v.: lied, gezang

Afb.: जगुः
Tempelmusici in de Kaadu Malleswara-tempel in Bangalore.
(Bron: Details)

Les 36

अह् P alleen voltooid tegenwoordige tijd met betekenis van tegenwoordige tijd आह, आहुर् : zeggen, spreken

अह् प्र P alleen voltooid verleden tijd met tegenwoordige tijdbetekenis प्राह : zeggen, spreken

ईक्ष्ईक्षते : zien, (op)merken, bekijken

Perfectum ईक्षां चक्रे
Toekomst ईक्षिष्यते
Passief ईक्ष्यते
Causatief ईक्षयति
PPP ईक्षित
Infinitief ईक्षितुम्

चि 5U चिनोति : stapelen, verzamelen

Perf. चिकाय । चिचाय
Fut. चेष्यति
Pass. चीयते
Caus. चाययति । चापयति
PPP चित
Inf. चेतुम्

Afb.: गोमयं चिकाय
(Bron: Details)

व्रज् 1P व्रजति : stappen, lopen, weggaan

Perf. Vc वव्राज, वव्रजुर्
Fut. व्रजिष्यति
Pass. व्रज्यते
Caus. व्राजयति
PPP व्रजित
Inf. व्रजितुम्

व्रज् + प्र 1P प्रव्रजति : weggaan (met name uit het huis naar een leven zonder thuis als asceet = monnik worden)

अगार n.। आगार n.: huis, thuis

Afb.: अगारम्
(Bron: Details)

waarvan:

अनगार्य zn. । अनगारika v.: dakloosheid van een boeddhistische monnik of novice

Afb.: अनगार्यम्
(Afbeeldingsbron: Details)

अञ्जलि m.: De twee handen die uit eerbied hoog tegen elkaar zijn gevouwen

आदृत 3: gerespecteerd

उपाध्याय m.: leraar

पृथिवी v.: aarde

पृष्ठ n.: rug, achterkant

पृष्ठम् : achter

प्रजापति m.: Heer der schepselen, Scheppergod

अनु Voorvoegsel: naar, langs, over – heen, in de lengte, volgens, ernaartoe, achter – aan

bijv.

अनुकृ : nabootsen, nadoen

अनुगम् : iemand volgen, meelopen

अभि : naar, toe, ernaartoe, erheen, tegen, erin, met betrekking tot, op, over, aan

bijv.

अभिगम् : erheen gaan, dichterbij komen

वद् + अभि Causatief Ā अभिवादयते : formeel begroeten, aanspreken

ग्लै 1P ग्लायति : weerstand voelen, wegvloeien

Perf. IV जग्लौ
Fut. ग्लास्यति
Pass. ग्लायते
Kaus. ग्लापयति । ग्लपयति
PPP ग्लान
Inf. ग्लातुम्
Absol. -ग्लाय

घ्रा 1P जिघ्रति : iets ruiken

Perf. IV जघ्रौ
Fut. घ्रास्यति
Pass. घ्रायते
Kaus. घ्रापयति
PPP घ्रात । घ्राण
Inf. घ्रातुम्
Absol. -घ्राय

प्री 9U प्रीणति : vermaak vinden, verblijden; liefhebben, iemand genegen zijn

प्रीप्रीयते : zich verheugen

Perf. IIIa पिप्राय, पिप्रिये
Fut. प्रेष्यति
Pass. प्रीयते
Kaus. प्रीणयति
PPP प्रीत
Inf. प्रेतुम्

स्पृश् 6P स्पृशति : aanraken

Perf IIa पस्पर्श, पस्पृशुर्
Fut. स्पर्क्ष्यति । स्प्रक्ष्यति
Pass. स्पृश्यते
Kaus. स्पर्शयति
PPP स्पृष्ट
Inf. स्पर्ष्तुम् । स्प्रष्तुम्
Absol. -स्पृश्य

Afbeelding: सुगतो भूमीं पस्पर्श
(Bron afbeelding: Details)

हृष् 4P हृष्यति : stijf worden: zich verheffen (haar), zich verheugen over (Instr., Akk., Lok.)

Perf II जहर्ष
Fut. हर्षिष्यति
Pass. हृष्यते
Kaus. हर्षयति
PPP हृषित

Afbeelding: लोमहर्षः
(Bron afbeelding: Details)

स्वक 3: eigen (mijn, jouw ...) m.: lid van

Les 37

मूर्ख 3: stom, dom, dumm m. Dwaas
मुनि m.: wijze, (zwijgende) asceet

शाक्यमुनि m.: Asceet uit het geslacht van de शाक्य (Kṣatriya's uit कपिलवस्तु) = Boeddha Gautama

lekt3705.jpg

Afb.: शाक्यमुनिः
(Bron: Details)

दिन zn.: dag

वृक्ष m.: boom

lekt3706.jpg

Afb.: वृक्षः
(Bron: Details)

मुख zn.: mond, gezicht, voorste deel, begin

Les 38

सूर्य m.: zon, zonnegod Sūrya

Afb.: सूर्यः
(Afbeeldingsbron: Details)

उदक zn.: water

Afb.: उदकम्
(Bron: Details)

वा 2P वाति : waaien, blazen

Toekomst वास्यति
Voltooid IV ववौ
Passief वायते
Causatief वापयति
PPP वान । वात
Inf. वातुम्

waarvan:

वात m.: wind

वा + निस् 2P निर्वाति : waaien, wegwaaien, uitdoven

waarvan:

निर्वाण zn.: Uitdoven, Nirvana

परिनिर्वाण zn.: volkomen uitdoven, volkomen verlossing (aan het einde van het leven van een Boeddha of Arhant)

Afb.: गौतमबुद्धस्य महापरिनिर्वाणम्
(Bron: Details)

मिह् 1P मेहति : plassen, pissen, ejaculeren

Toekomstige tijd मेक्ष्यति
Voltooid verleden tijd II मिमेह, मिमिहुर्
Passief मिह्यते
Causatief मेहयति
PPP मीढ

waarvan:

मेघ m.: wolk (“Seicher”)

सुत m.: zoon

राजन् m.: koning (zie Basham, Wonder, blz. 82–94, over het koningschap in India). Als laatste deel van een samengesteld woord (met name तत्पुरुष) meestal: -राज m. (zoals देव)

Vrouwelijk:

राज्ञी v.: koningin, vrouw van een koning

van राज :

राज्य 3: koninklijk; n. koninkrijk, koningschap, heerschappij

नामन् n.: naam

सीमन् v.: grens

आत्मन् m.: zelf, eigen persoon, innerlijk wezen. Filosofisch en in verlossingsleer: het Absolute in het individu, waarvan zich het individu echter onder omstandigheden niet bewust is (v. Stietencron)

