Skip to content

Les 6

6.1. De verbale zin

Schema I: Werkwoordsvorm
bijv. yajati = यजति = "Hij (zij, het) vereert met een offer", "Hij (zij, het) offert"

Schema II: Agens (kartṛ m. = कर्तृ) – Werkwoordsvorm
bijv. rāmo yajati = रामो यजति = "Rāma vereert met een offer", "Rāma offert"

Wordt de agens (kartṛ m. = कर्तृ) in een verbale zin genoemd die niet in het passief staat, dan staat de agens in de nominatief (eerste naamval, prathamā = प्रथमा). In het numerus (getal, vacana n. = वचन) komen agens en werkwoordsvorm dan met elkaar overeen.

6.2. Over de vorming van de werkwoordsvormen

Een finiete werkwoordsvorm, d.w.z. een werkwoordsvorm met een persoonsuitgang, drukt in het Sanskriet het volgende uit:

  1. Betekenis (artha m. अर्थ)
  2. Persoon en numerus (getal, vacana n. = वचन) (ik, jij, hij <zij, het>, wij beiden, jullie beiden, zij beiden, wij, jullie, zij)
  3. Handelingswijze (genus verbi):
  4. Parasmaipada (o. = परस्मैपद) ("Werkwoordsvorm met betrekking op een ander"): actief. bijv. yajati = यजति = "Hij vereert met een offer" (namelijk de priester, die voor iemand anders het offer voltrekt)
  5. Ātmanepada (o. = आत्मनेपद) ("Werkwoordsvorm met betrekking op zichzelf"): medium. bijv. yajate = यजते = "Hij vereert met een offer in eigen belang" (namelijk de offerheer, die voor zichzelf en zijn familie offert)
  6. Passief (karman o. = कर्मन्). bijv. ijyate = इज्यते = "Het wordt met een offer vereerd"

In veel gevallen is de betekenisnuance van het Ātmanepada niet meer te herkennen; ook gebruiken zelfs kunstdichters vaak het Ātmanepada zonder betekenisverschil ten opzichte van het Parasmaipada. Desondanks moet men bij de vertaling altijd nauwkeurig letten op de vraag of zich niet zo'n betekenisnuance voordoet.

Werkwoorden die in het Parasmaipada en Ātmanepada (in de specifieke Ātmanepada-betekenis) worden gebruikt, noemt men Ubhayapada-werkwoorden (ubhayapada onz. = उभयपद = "beide woordvormen").

Sommige werkwoorden worden ofwel uitsluitend in het Parasmaipada ofwel uitsluitend in het Ātmanepada gebruikt. Bij deze werkwoorden heeft het Ātmanepada respectievelijk het Parasmaipada geen specifieke betekenis. bijv. manyate = मन्यते = "hij (zij, het) denkt" (zonder specifieke Ātmanepadabetekenis).

  1. Wijs (modus):
  2. Indicatief: mededelende vorm
  3. Optatief: wensvorm en mogelijkheidsvorm
  4. Imperatief: gebiedsvorm
  5. Tijd (tempus):
  6. Praesens: tegenwoordige tijd
  7. Imperfectum
  8. Perfectum
  9. Aorist
  10. Futurum: toekomst
  11. Conditionalis

De tijden worden gevormd vanuit tempusstammen: praesensstam, aoriststam, perfectumstam, futurumstam.

6.3. Indicatief praesens (laṭ = लट्)

Het praesens is het tempus van de tegenwoordige tijd, in het bijzonder ook van de duur.

De indicatief (mededelende vorm) praesens wordt gevormd door aan de praesensstam de zogenaamde primaire uitgangen toe te voegen.

