Skip to content

15.1. सुभाषितम्

गुरुशुश्रूषया विद्या
पुष्कलेन धनेन वा
अथवा विद्यया विद्या
चतुर्थी नैव विद्यते

15.2. Bepalende samenstellingen = Tatpuruṣa m. = तत्पुरुष

De relatie tussen de door naamwoorden (zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden) aangeduide elementen kan niet alleen door een genitiefconstructie worden uitgedrukt, maar ook door een Tatpuruṣa (तत्पुरुष). Evenzo kan men attributieve bijvoegingen van bijvoeglijke naamwoorden of appositionele bijvoegingen van zelfstandige naamwoorden uitdrukken door middel van een bepaald soort Tatpuruṣa, namelijk door de zogenaamde Karmadhāraya (m.) = कर्मधारय.

तत्पुरुषः = तस्य पुरुषः „zijn dienaar”, d.w.z. als benaming voor dit soort samenstellingen dient een voorbeeld van dergelijke samenstellingen.

In determinatieve samenstellingen (Tatpuruṣa) wordt een naamwoord (zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord) nader bepaald door een ander naamwoord of bijwoord. Het nader bepaalde woord vormt in de regel het achterlid van de samenstelling.

De relatie tussen het voorste deel (bepalend deel) en het achterste deel (bepaald deel) kan zijn:

  • attributief of appositioneel: bij ontbinding van het samengestelde woord vormt het voorliggende deel ten opzichte van het achterliggende deel een nadere bepaling in hetzelfde naamval (d.w.z. buiten een zinscontext in de nominatief (प्रथमा), in de zin in het syntactisch vereiste naamval)
  • casusgebonden: bij ontleding van het samengestelde woord staat het voorliggende lid in een andere naamval dan het achterliggende lid (d.w.z. niet in de nominatief - प्रथमा)
  • bijwoordelijk: het voorlid is een niet-verbuigbaar woord
    De naamvalverhouding tussen de twee delen van een samengesteld woord is onafhankelijk van de naamval waarin het samengestelde woord staat: het samengestelde woord is immers één enkel verbuigbaar woord:

bijv.

> Nom. enkelvoud तत्पुरुषः = तस्य पुरुषः Acc. enkelvoud तत्पुरुषम् = तस्य पुरुषम् Instr. enkelvoud तत्पुरुषेण = तस्य पुरुषेण Gen. sg. तत्पुरुषस्य = तस्य पुरुषस्य Nom. pl. तत्पुरुषाः = तस्य पुरुषाः enz.

Het geslacht van een Tatpuruṣa is – op enkele uitzonderingen na – dat van het achterliggende deel.

15.3. Bepalende samenstellingen met een attributief / appositioneel voorlid = Karmadhāraya m. = कर्मधारय

Bij ontbinding van de Karmadhāraya staan beide delen van het samengestelde woord in hetzelfde naamval.

bijv.

गुणवत्पुत्रः = गुणवान्पुत्रः = "een zoon met goede eigenschappen"
Acc. sg. गुणवत्पुत्रम्
Nominatief meervoud गुणवत्पुत्राः पुण्यवत्क्षत्रिया = पुण्यवती क्षत्रिया = "een verdienstelijke Kṣatriya-vrouw"

साधुजनाः = साधवो जनाः = "goede mensen"

इष्टदेवता = इष्टा देवता = "de gewenste godheid = de godheid waarmee men een bijzondere band van devotie en toevlucht heeft"


Afb.: लक्ष्मी
(Bron: Details)

Wat betreft de volgorde van de leden in een Karmadhāraya moet de volgende speciale regel in acht worden genomen:

  • als een Karmadhāraya een VERGELIJKING uitdrukt, dan staat datgene waarmee wordt vergeleken in het laatste lid van het samengestelde woord:

    नरसिंहः = सिंह इव नरः = "een man als een leeuw"
    पुरुषव्याघ्रः = व्याघ्र इव पुरुषः = "een man als een tijger"

  • drukt een Karmadhāraya echter een appositie uit (nadere bepaling van het achterlid door een substantief), dan staat het nader bepalende in het voorlid, zoals ook de algemene regel voor de volgorde van de leden in een Tatpuruṣa voorschrijft:

नरसिंहः kan ook ontbonden worden: नर एव सिंहः = "Een leeuw die (in werkelijkheid) een man is."