ब्रह्मन् n.: het Absolute, de Veda (volgens Thieme oorspronkelijk: de geformuleerde waarheid, waarvan ब्राह्मण "waarheidsformuleerder")

ब्रह्मन् m.: de persoonlijk gedacht scheppergod Brahmā

Afb.: ब्रह्मा
(Bron afbeelding: Details)

कर्मन् n.: tot कृ 8U: handeling, daad, werk; heilig werk, offerhandeling; karma: het eerdere doen, dat later zijn vruchten brengt (bijv. in wedergeboorte)

कर्मविपाक m.: rijpen van de daden = de goede en slechte consequenties van daden in eerdere bestaansvormen (tot वि-पच्)

हस्तिन् m.: olifant (Elephas maximus)

मनु m.: mens, man; naam van de vader van het menselijk geslacht (tot मन् 4Ā)

daarvan:

मनुष्य m.: mens

शुच् 1P शोचति : (vlammen, schijnen); treuren, betreuren

Perf II शुशोच, शुशुचुर्
Fut. शोचिष्यति
Pass. शुच्यते
Kaus. शोचयति
Inf. शुचितुम्
Absol. शोचित्वा । शुचित्वा

daarvan:

शुचि 3: schijnend, zuiver, helder

शोक m.: rouw, verdriet

अशोक 3: vrij van verdriet; asoka-boom = Saraca asoca (Roxb.) Wilde; naam van de keizer Aśoka (देवानांप्रिय प्रियदर्शी) (ca. 304 – 232 v.Chr.)

Afbeelding: अशोकवृक्षः
(Bron afbeelding: Details)

Afbeelding: अशोकसाम्राज्यम्
(Bron afbeelding: Details)

Les 40

पात्र n.: Eerbiedwaardige, Meester, Verdienstvolle

मेधा f.: Wijsheid, Verstand, Gedachte

पुस्तक m.n.: Manuscript, Boek

कॢप्कल्पते : in juiste volgorde zijn, passen bij (Lok.) ; zich vormen, ontstaan ; besluiten tot, zich neerleggen bij (Dativ)

Perf. II चकॢपे facultatief अनिट्
Fut. कल्पिष्यते । कल्प्स्यते
Kaus. कल्पयति : in orde brengen, creëren, in de verbeelding vormen, zich inbeelden
PPP कॢप्त
Inf. कल्पितुम् । कल्प्तुम्

daarvan:

कल्पना f.: Het vormen in gedachten, het aannemen van iets dat niet bestaat in de werkelijkheid, fictie

कॢप् + वि Kaus. विकल्पयति : (zich verschillend voorstellen =) ter discussie stellen, betwijfelen

daarvan:

विक्ल्प m.: Alternatief, twijfel

तुद् 6U तुदति : slaan

Perf. II तुतोद, तुतुदुर्
Fut. तोत्स्यति
Pass. तुद्यते
Kaus. तोदयति
PPP तुन्न (tud + na)
Inf. तोत्तुम्

तॄ 1P तरति : oversteken, overschrijden, zich redden voor iemand (Akk. = iemands oversteken)

Perf. IIIb ततार, ततरुर् । तेरुर्
Fut. तरिष्यति । तरीष्यति
Pass. तीर्यते
Kaus. तारयति
PPP तीर्ण
Inf. तरितुम् । तरीतुम्

daarvan:

तीर्थ n.: Ford, heilige badplaats, pelgrimsoord

lekt4003.jpg

Afbeelding: हरिद्वारे तीर्थम्
(Bron afbeelding: Details)

तीर्थङ्कर m. (uit: तीर्थम्+ कृ): oversteekmeester (over het lijden heen) = de 24 leraren van de Jaina

lekt4002.jpg

Afbeelding: तीर्थङ्करः
(Bron afbeelding: Details)

अव Präverb.: neer-, afwaarts, weg-, af-

तॄ + अव 1P अवतरति : neerdaalen

daarvan:

अवतार m.: (neerdaaler, neerdaling) inkarnatie van een god, vooral Viṣṇus 10 inkarnaties (zie Basham, Wonder blz. 304 - 309)

lekt4001.jpg

Afbeelding: विष्णोर्दशावताराः
(Bron afbeelding: Details)

स्वप् 2P स्वपितिस्वपन्ति : slapen, zich neerleggen om te slapen

Impf. अस्वपीत् । अस्वपत्
Perf. सुष्वाप, सुषुपुर्
Fut. स्वप्स्यति
Pass. सुप्यते (uit *svp-ya-te)
Kaus. स्वापयति
PPP सुप्त
Inf. स्वप्तुम्

daarvan:

स्वप्न m.: slaap, droom

सुप्ति f. (uit *svp-ti): slaap, vooral diepe slaap

lekt4004.jpg

Afbeelding: स्वपन्ति
(Bron afbeelding: Details)

Les 41

मूर्ख m = मूढ भुजङ्ग m.: slang

lekt4105.jpg

Afbeelding: भुजङ्गः
(Bron afbeelding: Details)

केवलम् Adv.: alleen, uitsluitend, volledig

विष n.: gif

lekt4104.jpg

Afbeelding: भुजङ्गस्य विषम्
(Bron afbeelding: Details)

शास् 2P शास्ति : terechtwijzen, beheersen, bevelen, onderwijzen

heeft de zwakke tegenwoordige-stam शिष् : शिष्मस्, de 3. mv. Tegenwoordige Tijd heeft echter een sterke stam: शासति (!! uitgang -ati) naast af en toe शासन्ति. अशासुर्. Ook het gehele आत्मनेपद heeft, voor zover het voorkomt, de sterke stam: शास्ते

Perfectum I शशास, शशासुर्
Toekomende Tijd. शासिष्यति
Passief -शास्यते । शिष्यते
PPP शिष्ट : onderwezen, wijs
Infinitief शासितुम्
Absolutief -शिष्य -शास्य

daarvan:

शासना v.: koninklijk edict, leer, religie

lekt4109.jpg

Afb.: शासना
(Bron afbeelding: Details)

शास्त्र o.: leer, leergang

शास्त्रिन् m.: geleerd, geleerde

lekt4110.jpg

Afb.: शास्त्री
(Bron afbeelding: Details)

शिष्य 3: te onderwijzen = leerling

शरण 3: beschermend, schattend ; o. bescherming, toevlucht, het zich tot iets wenden

सङ्घ o.: (tot सम्-हन् : samen-slaan): schare, hoop, gemeenschap (bijv. boeddhistisch)

कन्या v.: jong meisje, dochter, maagd

अति voorvoegsel: over, voorbij-, verder dan (in ruimte, in tijd, in aantal, in hoeveelheid, in volgorde, in macht, in intensiteit), uiterst