Voorbeelden:

Wortel (dhātu)Praesensstam3e persoon enkelvoud indicatief praesens Parasmaipada
viś = विश्viśa = विशviśati = विशति = "hij (zij, het) treedt binnen"
bhū = भूbhava = भवbhavati = भवति = "hij (zij, het) ontstaat"
nṛt = नृत्nṛtya = नृत्यnṛtyati = नृत्यति = "hij (zij, het) danst"

6.4. Primaire uitgangen van de derde persoon (prathama m. = प्रथम = "eerste (!) persoon")

Enkelvoud (Eenzaal)
एकवचन
Meervoud (Meermaal)
बहुवचन
Parasmaipada n.
परस्मैपद
-ti
-ति
-nti
-न्ति
Ātmanepada n.
आत्मनेपद
-te
-ते
-nte
-न्ते

Voorbeeld yaj = यज् = "met een offer vereren", "offeren":
Presentiestam: yaja = यज
3. sg. P. yajati = यजति
3. pl. P. yajanti = यजन्ति
3. sg. Ā. yajate = यजते
3. pl. Ā. yajante = यजन्ते

6.5. Vorming van de presentiestam

6.5.1. Werkwoorden van de 6e presentieklassse (tudādi = तुदादि = "tud enz.")

Presentiestam = Wortel in de lage graad (zoals deze wordt vermeld) + a-

Wortel (dhātu m.)
धातु
Presentiestam
viś
विश्
viśa-
विश-
sṛj
सृज्
sṛja-
सृज-

6.5.2. Werkwoorden van de 1e presentieklassse (bhvādi / bhūvādi = भ्वादि / भूवादि = "bhū enz.")

Presentiestam = Wortel in de hoge graad (zelden de verlengde graad) + a-
Wortel (dhātu m.)
धातु
Hoge graadHoge graad voor a-Presentiestam
bhū
भू
bho
भो
bhav
भव्
bhava-
भव-

नी
ne
ने
nay
नय्
naya-
नय-
smṛ
स्मृ
smar
स्मर्
smar
स्मर्
smara-
स्मर-
yaj
यज्
yaj
यज्
yaj
यज्
yaja-
यज-
nind
निन्द्
nind
निन्द्
nind
निन्द्
ninda-
निन्द-

6.5.2.1. Woordsandhi van e en o

Voor klinkers wordt in het woordinterne e vervangen door ay, o door av.

6.5.2.2. Klankafstemming (Ablaut)

Diepe graad
Verdwijningsgraad
Hoge graad
Volledige graad
Guṇa m.
गुण
Verlengde graad
Vṛddhi f.
वृद्धि
øaā
i / īeai
u / ūoau
ṛ / ṝarār
alāl

6.5.3. Werkwoorden van de vierde tegenwoordige tijdklasse (divādi = दिवादि = "div enz.")

Stam van de tegenwoordige tijd = Wortel in diepe graad (zoals deze wordt vermeld) + ya-

Wortel (dhātu m.)
धातु
Stam van de tegenwoordige tijd
nṛt
नृत्
nṛtya-
नृत्य-
muh
मुह्
muhya-
मुह्य-
yudh
युध्
yudhya-
युध्य-
man
मन्
manya-
मन्य-

6.5.4. Thema-vokaal, thematische tegenwoordige tijdklassen

Het a in de stamvormende suffixen van tegenwoordige tijdklassen wordt themavokaal genoemd. Tegenwoordige tijdklassen met a in het stamvormende suffix heten daarom "thematische tegenwoordige tijdklassen".

6.6. Gesproken Sanskriet: Verdere vragen (praśna m. = प्रश्न)

N. N. kiṃ karoti? = N.N. किं करोति = "Wat doet N. N.?"
N. N. (meervoud) kiṃ kurvanti? = N.N. किं कुर्वन्ति = "Wat doen de N.N.'s?"
(karoti, kurvanti van kṛ = कृ 8 U: "doen, maken")
kiṃ kuśalam? = किं कुशलम् = "Gaat het goed met u?, Hoe gaat het met u?"
Antwoord: sarvathā kuśalam = सर्वथा कुशलम् = "(Het gaat mij) in elk opzicht goed."