Zulke appositionele Karmadhāraya worden in de inheemse commentaren zoals in het bovenstaande voorbeeld middels एव ontbonden.


Afb.: नरसिंहः
(Afbeeldingsbron: Details)

15.4. Determinatieve samenstellingen met een voorlid dat zich tot het achterlid in een niet-attributieve/appositionele casusrelatie verhoudt = Tatpuruṣa in engere zin

Tatpuruṣaverbindingen zijn mogelijk voor verbindingen van nomina (substantieven en adjectieven), waarbij het voorlid - overeenkomstig de regels van de syntaxis - in elke casus kan staan. Zoals verwacht vertegenwoordigt het voorlid het vaakst een genitief (षष्ठी), aangezien dit immers de casus is om de verhouding van nomina uit te drukken.

bijv.

क्षत्रियपुत्रः = क्षत्रियस्य पुत्रः = "de zoon van een Kṣatriya", "een jonge Kṣatriya", "een lid van de groep van de Kṣatriyas"
Acc. sg. क्षत्रियपुत्रम्
Gen. sg. क्षत्रियपुत्रस्य
enz.

गुरुभावः = गुरोर्भावः = "de natuur van een leraar"

धनलोभः = धनस्य लोभः = "begeerte naar rijkdom, hebzucht"

लोकगतिः = लोकस्य गतिः = "het verloop van de wereld, het gedrag van de mensen"
Bijna elke genitiefrelatie kan worden vervangen door een Tatpuruṣa. Zie voor de weinige uitzonderingen bijvoorbeeld Kale, A higher Sanskrit grammar § 211, waar ook de betreffende passages bij Pāṇini worden vermeld.

Het voorlid van een Tatpuruṣa kan in principe echter elke naamval vertegenwoordigen. Niet alle syntactisch mogelijke naamvalverhoudingen kunnen echter door een Tatpuruṣa worden vervangen. De desbetreffende regels zijn in geval van twijfel te vinden bij Kale, A higher Sanskrit grammar § 203 - 217 resp. Pāṇini 2,1,22 - 2,2,22.

Het voorlid kan bij het ontleden van het samengestelde woord in het enkelvoud, tweevoud of meervoud staan. Welke mogelijkheid van toepassing is, moet worden afgeleid uit de betekenis en de context.

Voorbeelden:

Het eerste lid staat in de accusatief (द्वितीया): bijv. bij bepaalde PPP’s met bewegingswerkwoorden (Pāṇini 2,1,24):

ग्रामगतः = ग्रामं गतः = "iemand die naar het dorp is gegaan"
नरकपतिता = नरकं पतिता = "een die in een hel is gevallen"

Het voorste lid vertegenwoordigt de instrumentalis (तृतीया): bijvoorbeeld vaak het agens (कर्तृ) van naamwoordvormen met kṛt-achtervoegsels (bijv. PPP):

देवकृतम् = देवेन / देवैः कृतम् = "door een god / door goden gemaakt"
Zou ook kunnen worden opgesplitst: देवस्य / देवानां कृतम् = "daad / handeling van een god / van goden; goddelijke daad, goddelijke handeling"

बुद्धरक्षिता = बुद्धेन रक्षिता = "degene die door Boeddha werd beschermd" (een eigennaam)

15.5. Ontleding van samengestelde woorden (behalve dvandva's)

Hoewel in het Sanskriet samengestelde woorden van willekeurige lengte kunnen worden gevormd en dit ook zeer vaak gebeurt (samengestelde woorden van 10 tot 30 leden zijn geen zeldzaamheid!), zijn toch – met uitzondering van de dvandva’s – alle samengestelde woorden hiërarchisch in telkens twee delen te ontleden:


Afb.: समासविच्छेदः
(Bron: Details)

enzovoort, totdat men bij de afzonderlijke woordstammen komt.

bijv.

गुणवत्पुत्रकृतपुण्यम्

1\e stap (hoofdcesuur): गुणवत्पुत्रकृतं ॥१॥ पुण्यम्

2\e stap (1e nevencesuur): गुणवत्पुत्रेण ॥२॥ कृतं ॥१॥ पुण्यम्

3e niveau (2e nevencesuur): गुणवता॥३॥ पुत्रेण ॥२॥ कृतं ॥१॥ पुण्यम्

= „de verdienstelijke daad (de verdienste) die mijn deugdzame zoon heeft verricht“

Daarbij kunnen verschillende soorten samengestelde woorden worden gemengd, bijv. voorlid: Bahuvrīhi (बहुव्रीहि) – achterlid: Tatpuruṣa enz.

bijv.