+ अति 2P अत्येति : voorbijgaan

PPP अतीत : o. verleden tijd

Les 42

प्रकृति v.: (tot कृ + प्र) grondvorm, natuurlijke staat, natuur; oerstof, element

अर्जुन m. eigennaam: Arjuna, een van de vijf zonen van पण्डु. Held in het महाभारत (zie Basham, Wonder blz. 409 - 414)

स्था + अवअवतिष्ठते : zich onthouden van, afstand nemen van, zich afzijdig houden, blijven staan

PPP अवस्थित 3: staande, zich bevindend

पुरा Adv.: eens, vroeger

अनेक 3: veel (niet een paar)

कुमार m.: prins

दूत m.: boodschapper, gezant

इष् (1,4,9) Kaus. इषयति : sturen

सकाश m.: aanwezigheid, tegenwoordigheid

शर m.: pijlsteel, pijl

बाण m.: pijl, doel

ज्ञा + प्रति 9U प्रतिजानाति : goedkeuren, beloven; Ā: antwoorden, bevestigen, beweren, erkennen

चल् 1P चलति : in beweging komen

Fut. चलिष्यति
Perf. Vb चचाल, चेलुर्
Pass. चल्यते
Kaus. चलयति । चालयति
PPP चलित
Absol. -चल्य
Inf. चलितुम्

अधिपति m. = राजन् आटोप m.: ijdelheid, trots

चिन्तापर 3: in gedachten verdiept

अन्तरे Adv.: ondertussen

लीला f.: grappen, spel

यावत् Adv.: hoe lang, gedurende

तावत् Adv.: zo lang

द्विधा । द्वेधा Adv.: tweeledig, in twee delen

शंस् 1P शंसति : prijzen, gebieden

Fut. शंसिष्यति
Perf. I शशंस
Pass. शस्यते
Kaus. शंसयति
PPP शस्त
Absol. शसित्वा । शस्त्वा
Inf. शंसितुम्

हृदय n.: hart

42.2.1. Enkele verwantschapsaanduidingen

lekt4202.jpg

Afb.: माता, पिता, पुत्रकः
(Bron afbeelding: Details)

भर्तृ m. (van भृ "dragen, onderhouden"): onderhoudster, voederaar, echtgenoot

भार्या f., जाया f. पत्नी f.: echtgenote (भार्या = gerundivum van भृ : te dragen, te onderhouden, onderhoudsgerechtigde)
पितृ m.: vader

पितृ m. meervoud: de overleden mannelijke voorouders, d.w.z.

  1. vader, grootvader, overgrootvader
  2. de voorvaderen van de mensheid

Voor beiden worden rituelen uitgevoerd, de zogenaamde श्राद्ध n. Dagelijks worden aan drie mannelijke voorouders (aan vaderszijde en aan moederszijde) water en bij bepaalde gelegenheden rijstballetjes of meelballetjes (पिण्ड m. „balletjes”) aangeboden. Zo moeten de voorouders voedsel krijgen. Het uitvoeren van deze ceremonie is een van de redenen waarom een man een zoon moet verwekken. Degenen die door dit पिण्ड-offer met elkaar verbonden zijn, worden सपिण्ड genoemd (die पिण्ड gemeen hebben). सपिण्ड omvat zes generaties: drie terug in de tijd (tot aan de overgrootvader) en drie vooruit (tot aan de achterkleinzoon).

तात m.: vader

मातृ v.: moeder

पुत्र m.: zoon

दुहितृ v. सुता v.: dochter

नप्तृ m.: kleinzoon

भ्रातृ m.: broer

स्वसृ v., भगिनी v.: zus

देवृ m.: broer van de echtgenoot (zwager van de vrouw)

यातृ m.: echtgenote van de broer van de echtgenoot

ननान्दृ v.: zus van de man

श्वसुर v.: schoonvader (vroeger: alleen van de vrouw)

श्वस्रू v.: schoonmoeder (declinatie volgt later)

मातुल m.: broer van de moeder (oom van moederszijde)

मातुलानी v.: Echtgenote van de broer van de moeder (vrouw van de broer van de moeder)

पितृव्य m.: Broer van de vader (oom van vaderskant)

पितामह m.: grootvader van vaderskant

पितामही v.: grootmoeder van vaderskant

मातामह m.: grootvader van moederszijde

मातामही v.: grootmoeder van moederszijde

Les 43

ज्ञा + Kausativ आज्ञापयति : bevelen, aanorden

आपण m.: markt

Afb.: आपणः
(Bron: Details)

सत्वर 3: snel, haastig

पण्य 3: koopbaar; n.: goed, handel

Afb.: पण्यानि
(Bron: Details)

आम् : ja

सम m. = वर्ष n.

-आयुत 3: voorzien van

भद्र 3: goed, gelukkig; vocatief: mijn lieve!

समय m. (tot सम्-): overeenkomst, contract, termijn, datum, tijd

निश्चित 3: besloten, vastgesteld

नोचेत् : indien niet, anders

विलम्ब n.m.: vertraging, uitstel

विपणि f.: winkel, kraam

Afb.: विपणिः
(Bron: Details)

वणिज् m.: koopman

Afb.: वणिक्
(Bron: Details)

वर 3: beste

शीघ्र 3: snel, vlug

वत्स m.: kalf, jong, kind; voc.: mijn lieve

Afb.: वत्सः
(Bron: Details)

उत्तम 3: hoogste, beste

अल्प 3: klein, gering

मूल्य n.: waarde, prijs

कियत् 3: hoe groot

शर्करा f.: suiker (het Duitse "Zucker" gaat via het Italiaanse zucchero, daarvandaan via het Arabische sukkar - سكر en Perzisch šäkär - شکر terug op het Sanskriet शर्करा!)

अधिक 3: extra, overtollig, buitengewoon

तर्हि : destijds, toen; daarom, dus

तुल् 10 तुलयति । तोलयति : wegen

Afb.: तोलन्ति
(Bron: Details)

कर्गल n.: papier

संपुट m.: blik (hier: pakket, bundel)

पुरतस् : vooraan, ervoor, voor

श्रेष्ठिन् m.: rijke koopman

जव 3: snel, haastig

द्रु 1P द्रवति rennen

Perf. IIIa दुद्राव, दुद्रुवुर्
Fut. द्रोष्यति
Pass. द्रूयते
Kaus. द्रावयति
PPP द्रुत
Absol. -द्रुत्य
Inf. द्रोतुम्

रे interjectie: He! Jij daar!

अन्यद् 3: een andere (declinatie zoals यद् )

वञ्चक m.: bedrieger

पश्चात्ताप m.: berouw

इत्थम् adv.: op deze manier, zo

दिन n.: dag

जन्मन् n.: geboorte

आनन्द m.: zaligheid, vreugde

Les 44

प्रति prefix: terug, tegenover, naar - toe

bijv.

