Skip to content

Les 50

50.1. Zelfstandig naamwoordvorming: regelmatige vervoeging

De regelmatige vergelijkende trap wordt in het Sanskriet gevormd met de तद्धित-achtervoegsels

  • -तर (vrouwelijk: तरा) in de „comparatief“
  • तम (vrouwelijk: तमा) in de „superlatief“

Deze achtervoegsels worden bij bijvoeglijke naamwoorden aan de mannelijke stam toegevoegd. Bij zelfstandige naamwoorden met stamgraden worden ze toegevoegd aan de zwakke stam, die dezelfde vorm heeft als vóór de uitgang -su van de locatief (पञ्चमी) meervoud.


Afb.: लोकस्योत्तमो गिरिः सगरमाथा = ཇོ་མོ་གླང་མ = 珠穆朗玛峰 = Mount Everest
(Bron: Details)

Betekenis:

De „comparatief“ betekent, wanneer er geen vergeleken object wordt uitgedrukt: „behoorlijk, zeer, te“:

bijv. सुचितर 3 „behoorlijk zuiver”, „zeer zuiver”, „te zuiver”

Als er wel een vergeleken object wordt uitgedrukt, staat dit in de ablatief (पञ्चमी). Comparatief + ablatief komt overeen met de vergelijkenis met "als" in het Duits.

bijv. देवदत्ताद्रामो धीमत्तरः = letterlijk: „vanuit het perspectief van Devadatta gezien is Rāma verstandiger“ = „Rāma is verstandiger dan Devadatta“

De „superlatief“ betekent, wanneer er geen vergeleken object wordt uitgedrukt: „uiterst, zeer“:

bijv. सत्तम 3 (bij सन्त्) „uiterst goed, zeer goed”

Als er een vergelijkingsobject wordt uitgedrukt, staat dit in de genitief (षष्ठी) („van”, „onder”) en komt de superlatief overeen met de Duitse superlatief (hoogste graad):

bijv. द्विजानां सत्तमः = "de beste van de tweemaal geboren"

De suffixen -तर en -तम kunnen niet alleen aan adjectieven worden gehecht, maar ook aan substantieven, indeclinabilia en zelfs werkwoordsvormen:

Voorbeelden:

गजतम m. "de beste olifant" (गज) (ook een benaming voor Boeddha)

गोतम m. "de grootste os" (गो) of: "rijkst aan runderen"

उद् indecl. "op", "naar boven" » उत्तर 3 "hoger" » उत्तम 3 "hoogst"

Wanneer deze suffixen aan een werkwoordsvorm worden gehecht, treden ze altijd op in de adverbiale vorm:

  • -तराम्
  • -तमाम्

Voorbeelden:

पचतितराम् "hij/zij/het kookt beter"

पचतितमाम् "hij/zij/het kookt het best"

Deze vorm hebben deze suffixen ook wanneer ze aan een indeclinabilium worden gehecht en het afgeleide woord adverbiaal wordt gebruikt:

bijv. सुतराम् (van सु) "op een betere manier" (adverbiaal)


Afb.: का पचतितमाम्
Lisu = 傈僳族, अरुणाचल प्रदेश
(Bron afbeelding: Details)

50.2. Woordenlijst

ध्रुव 3: vast, onveranderlijk

निषेक m.: besprenkeling, bevruchting, vloeistof, ejaculaat, ceremonie bij de verwekking

पण्डित 3: slim, wijs, geleerd

मन् + अवअवमन्यते : verachten, minachten

मन्त्रिन् 3: raadgevend ; m.: adviseur, raadheer, minister


Afb.: मन्त्री
Kapil Sibal (1948 -), minister van Unie in het Ministerie van Wetenschap en Technologie en het Ministerie van Aardwetenschappen (sinds 2006)
(Bron afbeelding: Details)

रहस् n.: geheim, eenzaamheid

रिष् 1P रिषति 4P रिष्यति : beschadigd worden, mislukken, schade toebrengen

Perf. II रिरेष, रिरिषुर्
Fut. रेषिष्यति
Pass. रिष्यते
Kaus. रेषयति
PPP रिष्ट

लुप् 6U लुम्पति : breken, vernietigen

Perf. II लुलोप, लुलुपे
Fut. लोप्स्यति
Pass. लुप्यते
Kaus. लोपयति
PPP लुप्त
Inf. लोप्तुम्
Gerundivum लुप्य । लोप्य

विधि m.: ook: lot (verwant aan विधा)

वृष् 1P वर्षति : regenen (meestal met een कर्तृ -- een god of een wolk)

Perf. II ववर्ष, ववृषुर्
Fut. वर्षिष्यति
Pass. वृष्यते
Kaus. वर्षयति
PPP वृष्ट
Inf. वर्षितुम्
Absol. वर्षित्वा । वृष्ट्वा
Absol.-वृष्य


Afb.: महामेघो वर्षिष्यति
Aankomst van de moesson, Bangalore ಬೆಂಗಳೂರು
(Bron afbeelding: Details)

संयक् Adv.: juist, waarachtig, op de behoorlijke manier ; volkomen, volledig

आदित्य m.: zon ; mv.: Āditya : een bepaalde klasse van goden


Afb.: आदित्यः
(Bron afbeelding: Details)