ब्राह्मणक्षत्रियवैश्यधर्मः

1. niveau: ब्राह्मणक्षत्रियवैश्यानां धर्मः (voorlid: Itaretaradvandva)

2. niveau: ब्राह्मणानां क्षत्रियाणां वैश्यानां च धर्मः

= „de Dharma van de Brahmana’s, Kṣatriya’s en Vaiśya’s”

Heel vaak zijn er voor een samengesteld woord verschillende mogelijkheden om het op te splitsen. Welke de juiste of in ieder geval de beste is, kan alleen worden bepaald aan de hand van de context en de inhoud van de tekst. Soms is zo’n beslissing niet mogelijk. Vaak zijn twee ontledingsmogelijkheden vermoedelijk door de auteur bedoeld. Dan moet men in de vertaling beide ontledingsmogelijkheden weergeven (verbonden met „en“, „of“, „resp.“ en dergelijke.

bijv.

पुण्यवत्पुत्रकृतम्

1. niveau: ofwel – ofwel

  1. पुण्यवत्पुत्रेण कृतम्
  2. पुण्यवत्पुत्रस्य कृतम्
  3. पुण्यवत् पुत्रकृतम्

2. niveau: overeenkomstig

  1. पुण्यवता पुत्रेण कृतम् = "dat van mijn verdienstelijke zoon Getane"
  2. पुण्यवतः पुत्रस्य कृतम् = "de daad van mijn verdienstelijke zoon"
    1. पुण्यवत् पुत्रेण कृतम् = "het verdienstelijke, door mijn zoon Getane"
    2. पुण्यवत् पुत्रस्य कृतम् = "de verdienstelijke daad van mijn zoon"

15.6. De vorm van het eerste deel in samengestelde woorden (समास m.)

In alle soorten samengestelde woorden is het eerste deel doorgaans de onveranderde woordstam. Zelfstandige naamwoorden met twee stammen staan in de zwakke stamvorm. Vrouwelijke bijvoeglijke naamwoorden die een volgend deel in het samengestelde woord nader specificeren, staan over het algemeen in de mannelijke stamvorm:

bijv.

पुण्यवत्क्षत्रिया = पुण्यवती क्षत्रिया = "een Kṣatriya-vrouw die verdiensten bezit"
गुणवत्पुत्रः = गुणवान् पुत्रः = "een zoon met goede eigenschappen"

15.7. Indeling van de तत्पुरुष

  1. प्रथमातत्पुरुषः : het eerste lid staat in विग्रहवाक्य in de nominatief (प्रथमा)
  2. द्वितीयातत्पुरुषः : het eerste deel staat in विग्रहवाक्य in de accusatief (द्वितीया)
  3. तृतीयातत्पुरुषः : het voorlid staat in विग्रहवाक्य in de instrumentalis (तृतीया)
  4. चतुर्थीतत्पुरुषः : het voorlid staat in विग्रहवाक्य in de datief (चतुर्थी)
  5. पञ्चमीतत्पुरुषः : het voorlid staat in विग्रहवाक्य in de ablatief (पज्चमी)
  6. षष्ठीतत्पुरुषः : het voorliggende lid staat in विग्रहवाक्य in de genitief (षष्ठी)
  7. सप्तमीतत्पुरुषः : het eerste lid staat in विग्रहवाक्य in de lokatief (सप्तमी)
  • कर्मधारयः : appositionele Tatpuruṣa, o.a.:
    • उपमानपूर्वपदकर्मधारयः : विग्रहवाक्य met इव na het eerste lid
    • उपमानोत्तरपदकर्मधारयः : विग्रहवाक्य met इव na het tweede lid
    • रूपकसमासः : विग्रहवाक्य met एव
    • द्विगुसमासः : telwoord in het eerste lid
  • नञ्तत्पुरुषः (निषेधतत्पुरुषः) : met ontkenning a-, an- in het voorlid
  • गतिसमासः : met een voorzetsel in het eerste deel
  • प्रथमातत्पुरुषः enz. (zie hierboven)