हन् + प्रति 2P प्रतिहन्ति : terugslaan

वद् + प्रति 1P प्रतिवदति : terugspreken = antwoorden

ख्या + प्रति + 2P प्रत्याख्याति : afwijzen, verachten

या 2P याति : gaan, rijden

Perf. IV ययौ
Fut. यास्यति
Pass. यायते
Kaus. यापयति
PPP यात
Inf. यातुम्

daarvan:

यान n.: gaan, weg, voertuig

Afb.: रेल्यानम्
(Bron afbeelding: Details)

शीशेते : liggen. Deze wortel heeft in alle vormen van de tegenwoordige stam Hoge graad: 1.sg.Ind.Tegenw.Ā शेये (śe + e). Volgende vormen zijn bijzonder om te onthouden: 3.pl.Ind.Tegenw.Ā शेरते, 3.pl.Imp.Tegenw.Ā अशेरत

Perf. IIIa शिश्ये (śi-śī + e)
Fut. शयिष्यते
Kaus. शापयति
PPP शयित
Inf. शयितुम्

daarvan:

शयन n.: ligplaats, bed

Afb.: योगी शयने शेते
(Bronvermelding: Details)

नन्द् 1P नन्दति : zich verheugen in (तृतीयया)

Perf. I ननन्द
Fut. नन्दिष्यति
Pass.: नन्द्यते
Kaus. नन्दयति
PPP नन्दित
Inf. नन्दितुम्
Absol. -नन्द्य
Gerundivum नन्द्य

daarvan:

नन्दिन् 3: gekenmerkt door (speciale) vreugde, vrolijk ; m. naam van het rijdier (वहन) van de शिव (een stier)

Afbeelding: नन्दी
(Bron afbeelding: Details)

नन्द् + अभि 1P (1Ā)  अभिनन्दति : zijn vreugde hebben in (द्वितीयया), iemand vrolijk begroeten, welkom heten

यम् 1P यच्छति : houden, dragen ; aanbieden, verlenen ; bijeenhouden, temmen, teugelen, overwinnen

Perf. Vb ययाम, येमुर्
Fut. यंस्यति
Pass. यम्यते
Kaus. यामयति maar: नियमयति
PPP यत
Inf. यन्तुम्
Absol. -यम्य

यम् + 1U आयच्छति : rekken, uitstrekken

PPP आयत 3: lang uitgestrekt

Afbeelding: आयतो मरुः
(Bron afbeelding: Details)

यम् + प्र 1P प्रयच्छति : aanbieden, presenteren, overhandigen

यम् + सम् 1P संयच्छति : samenbinden, vastbinden, temmen

यत्यतते : streven naar (सप्तमी, चतुर्थी, द्वितीया)

Perf. Vb येते
Fut. यतिष्यते
Pass. यत्यते
Kaus. यातयति
PPP यत्त
Inf. यतितुम्

daarvan:

यत्न m.: inspanning, moeite

Afbeelding: यत्नेन
(Bron afbeelding: Details)

रभ्रभते (variant op लभ्): vatten, grijpen

Perf. Wv रेभे
Fut. रप्स्यते
Pass. रभ्यते
Kaus. रम्भयति
PPP रब्ध
Inf. रब्धुम्
Absol. -रभ्य

रभ् + आरभते : aanraken, beginnen, ondernemen

प्रव्रज्या v. (van प्र-व्रज्): het verlaten van huis en haard ten behoeve van de dakloosheid; ceremonie waarbij men boeddhistisch novice wordt (Pali: पब्बजा)

Afbeelding: प्रव्रअज्या / पब्बजा
(Bron afbeelding: Details)

Les 45

वा ... वा : ofwel ... of

Les 46

सम 3: gelijk, juist, vergelijkbaar

daarvan:
समम् Adv.: op gelijke wijze, tegelijk (तृतीयया), gelijkmatig
समता v.: gelijkmoedigheid
विषम 3: ongelijk, oneffen, kwaadaardig

ग्रह् 9U गृह्णाति (gṛh-ṇā-ti) : grijpen, vatten

Perf Va (!) जग्राह, जगृहुर्
Fut. ग्रहीष्यति
Pass. गृह्यते
Kaus.ग्राहयति
PPP गृही
Inf. ग्रहितुम्
Absol. -ग्राह्य
daarvan:
ग्रह m.: grijpen, grijper, krokodil, wandelende ster
नवग्रह m.: de negen wandelende sterren (geen planeten!) (zie Basham, Wonder blz. 493):

  1. सूर्यः = Zon
  2. चन्द्रः = Maan
  3. मङ्गलः = Mars
  4. बुधः = Mercurius
  5. बृहस्पतिः = Jupiter
  6. शुक्रः = Venus
  7. शनिः = Saturnus
  8. राहुः
  9. केतुः

Zie voor राहु en केतु:

Payer, Alois (1944–): Dharmashastra : Inleiding en overzicht. -- 10. Sacramenten en overgangsrituelen (samskara). -- Aanhangsel C: Rahu en Ketu, de onzichtbare wandelende sterren . -- URL: http://www.payer.de/dharmashastra/dharmash10c.htm

तुष् 4P तुष्यति : tevreden zijn, genoegen nemen met (षष्ठ्या, चतुर्थ्या, तृतियया, सप्तम्या)

Perf. II तुतोष, तुतुषुर्
Fut. तोक्ष्यति
Pass. तुष्यते
Kaus. तोषयति
PPP तुष्ट
Inf. तोष्टुम्

नम् 1P नमति : buigen, zich buigen, neigen, zich buigen

Perf. Vb ननाम, नेमुर्
Fut. नंस्यति
Pass. नम्यते
Kaus. नमयति । नामयति
PPP नत
Inf. नन्तुम्

रुह् 1P रोहति : beklimmen, bestijgen

Perf. II रुरोह, रुरुहे
Fut. रोक्ष्यति
Pass. रुह्यते
Kaus. रोहयति । रोयति
PPP. रूढ
Inf. रोढुम्

ह्वे । हू 1U ह्वयति : roepen, aanroepen

Perf. IIIa जुहाव, जुहुवे
Fut. ह्वास्यति
Pass. हूयते
Kaus. ह्वाययति
PPP हूत
Inf. ह्वातुम्
Absol. -हूय

1 महामात्र m. "Olifantendrijver"; चरिष्णु 3 "beweeglijk", दूरशब्द m. "telefoon, intercom" » चरिष्णुदूरशब्द "mobiele telefoon" (woordvorming: A. Payer)

विभ्रम m.: het heen en weer gaan

भ्रंश m.: het afvallen

श्रम् 4P श्राम्यति : zich inspannen, moe worden

Perf. Vc शश्राम, शश्रामुर्
Fut. श्रमिष्यति
Pass. श्रम्यते
Kaus. श्रमयति । श्रामयति
PPP श्रान्
Inf. श्रमितुम्
Absol. श्रमित्वा । श्रान्त्वा
daarvan:
आश्रम m.n.