सर्व 3: elke, alle

Vervoeging zoals यद् (uitzondering: Nom.Akk.sg.Neuter)

Enkelvoud
एकवचनम्
Meervoud
बहुवचनम्
Maskulinum
पुंस्
Neutrum
नपुंसकम्
Femininum
स्त्री
Maskulinum
पुंस्
Neutrum
नपुंसकम्
Femininum
स्त्री
1. Nominatief
. प्रथमा
सर्वस्सर्वम्सर्वासर्वेसर्वाणिसर्वास्
2. Accusatief
. द्वितीया
सर्वम्सर्वम्सर्वाम्सर्वान्सर्वाणिसर्वास्
3. Instrumentalis
. तृतीया
सर्वेणसर्वयासर्वैस्
4. Dativ
. चतुर्थी
सर्वस्मैसर्वस्यैसर्वेभ्यस्
5. Ablatief
. पञ्चमी
सर्वस्मात्सर्वस्यास्सर्वेभ्यस्
6. Genetief
. षष्ठी
सर्वस्यसर्वस्यास्सर्वेषाम्
7. Lokatief
. सप्तमी
सर्वस्मिन्सर्वस्याम्सर्वेषु

वै : partikel dat het voorgaande woord benadrukt: waarlijk, inderdaad, maar

इह Bijwoord: hier, hier op aarde, hierheen; nu. Voor zelfstandige naamwoorden in de locatief (षष्ठी) synoniem met अस्मिन्, अस्याम् कल्प m: statuut, gewoonte, ritueel; wereldperiode (zie कॢप्)

कल्याण 3 (v.: कल्याणी) :mooi


Afb.: कल्याणी
(Afbeeldingsbron: Details)

कु- : als eerste deel van samengestelde woorden: slecht


Afb.: कुनगरम् धारावी, मुंबई
(Afbeeldingsbron: Details)

चक्ष्चष्टे 2.pl. Ā चड्ढ्वे : zien

Perf. चचक्षे
wordt in de overige tijden niet gebruikt

चक्ष् + प्रप्रचष्टे : vertellen, beschouwen als, noemen

देश m.: plaats, locatie, land, streek

50.3. Vertaalopdracht

A) Ter herhaling van de verbuiging: het volgende vers bevat alle verbuigingsvormen in het enkelvoud van गुरु m.:

गुरुरेव गतिर्गुरुमेव भजे गुरुणैव सहास्मि नमो गुरवे । न गुरोः परमं शिशुरस्मि गुरोर् मतिरस्ति गुरौ मम पाहि गुरो ॥


Afb.: गुरुमेव भजे
Ganeshpuri, 80 km verwijderd van Mumbai (मुंबई)
(Bron afbeelding: Details)

B) Vertaal:

मनुस्मृति ४, १७८

येनास्य पितरो याता येन याताः पितामहाः । तेन यायात्सतां मार्गम् तेन गच्छन्न रिष्यते ॥१॥

मनुस्मृति ३, ६३

कुविवाहैः क्रियालोपैर् वेदानध्ययनेन च । कुलान्यकुलतां यान्ति ब्राह्मणातिक्रमेण च ॥२॥

मनुस्मृति ३, ६०

संतुष्टो भार्यया भर्ता भर्त्रा भार्या तथैव च । यस्मिन्नेव कुले नित्यम् कल्याणं तत्र वै ध्रुवम् ॥३॥

मनुस्मृति ३, ७५ - ७६: Over de noodzaak van het offer

स्वाध्याये नित्ययुक्तः स्याद् दैवे चैवेह कर्मणि । दैवे कर्मणि युक्तो हि बिभर्तीदं चराचरम् ॥४॥ अग्नौ प्रास्ताहुतिः सम्यग् आदित्यमुपतिष्ठते । आदित्याज्जायते वृष्टिर् वृष्टेरन्नं ततः प्रजाः ॥५॥

योगसूत्र २, १६ - १७

हेयं दुःखमनागतम् ॥६॥
sig[द्रष्टृदृश्ययोः] संयोगो हेयहेतुः ॥७॥

Uitleg:
द्रष्टृदृश्ययोः : Gen.Lok.m.n.f.Dual (Dualdvandva)

कौटिलीयार्थशास्त्र १, १५: Over raadgevers van de koning

न किंचिदवमन्येत सर्वस्य शृणुयानमतम् । बालस्याप्यर्थवद्वाक्यम् उपयुन्जीत पाण्डितः ॥८॥

मनुस्मृति २, १४० - १४२: Definitie van आचार्य, उपाध्याय, गुरु

उपनीय तु यः शिष्यं वेदमधापयेत्द्द्विजः । सकल्पं सरहस्यं च तमाचार्यां प्रचक्षते ॥९॥ एकदेशं तु वेदस्य वेदाङ्गान्यपि वा पुनः । यो ऽध्यापयति वृत्त्यर्थम् उपाध्यायः स उच्यते ॥१०॥ निषेकादीनि कर्माणि यः करोति यथाविधि । संभावयति चान्नेन स विप्रो गुरुरुच्यते ॥११॥

Uitleggen:
निषेकादीनि : Nom.Akk.pl.Neutrum

Een deel van de Bibliotheek van Tüpfli's Global Village