15.7.1. Indeling van कर्मधारय

  1. विशेषणपूर्वपदकर्मधारयः : het eerste lid is een bijvoeglijk naamwoord (विशेषण)
  2. विशेषणोभयपदकर्मधारयः : beide delen zijn bijvoeglijke naamwoorden; hieronder vallen ook bijvoeglijke naamwoorden die een tijdsverloop uitdrukken: „eerst gewassen, daarna gezalfd“
  3. उपमानपूर्वपदकर्मधारयः (= उपमासमासः): in het voorlid een vergelijking, in het achterlid de vergeleken eigenschap: bijv. „mooi als een lotus”
  4. उपमानोत्तरपदकर्मधारयः (= उपमितसमासः): vergelijking in het achterlid
  5. रूपकसमासः : विग्रहवाक्य met एव volgens het voorlid (metafoor)
  6. संभावनपूर्वपदकर्मधारयः : beide delen hebben betrekking op dezelfde persoon of hetzelfde onderwerp, bijv. कालिदासकविः = कालिदास इति कविः = "de dichter Kālidāsa"
  7. कर्मधारयः met कु / कद् als voorlid: „slecht...“
  8. कर्मधारयः met किम् als voorlid: verwijt
  9. PPP + ontkende PPP: "gedeeltelijk", bijv. कृताकृतम् = "gedeeltelijk gedaan"
  10. द्विगुसमासः : telwoord in het voorlid

15.8. Woordenlijst

पुष्कल 3: heerlijk, prachtig, overvloedig

वा : of (achtergesteld)

अथवा : of (vooraf geplaatst)

चतुर्थ 3 (v.: चतुर्थी): vierde

विद् „vinden” 6 U विन्दति ; pass. विद्यते ; PPP विन्न / वित्त विद् „weten” 2 P वेत्ति ; passief विद्यते ; PPP विदित पत् „vliegen, vallen” 1 P पतति ; passief पत्यते ; PPP पतित अर्ध 3: half, m.n. helft

पूजा v.: Eerbetoon, eervolle ontvangst, religieuze verering (Pūjā)


Afb.: पूजा
(Afbeeldingsbron: Details)

कुल zn.: kudde, menigte, geslacht, afstamming, familie
इन्द्र m.: vorst, eerste, beste onder ; godenkoning Indra


Afb.: इन्द्रः
(Bron: Details)

दास m.: slaaf, leenman, dienaar

दासी v.: slavin, leenvrouw, dienstmaagd

काल m.: tijd, (juist) moment; lot, dood; Kāla, de god van de dood

काल 3: zwart, blauwzwart, donker

पुरुष m.: mens, man, knecht

-जन als tweede lid van Tatpuruṣa vaak een uitdrukking van het meervoud

स्तु 2 स्तौति ; passief स्तूयते ; PPP स्तुत : loven, prijzen

waarvan:

स्तुति v.: lofprijzing, loflied

स्तोत्र zn.: (middel om te prijzen =) loflied, hymne

सिंह m.: leeuw (Panthera leo persica)


Afb.: सिंहः
(Bron: Details)

व्याघ्र m.: Tijger (Panthera tigris tigris) (letterlijk: gaap)


Afb.: व्याघ्रः
(Afbeeldingsbron: Details)

इव (nagebootst): als het ware, zoals (in vergelijkingen: व्याघ्र इव पुरुषः = "een man als een tijger", "een tijgerachtige man"

एव (nagebootst): benadrukt het voorgaande, komt in het Duits vaak overeen met de klemtoon, een soort emoticon \<!\>, bijv. सत्यमेव जयति "alleen de waarheid zegeviert", "juist de waarheid zegeviert", "de waarheid zegeviert"

अरि m.: vijand (volgens Thieme, Der Fremdling im Ṛgveda: oorspronkelijk = vreemdeling)

आर्य 3: Arisch, edel; m. Arier (zelfbenaming van de Sanskriet sprekende oude Indiërs, letterlijk: gastvrij (Thieme)); edelman, man van eer

naar जन्

जाति v.: geboorte, soort, kaste (zie voor जाति als kaste: Basham, Wonder, p. 148 e.v.)

मृ 4 Ā म्रियते ; passief म्रियते ; PPP मृत : sterven (volgens Indiase grammatici: 6 Ā)

waarvan:

मरण zn.: sterven, dood

मृति v.: sterven, dood

मृत्यु m.: dood ; gepersonifieerd: god van de dood

15.9. Oefening 1

Ontleed de volgende samengestelde woorden als Tatpuruṣa in het Sanskriet en geef een Nederlandse vertaling. Geef voor elk woord alle ontledingen en vertalingen die u mogelijk acht. Geef ook aan om welk naamval en welk getal het bij het samengestelde woord gaat.