Afbeelding: श्रान्तः
(Bron afbeelding: Details)

श्रि 1U श्रयति : leunen, zich aanleunen, steun vinden, naar iemand toe gaan (द्वितीयया, सप्तम्या)

Perf. IIIa शिश्राय, शिश्रिये
Fut. श्रयिष्यति
Pass. श्रीयते
Kaus. श्राययति
PPP श्रित
Inf. श्रयितुम्

सञ्ज् 1P सजति : hechten, zich vasthechten aan (सप्तम्या)

Perf. I ससञ्ज, ससञ्जुर्
Fut. संक्ष्यति
Pass. सज्यते
Kaus. सञ्जयति
PPP सक्त
Inf. संक्तुम्
daarvan:
सङ्ग m.: het vasthechten aan, contact met (तृतीयया)

Afbeelding: सङ्गः
(Bron afbeelding: Details)

द्रु 1P द्रवति : lopen, haasten

Perf. IIIa (अनिट्) दुद्राव, दुद्रुवुर्
Fut. द्रोष्यति
Pass. द्रूयते
Kaus. द्रावयति
PPP द्रुत
Inf. द्रोतुम्
Absol. -द्रुत्य

भ्रम् 1P भ्रमति । 4Pभ्राम्यति : dwalen, zwerven

Perf. Vc बभ्राम, बभ्रमुर् । Vb भ्रेमुर्
Fut. भ्रमिष्यति
Kaus. भ्रमयति
PPP भ्रान्त
Inf. भ्रमितुम्
Absol. -भ्रम्य
daarvan:
विभ्रम m.: dwalen, verwarring, dwaling

लम्ब्लम्बते : hangen aan (सप्तम्या), hangen van (सप्तम्या)

Perf. I ललम्बे
Fut. लम्बिष्यते
Pass. लम्ब्यते
Kaus. लम्बयति
PPP लम्बित
Inf. लम्बितुम्
Absol. -लम्ब्य

लम्ब् + आलम्बते : zich hangen aan (द्वितीयया)

यदि voegwoord: als

भू + परि 1P परिभवति : omsingelen, beheersen, verslaan

PPP परिभूत 3: verslagen, vernederd, neergeslagen

नि voorzetsel: naar beneden, omlaag, binnenin, achteruit

bijv.
सद् + नि 1P निषीदति : zich neerzetten

भोस् vocatiefdeeltje: aanroep, bijv.: hey, heda, oh, ei, hallo, hi! vaak niet te vertalen. Dit deeltje heeft een speciale sandhi: voor alle stemhebbende medeklinkers luidt het भो.

Afb.: भोः
(Bron afbeelding: Details)

Les 48

श्वस् : morgen

अद्य : vandaag

लघु 3: licht (niet zwaar, niet moeilijk), snel, kort (in uitdrukking)

व्याकरण n.: grammatica (zie व्याकृ)

तन्त्र n.: snaar ; weefgetouw, kettingdraad, weefsel ; grondslag, norm, regel ; leer, handboek ; tantra ; toverformule ; middel, truc, geneesmiddel ; regering, autoriteit

Afb.: तन्त्रम्
Sualkuchi = সুৱালকুচি, Assam = অসম
(Bron afbeelding: Details)

Afb.: तन्त्री
Sitar-speler = सितारवादकः
(Bron afbeelding: Details)

स्त्री f.: vrouw, echtgenote ; femininum

Deklinatie:

स्त्री f.एकवचनम्बहुवचनम्
प्रथमास्त्रीस्त्रियस्
द्वितीयास्त्रियम्
स्त्रीयम्
स्त्रियस्
स्त्रीस्
तृतीयास्त्रियास्त्रीभिस्
चतुर्थीस्त्रियैस्त्रीभ्यस्
पञ्चमीस्त्रियास्स्त्रीभ्यस्
षष्ठीस्त्रियास्स्त्रीणाम्
सप्तमीस्त्रियाम्स्त्रीषु
आमन्त्रितम्स्त्रिस्त्रियस्

Afb.: स्वतन्त्राः स्त्रियः
Zelfhulpgroep (SHG), Tamil Nadu = தமிழ்நாடு
(Bron afbeelding: Details)

दिवानिशम् Adverb: overdag en 's nachts

सज्ज् 1P सज्जति : hangen, hechten

कुमार m.: kind, jongeman, prins; bijnaam van कार्तिकेय / Murugan = முருகன் = മുരുകന്‍ / Subrahmanya = ಸುಬ್ರಹ್ಮಣ್ಯ

Afbeelding: कुमारः
Thaipusam-feest = தைப்பூசம், Batu Caves, Maleisië
(Bron afbeelding: Details)

कुमारी v.: meisje, dochter

Afbeelding: कुमारी नेपाल
(Bron afbeelding: Details)

कौमर n.: kindertijd

यौवन n.: jeugd

स्थविर 3: oud, bejaard

Afbeelding: स्थविराः जोधपुर
(Bron afbeelding: Details)

स्थाविर n.: (hoog) bejaard zijn

वाच्य 3: ook: berispenswaardig

सूक्ष्म 3: fijn, klein, subtiel

Afbeelding: सूक्ष्मम्
Karanji-meer = ಕಾರಂಜಿ ಕೆರೆ
(Bron afbeelding: Details)

प्रसङ्ग m.: gehechtheid, neiging ; gelegenheid

विशेष m.: verschil, bijzonderheid

प्रसूति v.: geboorte, nakomelingschap

चरित्र n.: gebruik, gewoonte, gewoonterecht ; gedrag

जाया v.: echtgenote

Afbeelding: मम जाया
(Afbeelding: Payer)
(Bron afbeelding: Details)

Les 49

दीर्घ 3: lang

ह्रस्व 3: kort

आयुस् n.: levensduur (de volledige levensduur die men kan leven, als er niets tussenkomt) ;

daarvan:

आयुर्वेद m.: het traditionele Indiase medische systeem

zie:

Carakasaṃhitā: Geselecteerde teksten uit de Carakasaṃhitā / vertaald en toegelicht door Alois Payer (1944–). -- 0. Inleiding. -- URL: http://www.payer.de/ayurveda/caraka0001.htm