6.7. Woordenlijst

In het Sanskriet worden de werkwoorden in de wortelvorm vermeld. Het getal achter de wortel geeft de conjugatieklasse aan.

P: Wortel is alleen Parasmaipada
Ā: Wortel is alleen Ātmanepada
U: Ubhayapada ("beide woordvormen"): Wortel wordt in Parasmaipada en Ātmanepada gebruikt.
(): In haakjes staat de 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd indicatief (laṭ).

Leer de volgende woorden:
yaj 1 U (yajati) यज् यजति : met een offer vereren, offers brengen
bhū 1 P (bhavati) भू भवति : worden, ontstaan, zijn
smṛ 1 P (smarati) स्मृ स्मरति : zich voorstellen, herinneren
nṛt 4 P (nṛtyati) नृत् नृत्यति : dansen
1 U (nayati) नी नयति : leiden
man 4 Ā (manyate) मन् मन्यते : denken
muh 4 P (muhyati) मुह् मुह्यति : verward zijn
yudh 4 Ā (yudhyate) युध् युध्यते : vechten
viś 6 P (viśati) विश् विशति : binnengaan
sṛj 6 P (sṛjati) सृज् सृजति : loslaten, uit zich zelf laten gaan, emaneren

6.8. Oefening

A) Vorm met de in haakjes aangegeven wortels door invullen werkwoordzinnen:

  1. brāhmaṇas ... (yaj, nṛt, viś, man, yudh, nī, muh)
    ब्राह्मणस् ... यज्, नृत्, विश्, मन्, युध्, नी, मुह्
  2. devas ... (nṛt, yudh, smṛ, sṛj)
    देवस् ... नृत्, युध्, स्मृ, सृज्
  3. kavis ... (man, smṛ, viś)
    कविस् ... मन्, स्मृ, विश्
  4. dhenus ... (viś, bhū)
    धेनुस् ... विश्, भू

B) Zet de in oefening A gevormde zinnen in het meervoud.

C) Vertaal naar het Sanskrit:

  1. Hij vereert met een offer. (De offerpriester voor een offerheer)
  2. Śiva danst.
  3. Rāma leidt.
  4. Śūdra's zijn verward.
  5. De Kṣatriyavrouwen treden binnen.
  6. De HEER laat emaneren.
  7. De Kṣatriya vereert met een offer. (als offerheer)
  8. Śūdravrouwen dansen.
  9. Kṣatriya's vechten.
  10. Heilige mannen leiden.
  11. Zij herinneren zich.
  12. Wie (vrouwelijk) danst?
  13. De (genoemde) Brahmanin danst.


Śivo nṛtyati = शिवो नृत्यति
Śiva Naṭarāja (नटराज), Kadavul Hindu Temple, Kauai, Hawaii
(Afbeeldingsbron: Wikipedia, CC-BY-SA 2.5)

6.9. Herhalingsoefening

A) Invuloefening: Vorm vragen waarop de zinnen die u volgens de volgende invuloefeningen vormt, antwoorden zijn:

  1. devas ... (īśvara, nṛt, sṛj, agni, indra)
    देवस् ... ईश्वर, नृत्, सृज्, अग्नि, इन्द्र
  2. (dvija, sādhu, kavi) ... brāhmaṇaḥ
    द्विज, साधु, कवि ... ब्राह्मणः
  3. (śruti) ... vedaḥ
    श्रुति ... वेदः
  4. (veda) ... śrutiḥ
    वेद ... श्रुतिः
  5. (brāhmaṇa, guru) ... yajanti
    ब्राह्मण, गुरु ... यजन्ति
  6. (devī) ... indrāṇī
    देवी ... इन्द्राणी
  7. (śūdra, śūdrā, devī) ... nṛtyanti
    शूद्र, शूद्रा, देवी ... नृत्यन्ति
  8. (kṣatriya) ... yudhyante
    क्षत्रिय ... युध्यन्ते
  9. (brāhmaṇa, brāhmaṇī) ... viśanti
    ब्राह्मण, ब्राह्मणी ... विशन्ति
  10. (guru) ... candrakīrtiḥ
    गुरु ... चन्द्रकीर्तिः
  11. (sādhu) ... rāmaḥ
    साधु ... रामः