. देवेन्द्रस्य

. दुःखदग्धा

. मोक्षधर्मः

. अन्नजातानि

. गृहकरणम्

. शूद्रकृतेन

. ईश्वरपूजा

. देवेश्वरः

. क्षत्रिययज्ञम्

१०. वैश्यभावेन

११. देवगुरोः

१२. धनलोभः

१३. गृहदासी

१४. दुःखमोहः

१५. ग्रामेश्वरम्

१६. नगरजनाः

१७. यज्ञकालस्य

१८. देवगृहाणि

१९. देवपुत्राणाम्

२०. पश्विष्टिः

२१. स्मृत्युक्तम्

२२. गुरुगृहम्

२३. सोमयज्ञेन

२४. स्वर्गगताः

२५. सुखप्रश्नम्

२६. पशुधर्मः

२७. स्वर्गलोकः

२८. ऋषियज्ञैः

२९. तत्कालम्

३०. सत्यवदनम्

15.10. Oefening 2

Los, net als bij oefening 1, de volgende Tatpuruṣa op:

. देवतागृहम्

. देवीस्तोत्रम्

. ब्राह्मणगृहम्

. वैश्यापुत्राः

. शूद्रधर्मः

. अग्निगृहम्

. साधुगता

. सत्यवचनेन

. धर्मयज्ञानाम्

१०. सत्यधर्मः

११. अनृतवदनस्य

१२. देवीदासः

१३. द्विजदासान्

१४. अग्निदग्धम्

१५. साधुवादः

१६. बालमृगः

१७. धनसर्गः

१८. अन्नद्वेषम्

१९. देवदेवम्

२०. देवप्रश्नेन

२१. गृहजनानाम्

२२. गुरुपूजायाः

२३. गुरुगतैः

२४. स्वर्गमार्गेण

२५. नरकदेवतया

२६. गृहेश्वरः

२७. ग्रामधर्मः

२८. देवीपूजाम्

२९. देवदर्शनम्

३०. देवपादान्

३१. धनजाता

३२. बालभावेन

३३. लोकगुरोः

३४. देवपुत्रः

३५. देवमार्गम्

३६. स्वर्गसुखम्

३७. सोमसुतिः

३८. देवपूजायाः

३९. लोकधर्मेण

४०. देवजनाः

४१. पापलोकः

४२. पुण्यफलानि

४३. सत्यवादः

४४. ऋषिपुत्रः

४५. पुत्रपुत्राः

४६. धर्मवादः

४७. देवलोकम्

४८. यज्ञेश्वरः

४९. ग्रामदेवता

५०. दुःखलोकः

५१. देवशत्रुणा

५२. क्षत्रियधर्मः

५३. द्विजेन्द्रः

५४. अग्निकृतम्

५५. साधूक्तानि

५६. ब्राह्मणभावेन

५७. देवधर्मः

५८. गृहदेवता

५९. कारुकुशीलवकृतम्

६०. द्विजातिशुश्रूषया


Afbeelding: ग्रामदेवता
(Bron afbeelding: Details)

15.11. Oefening 3

A) Vertaal het spreekwoord aan het begin van de les

B) Los de volgende Tatpuruṣa op:

. बलकृतः

. बालधनस्य

. नरककाकम्

. लोकगुरोः

. जलेश्वरेण

. जनपानम्

. वाक्यसारथीन्

. गुणवचनानि

. मृगेश्वरैः

१०. बुद्धिकृतायाः

११. धर्मयज्ञेन

१२. यज्ञाङ्गानि

१३. गृहजनेन

१४. ग्रामलेखकाः

१५. नागदेवः

१६. पुण्यजिताभिः

१७. पापलोकम्

१८. सत्यवदनस्य

१९. दानधर्मेण

२०. सुखप्रश्नः

२१. दुःखमोहस्य

२२. सोमपात्राणि

२३. स्वर्गमार्गः

२४. कामधेन्वा

२५. वर्णधर्मः

२६. श्रुत्युदितम्


Afbeelding: नागदेवाः
(Bron afbeelding: Details)

Een deel van de Bibliotheek van Tüpfli's Global Village