क्षिप् 6P क्षिपति : werpen, slingeren

Perf. II चिक्षेप, चिक्षेपिथ, चिक्षिपुर्
Fut. क्षेप्स्यति
Pass. क्षिप्यते
Kaus. क्षेपयति
PPP क्षिप्त
Inf. क्षेप्तुम्
Absol. -क्षिप्य
Gerundiv: क्षेप्य

त्वर्त्वरते : haasten

Perf. Vc तत्वरे
Fut. त्वरिष्यते
Pass. त्वर्यते
Kaus. त्वरयति
PPP त्वरित । तू्र्
Inf. त्वरितुम्

द्रुह् 4P द्रुह्यति : schaden

Perf. II दुद्रोह, दुद्रुहुर्
Fut. द्रोहिष्यति । ध्रोक्ष्यति
Pass. द्रुह्यते
Kaus. द्रोहयति
PPP द्रुग्ध । द्रूढ
Inf. द्रोग्धुम्

कुलूहल n.: nieuwsgierigheid, interesse

Afb.: कुलूहलम्
(Bron afbeelding: Details)

कृत्स्न 3: heel, volledig

परिचय m.: kennismaking

कला f.: kunst

Afb.: उत्तमा काला शिवो नटराजा, 11e eeuw
(Bron afbeelding: Details)

वर m.n.: wens

उत Indekl.: en, ook, of

विहंग m.: vogel ("in de luchtस्droom - विह - gaand")

Afb.: विहंगः
(Bron afbeelding: Details)

वेष m.: kleding, uiterlijk, voorkomen

Afb.: वेषः वाराणस्याम्
(Bron afbeelding: Details)

छन्न n.: deken, schuilplaats

पञ्जर n.: kooi

Afb.: पञ्जरम्
Waarzegger met papegaai in kooi: de papegaai trekt briefjes waarop het lot staat Mysore
(Bron afbeelding: Details)

चाण्डाल । चण्डाल m.: laagste stand van Dalits

स्वयम् Indekl.: zelf, vanzelf

अवनि f.: aarde

मुहूर्त m.,n.: ogenblik, moment, juist oogenblik

ध्यै 1P ध्यायति : zich voorstellen, denken

Perf. IV दध्यौ
Fut. ध्यास्यति
Pass. ध्यायते
Kaus. ध्यापयति
PPP ध्यात
Inf. ध्यातुम्
Gerundiv ध्येय

आदर m.: rekening, aandacht, respect

Afb.: सादरः
Amritsar = ਅੰਮ੍ਰਿਤਸਰ
(Bron afbeelding: Details)

कुतुक n. = कुलूहल n.

परम 3: verste, hoogste ; पञ्चम्या : beter dan, hoger dan

शिशु m.: kind, jong

Afb.: गजशिशुः
Sri Lanka
(Bron afbeelding: Details)

Les 50

ध्रुव 3: vast, onveranderlijk

निषेक m.: besprenkeling, bevruchting, vloeistof, ejaculaat, ceremonie bij de verwekking

पण्डित 3: verstandig, wijs, geleerd

मन् + अवअवमन्यते : verachten, minachten

मन्त्रिन् 3: raadgevend ; m.: adviseur, raadheer, minister

Afb.: मन्त्री
Kapil Sibal (1948 -), unie-minister bij het Ministerie van Wetenschap en Technologie en het Ministerie van Aardwetenschappen (sinds 2006)
(Bron afbeelding: Details)

रहस् n.: geheim, eenzaamheid

रिष् 1P रिषति 4P रिष्यति : beschadigd worden, mislukken, beschadigen

Perf. II रिरेष, रिरिषुर्
Fut. रेषिष्यति
Pass. रिष्यते
Kaus. रेषयति
PPP रिष्ट

लुप् 6U लुम्पति : breken, vernietigen

Perf. II लुलोप, लुलुपे
Fut. लोप्स्यति
Pass. लुप्यते
Kaus. लोपयति
PPP लुप्त
Inf. लोप्तुम्
Gerundivum लुप्य । लोप्य

विधि m.: ook: lot (verwant met विधा)

वृष् 1P वर्षति : regenen (meestal met een कर्तृ -- een god of een wolk)

Perf. II ववर्ष, ववृषुर्
Fut. वर्षिष्यति
Pass. वृष्यते
Kaus. वर्षयति
PPP वृष्ट
Inf. वर्षितुम्
Absol. वर्षित्वा । वृष्ट्वा
Absol.-वृष्य

Afbeelding: महामेघो वर्षिष्यति
Aankomst van de moesson, Bangalore ಬೆಂಗಳೂರು
(Bron afbeelding: Details)

संयक् Adv.: juist, waarachtig, op de behoorlijke manier ; volkomen, volledig

आदित्य m.: zon ; mv.: Āditya : een bepaalde klasse van goden

Afbeelding: आदित्यः
(Bron afbeelding: Details)

सर्व 3: elke, alle

Vervoeging zoals यद् (uitzondering: Nom.Akk.sg.Neuter)

Enkelvoud
एकवचनम्
Meervoud
बहुवचनम्
Maskulinum
पुंस्
Neutrum
नपुंसकम्
Femininum
स्त्री
Maskulinum
पुंस्
Neutrum
नपुंसकम्
Femininum
स्त्री
1. Nominatief
. प्रथमा
सर्वस्सर्वम्सर्वासर्वेसर्वाणिसर्वास्
2. Accusatief
. द्वितीया
सर्वम्सर्वम्सर्वाम्सर्वान्सर्वाणिसर्वास्
3. Instrumentalis
. तृतीया
सर्वेणसर्वयासर्वैस्
4. Dativ
. चतुर्थी
सर्वस्मैसर्वस्यैसर्वेभ्यस्
5. Ablatief
. पञ्चमी
सर्वस्मात्सर्वस्यास्सर्वेभ्यस्
6. Genetief
. षष्ठी
सर्वस्यसर्वस्यास्सर्वेषाम्
7. Lokatief
. सप्तमी
सर्वस्मिन्सर्वस्याम्सर्वेषु

वै : partikel dat het voorgaande woord benadrukt: waarlijk, inderdaad, maar

इह Bijwoord: hier, hier op aarde, hierheen; nu. Voor zelfstandige naamwoorden in de locatief (षष्ठी) synoniem met अस्मिन्, अस्याम् कल्प m: statuut, gewoonte, ritueel; wereldperiode (zie कॢप्)

कल्याण 3 (v.: कल्याणी) :mooi

Afb.: कल्याणी
(Bron: Details)

कु- : als eerste deel van samengestelde woorden: slecht

Afb.: कुनगरम् धारावी, मुंबई
(Bron: Details)

चक्ष्चष्टे 2.pl. Ā चड्ढ्वे : zien

Perf. चचक्षे
wordt in de overige tijden niet gebruikt

चक्ष् + प्रप्रचष्टे : vertellen, beschouwen als, noemen

देश m.: plaats, locatie, land, streek

Les 51

अजिन n.: antilopenvacht, met name de vacht van de zwarte antilope (hertgeitantilope: Antilope cervicapra L.). Kwam oorspronkelijk voor op het hele Indiase subcontinent, van Punjab en Sind tot Bengalen en van Nepal tot Kanyakumari (Kaap Comorin) (Tamil: கன்னியாகுமரி). Zie:

Walker's mammals of the world / Ronald M. Nowak. -- 6e druk -- Baltimore [e.a.] : Johns Hopkins Univ. Pr., 1999. -- 2 delen -- ISBN 0-8018-5789-9. -- Deel 2. -- blz. 1193 e.v.