B) Zet in het meervoud:

  1. brāhmaṇo yajati. = ब्राह्मणो यजति
  2. kaiṣā. = कैषा
  3. kṣatriyo yajate. = क्षत्रियो यजते
  4. sādhvī smarati. = साध्वी स्मरति
  5. vaiśyā muhyati. = वैश्या मुह्यति
  6. sṛjati. = सृजति
  7. devī manyate. = देवी मन्यते
  8. gururviśati. = गुरुर्विशति
  9. ko 'yam. = को ऽयम्
  10. iyaṃ devī nṛtyati. = इयं देवी नृत्यति
  11. eṣa devo yudhyate. = एष देवो युध्यते
  12. sa sṛjati. = स सृजति
  13. paśurdhenuḥ. = पशुर्धेनुः
  14. keyam. = केयम्
    C) Vorm de Ātmanepada van:
  15. rāmo yajati. = रामो यजति
  16. kṣatriyā nayanti. = क्षत्रिया नयन्ति

D) Vorm het vrouwelijke vorm van:

  1. śūdro nayati. = शूद्रो नयति
  2. sādhurviśati. = साधुर्विशति
  3. brāhmaṇaḥ smarati. = ब्राह्मणः स्मरति
  4. kṣatriyo yudhyate. = क्षत्रियो युध्यते
  5. devo guruḥ. = देवो गुरुः

E) Vertaal:

  1. devatānnapūrṇā. = देवतान्नपूर्णा
  2. śūdretarā. = शूद्रेतरा
  3. vaiśyastulādhāraḥ. = वैश्यस्तुलाधारः
  4. kavirmāghaḥ. = कविर्माघः
  5. devyumā. = देव्युमा
  6. śrutirvedaḥ. = श्रुतिर्वेदः
  7. dhenurviśati. = धेनुर्विशति
  8. guruścaitanyaḥ. = गुरुश्चैतन्यः
  9. devīndrāṇī. = देवीन्द्राणी
  10. sādhurguruḥ. = साधुर्गुरुः
  11. gururyajate. = गुरुर्यजते

F) Vertaal naar het Sanskriet:

  1. Rāma brengt een offer (als offeraar).
  2. Durgā is een godin.
  3. Mīnākṣī is een godin.


Mīnākṣī (मीनाक्षी), Mīnākṣī-tempel, Madurai, Tamil Nadu
(Bron: Wikipedia, publiek domein)

  1. Ze zijn in de war.
  2. Rāma is een heilige man.
  3. Wie is de HEER?
  4. Indra is de HEER.
  5. De veedieren komen binnen.
  6. Viṣṇu laat voortkomen = Viṣṇu schept.
  7. Tweemaalgeborenen zijn goed.
  8. De drievoudige (kennis) is de Sāmaveda, de Ṛgveda en de Yajurveda. (2 mogelijkheden)
  9. Deze godin is goed.
  10. De vijf „kwelling” zijn: onwetendheid, egoïsme, hartstocht (liefde), haat, gehechtheid aan het lichaam. (2 mogelijkheden)
  11. „De gemoedstoestanden van Brahma” zijn: vriendelijke welwillendheid, mededogen, medeblijdschap, gelijkmoedigheid. (2 mogelijkheden)
  12. Deze brahmanen brengen offers in opdracht van anderen.
  13. Brahmanen, Kṣatriya’s en Vaśya’s zijn tweemaal-geborenen. (2 mogelijkheden)
  14. De wetenschappen (voor een vorst) zijn: filosofie, de drievoudige (Veda-kennis), economie en politiek. (2 mogelijkheden)
  15. Gaat het goed met u?
  16. (Het gaat) in alle opzichten goed met mij.

Een deel van de Bibliotheek van Tüpfli's Global Village