Afb.:
(Bron: Details)

अतिथि m.: gast

अभ्यन्तर 3: zich binnen bevindend, volgende ; m. de naaste verwant, inwoner
अरण्य zn.: wildernis, bos

ऋतु m.: periodiek proces, seizoen, tijdsperiode, menstruatie, tijd waarin de vrouw vruchtbaar is en recht heeft op geslachtsgemeenschap met haar echtgenoot.

Zie voor ऋतु Manu III, 45-48: volgens deze tekst duurt ऋतु 16 dagen (volgens de alternatieve vertaling: 20 dagen) vanaf het begin van de menstruatie; gedurende de eerste vier dagen na het begin van de menstruatie is geslachtsgemeenschap verboden (volgens de alternatieve vertaling: gedurende de eerste acht (4 + 4) dagen), evenals op de 11e (resp. 15e) en 13e (resp. 18e) dag. Op even dagen krijgt de vrouw zonen, op oneven dagen dochters. Voor het volgende wordt uitgegaan van een ऋतु van in totaal 16 dagen (niet de alternatieve vertaling), zoals ook de meeste inheemse commentaren doen, en wat dus de heersende opvatting is geweest.

Aangezien de eisprong 14 dagen vóór het begin van de menstruatie plaatsvindt, is bij deze bepaling van de vruchtbare periode vruchtbaarheid bijna „gegarandeerd” bij een interval tussen menstruaties van 19 tot 30 dagen. De verboden dagen (11e en 13e) vergroten de kans op geslachtsgemeenschap op de 12e en 14e dag, d.w.z. de kans op bevruchting bij een cyclus van 28 dagen (de levensduur van de zaadcellen in de vrouw bedraagt ca. 3 dagen). Deze bepalingen zijn als het ware een positief gebruik van de Knaus-Ogino-methode.

Afb.: ऋतुः
(Bron: Details)

एकत्र Adv.: op één plaats

जटा v.: vlecht (kapsel van de asceet)

Afbeelding: जटा ऋषिकेश
(Bron afbeelding: Details)

तुल्य 3: gelijk, vergelijkbaar (तृतीयया)

तरय 3 (v.: तरयी): drievoudig, uit drie delen bestaand

प्राणान्तिक 3 (v.: -ī): dodelijk, dood brengend, levenslang

बाह्य 3: buiten, zich bevindend aan de buitenkant, vreemd

भिक्षा v.: bedeld aalmoes, bedelmaaltijd

मार्यादा v.: grens

शिष् 7P शिनष्टि : verlaten, achterlaten

Perf.II शिशेषे, शिशिषुर्
Fut. शेक्ष्यति
Pass. शिष्यते
Kaus. शेषयति
PPPशिष्ट
Absol. -शिष्य

शिष् + वि 7P विशिनष्टि : onderscheiden

Pass. विशिष्यते : zich onderscheiden van (पञ्चम्या, तृतीयया), beter zijn dan (पञ्चम्या, तृतीयया), de beste zijn onder (षष्ठ्या, सप्तम्या)

समान 3: gelijksoortig, gelijk, vergelijkbaar ; m.: leeftijdgenoot

स्व 3: eigen, van iemand (mijn, jouw etc.) Wordt gedeclineerd zoals सर्व. In Abl.Lok.sg.m.n en in Nom.pl.m kan het ook worden gedeclineerd zoals देव:

Abl.sg.m.n स्वस्मात् । स्वात्
Lok.sg.m.n. स्वस्मिन् । स्वे
Nom.pl.m स्वे । स्वास्

गर्ह्गर्हते 10P गर्हयति : schelden, berispen

Perf I जगर्हे
Fut. गर्हिष्यते
PPP गर्हित

पिशित n.: (voorbereid) vlees

Afbeelding: पिशितम्
Kolkata = কলকাতা
(Bron afbeelding: Details)

उपहार m.: offerande, offert, geschenk

मधु n.: honing, zoete drank, met (honingwijn)

Afbeelding: मधु
City Palace, उदयपुर
(Bron afbeelding: Details)

मांस n.: Vlees

मृगया f.: Jacht

Afb.: मृगया
Jacht met चीता (Acinonyx jubatus venaticus) Gujarat = ગુજરાત, 1812
(Bron afbeelding: Details)

शिवा f.: (vrouwelijke) jakhals (gouden jakhals = Canis aureus)

Afb.: शिवा
Canis aureus, Kalatop Khajjiar Sanctuary
(Bron afbeelding: Details)

रुत n.: Geschreeuw

कौशिक m.: Uil

Afb.: कौशिकः
Brahma-uil (Athene brama), Mahesana = મહેસાણા
(Bron afbeelding: Details)

शकुनि m.: Vogel

श्वन् m.: Hond

sterke stam श्वान्
zwakke stam voor klinker सुन्
zwakke stam voor medeklinker श्व

Afb.: श्वा लिङ्गं च
Karnataka = ಕರ್ನಾಟಕ
(Bron afbeelding: Details)

परिचित 3: vertrouwd, bekend

अटवी f.: Woud

शून्य 3: leeg, woest

आपान() n.: Feestmaal

Afb.: आपानकम् जोधपुर
(Bron afbeelding: Details)

क्रूर 3: rauw, wreed

दिह् 2U देग्धि, दिग्धे : besmeren, insmeren

Perf. II दिदेह
Fut. धेक्ष्यति
Pass. दिह्यते
Kaus. देहयति
PPP दिग्ध

विष n.: Gif

Afb.: मूषिकाविषाणि
Bangalore = ಬೆಂಗಳೂರು
(Bron afbeelding: Details)

भुजंग m.: Slang

Afb.: भुजंगः
Ketenviper (Daboia russelii), Bangalore = ಬೆಂಗಳೂರು
(Bron afbeelding: Details)

सायक m.: pijl

उत्साद m.: ondergang, verlies

कलत्र Neutrum: vrouw, wijfje

बन्दी f.: gevangene, buit

योषित् f.: jonge vrouw, meisje

शार्दूल m. = व्याघ्र m.

रुधिर n.: bloed

अर्चन n. अर्चना f. = पूजा f.

बलि m.: afgifte, offergave, tribut

मणि m.: juweel

Afb.: मणिः
Hope Diamond uit Guntur = గుంటూరు, thans Smithsonian Museum of Natural History, Washington DC
(Bron afbeelding: Details)

वन n.: bos, woud

मद m.: ook "muskus" van een olifant (in Musht)

Afb.: मदः
(Bron afbeelding: Details)

राग m.: ook: kleur, rode kleur

कालन n.: bos, woud

खन् 1U खनति : graven

Perf. चखान, चखने
Fut. खनिष्यति
Kaus. खानयति
PPP खात
Absol खनित्वा । खात्वा

चिन्त् 10 चिन्तयति : denken, overwegen

शबर .: eigennaam van een niet-ariaanse stam

Les 52

अखिल 3: ononderbroken, volledig

निखिल 3: volledig, heel

van:

खिल m.: braakliggend land, woestijn

Afb.: खिलः
Tambhol, Akole, Ahmednagar = अहमदनगर
(Bron afbeelding: Details)

अन्तर् Adv.: binnen, in het binnenste ; postpositie met Gen. Lok. (षष्टी, सप्तमी): binnenin, middenin ; postpositie met Gen. Abl. (षष्ठी, पञ्चमी): uit ... naar buiten

अन्योन्य 3: wederzijds, elkaar

+ वि + परि 2P विपर्येति : mislukken

PPP विपरीत 3: verkeerd, fout

त्रि 3: drie

Maskulinum
पुंस्
Neutrum
नपुंसकम्
Femininum
स्त्री
1. Nominatief
. प्रथमा
त्रयस्त्रीणितिस्रस्
2. Accusatief
. द्वितीया
त्रीन्त्रीणितिस्रस्
3. Instrumentalis
. तृतीया
त्रिभिस्
4. Dativ
. चतुर्थी
त्रिभ्यस्
5. Ablatief
. पञ्चमी
त्रिभ्यस्
6. Genetief
. षष्ठी
त्रयाणाम्
7. Lokatief
. सप्तमी
त्रिषु

निस् Postpositie en prefix bij nomina en werkwoorden: uit, weg, naar buiten, tevoorschijn, uit, weg, zonder - van

पीड् 10P पीडयति : drukken, kwelen; benauwen, belegeren, plagen

Afbeelding: पीडिताः
Hyderabad = హైదరాబాద్
(Bron afbeelding: Details)

पर 3: (Vervoeging zoals सर्व) verafstaand, vreemd, hoger dan (पञ्चम्या), uiterste, hoogst; ander, vreemd, vijandig; m.: vreemdeling

daarvan:

परम् Adv.: in hoge mate, daarop, later, maar, echter

प्रति Postpositie (द्वितीयया): naar - toe, naar, met betrekking tot, tegenover

प्रधान 3: voornaamste, beste; n.: het belangrijkste

Afbeelding: प्रधानः मुंबई
(Bron afbeelding: Details)

लौल्य n.: hebzucht, lust

वर्ग m.: afdeling, sectie, schare

त्रिवर्ग m.: drietal (bijv. धर्मः, अर्थः, कामः; of: सत्त्वम्, रजस्, तमस्; of: ब्राह्मणाः, क्षत्रियाः, वैश्याः)

वश् 2P वस्टि, उशन्ति, Imperat. 2.sg.: उड्ढि : willen, gebieden, verlangen naar

Perf. Va उवाश, ऊशुर्
Fut. वशिष्यति
Pass. उष्यते
Kaus. वाशयति
PPP उशित
Inf. वशितुम्
Absol. -वश्य

वा 2P वाति : waaien, blazen

Perf. IV ववौ
Fut. वास्यति
Pass. वायते
Kaus. वापयति
PPP वान । वात
Inf. वातुम्

daarvan:

वात m.: wind

वृज् 7P वृणक्ति 1P वर्जति : keren, draaien ; afweren, uitsluiten

Perf. II ववर्ज, ववृजुर्
Fut. वर्जिष्यति
Pass. वृज्यते
Kaus. वर्जयति : wegnemen
Kaus. PPP वर्जित : van iets beroofd, vrij van
PPP वृक्त
Inf. वर्जितुम्

व्यवहार m.: drijven, wandel, omgang, verkeer, zaak, handel, (rechts)zaak

शील n.: gebruik, gewoonte, natuur, karakter, goede gewoonte = moraal

सूर्य m.: zon

सेव्सेवते : iemanden (द्वितीया) dienen, opwachten, eren, liefhebben

Perf. I सिषेवे
Fut. सेविष्यते
Pass. सेव्यते
Kaus. सेवयति
PPP सेवित
Inf. सेवितुम्
Absol. -सेव्य

daarvan:

सेवा f.: dienst, opwachting

धीर 3: vast, standvastig, continu, volhardend

शम् शाम्यति

शशाम, शेमुर् शमिष्यति शम्यते शमयति शान्त शमित्वा । शान्त्वा

कोविद 3: ervaren in (षष्ठ्या सप्तम्या वा)

याम m.: nachtwacht (telkens drie uur)

परंपरा f.: ononderbroken reeks

अमुत्र Adv.: daar, daartoe

च्युच्यवते : zich bewegen, zich voortbewegen, neervallen

Perf. IIIa चुच्युवे
Fut. च्योष्यते
Pass. च्यूयते
Kaus. च्यावयति
PPP च्युत

भू + अनु 1P अनुभवति : erkennen, voelen, waarnemen, ervaren

चक्र n.: rad

Afbeelding: चक्रम्
Konark = कोनार्क
(Bron afbeelding: Details)

कदली f.: bananenplant (Musa sp.)

Afbeelding: कदली
Hampi = ಹಂಪೆ
(Bron afbeelding: Details)

सार m.n.: kern, merg, essentie, substantie

दिव्य 3: hemels, goddelijk

वर 3: beste

आदर्श m.: spiegel

मल m.n.: vuil, vlek

Afbeelding: मलम् मुंबई
(Bron afbeelding: Details)

त्रिपिष्टप n.: Indra's hemel

मार m.: het gepersonifieerde kwaad, de gepersonifieerde verleiding / manipulatie, duivel

Afbeelding:
Amaravati = అమరావతి, 2e eeuw n.Chr.
(Bron afbeelding: Details)

विजिज्ञासु 3: iemand die volledig wil begrijpen

त्रैत्रायते : beschermen, redden

Perf. IV तत्रे
Fut. त्रास्यते
Pass. त्रायते
Kaus. त्रापयति
PPP त्राण । त्रात
Inf. त्रातुम्

Een deel van de Bibliotheek van Tüpfli's Global Village