🇳🇱 NL - Nederlands
🇳🇱 NL - Nederlands
Weergave
🇳🇱 NL - Nederlands
🇳🇱 NL - Nederlands
Weergave
Behalve bij mannelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden op -a en bij de voornaamwoorden zijn de vormen van de ablatief (पञ्चमी) in het enkelvoud in alle verbuigingsklassen identiek aan die van de genitief (षष्ठी) identiek.
Behalve bij de persoonlijke voornaamwoorden zijn in alle verbuigingen in het meervoud de vormen van de ablatief identiek aan die van de datief (चतुर्थी).
Nu begrijpt u de reden voor de volgorde van de naamvallen (विभक्ति) in het Sanskriet: ze zijn zo gerangschikt dat vormen met dezelfde klank zoveel mogelijk naast elkaar – of onder elkaar – staan.
Ablatief enkelvoud van de mannelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden op -a
Vraag-, relatieve en aanwijzende voornaamwoorden:
| Ablatief enkelvoud Mannelijk / Onzijdig | Ablatief enkelvoud Vrouwelijk | |
|---|---|---|
| किम् | kasmāt (कस्मात्) | kasyāḥ (कस्याः) |
| यद् | yasmāt (यस्मात्) | yasyāḥ (यस्याः) |
| तद् | tasmāt (तस्मात्) | tasyāḥ (तस्याः) |
| एतद् | etasmāt (एतस्मात्) | etasyāḥ (एतस्याः) |
| इदम् | asmāt (अस्मात्) | asyāḥ (अस्याः) |
"De ablatief duidt datgene aan wat achterblijft wanneer er iets van weggaat."
Pāṇini 2,3,28 + 1,4,24
De ablatief wordt vooral gebruikt bij de vragen "Waarvandaan?", "Waarom?".
1. De ablatief duidt dus het uitgangspunt, de herkomst en het materiaal aan.
De ablatief kan daarom ook de persoon aanduiden van wie men iets koopt, hoort, wenst, enz.
Voorbeelden:
ग्रमादागच्छति = "Hij komt uit het dorp"
अश्वात्पतितः = "van het paard gevallen"
तेभ्यो लब्धम् = "van hen ontvangen"
Voorbeelden:
गुरोर्धर्मं शृणोति = "hij hoort van de leraar over de Dharma"
ब्राह्मणः क्षत्रियाद्धेनुमिच्छति = "de brahmaan vraagt de kṣatriya om een melkkoe"
2. De ablatief wordt gebruikt bij werkwoorden met de betekenissen „afhouden van”, „beschermen tegen”, „verdedigen tegen”, „bang zijn voor”:
Voorbeeld:
अरिभ्यो रक्षति = „hij beschermt tegen de vijanden“
3. De ablatief duidt de reden of de oorzaak aan:
Voorbeelden:
क्रोधात्पुत्रं हन्ति = "Hij doodt zijn zoon uit woede"
कृतपापत्वान्नरकं गच्छति = "Omdat hij kwaad heeft gedaan, komt hij in de hel" («Omdat hij iemand is door wie kwaad is gedaan»)
पापकरणान्नरकं गच्छति = "Omdat hij kwaad doet / deed, komt hij in de hel"
Zelfstandige naamwoorden die geen vrouwelijke vorm hebben, kunnen, om de reden van een handeling aan te duiden, in de instrumentalis (तृतीया) of de ablativus (पञ्चमी) staan. Vrouwelijke zelfstandige naamwoorden staan in deze betekenis meestal in de instrumentalis, maar kunnen af en toe ook in de ablatief staan.
Als men in het enkelvoud (eenduidig) wil aangeven dat het woord in de ablatieve betekenis wordt gebruikt, kan men aan de woordstam het achtervoegsel -तस् toevoegen, dat bijwoorden vormt met meestal een ablatieve betekenis (op de vraag „Waarvandaan?“):
Voorbeelden:
आदितस् = "vanaf het begin"
धर्मतस् = "wegens de dharma, op grond van de dharma"
Het suffix -तस् treedt ook op bij pronominaalstammen:
तद् : ततस् (« ta-tas) "van daar, daar, daarheen, daarop, toen, daarom"
यद् : यतस् "van welk, waarvan, waarvandaan, waar, waarnaartoe, waarom, omdat" (relatief)
किम् : कुतस् "waarvandaan?" "waarom?"
1. Betrekkelijke zinnen
Betrekkelijke zinnen drukken vaak een causale (motiverende), consecutieve (gevolgaanduidende) of finale (doelaanduidende) relatie tot de hoofdzin uit.
Vormen van het betrekkelijk voornaamwoord die als causaal voegwoord dienen:
Voorbeeld:
यतो (यस्माद् / येन) धर्ममिच्छति [ततो (तस्माद् / तेन)] रामो व्रतं चरति = "Omdat Rāma welvaart wenst, beoefent hij de gelofte"
2. हि
Hoofdzinnen kan men met behulp van het partikel हि "want, omdat" met elkaar verbinden. Een zin met हि (dat niet op de eerste plaats mag staan, maar in proza op de tweede plaats moet staan) geeft een motivering voor ofwel de voorgaande zin ofwel de daaropvolgende zin:
Voorbeeld:
जनाः पुण्यं कुर्वन्ति । स्वर्गं हि गन्तुमिच्छन्ति = "Mensen doen goede daden. Ze willen namelijk naar de hemel gaan."
3. Instrumentalis (तृतीया)
Naast de ablatief (पञ्चमी) wordt de instrumentalis (तृतीया) gebruikt om de reden of oorzaak aan te geven. Bij vrouwelijke zelfstandige naamwoorden is de instrumentalis over het algemeen verplicht.
Voorbeeld:
क्रोधेन पुत्रं हन्ति = „Hij doodt zijn zoon uit woede“ = „Hij doodt zijn zoon in woede“
4. Zelfstandige naamwoorden
Daarnaast kan men redenen natuurlijk ook uitdrukken door middel van constructies met
+ genitief (षष्ठी) of als achterlid van samengestelde woorden:
Voorbeeld:
पुण्यस्य कारणात् (हेतोः enz.) = „vanwege de verdienste“
5. इति
Het motief voor een handeling kan worden aangegeven als gedachten met इति:
Voorbeeld:
सम्यक्संबुद्धः सुगत इत्यानन्दो गौतमं धर्मं पृच्छति = "Omdat de Sugata volledig tot de waarheid is ontwaakt, vraagt Ānanda de Gautama naar zijn leer" (« "Denkend: 'De Sugata is volledig tot de waarheid ontwaakt' ...)
त्यज् 1P त्यजति verlaten, opgeven, in de steek laten
Toekomst त्यक्ष्यति
Passief त्यज्यते
PPP त्यक्त
Inf. त्यक्तुम्
Absol. 2: -त्यज्य
waarvan:
त्याग m.: opgeven, afzien, vermijden
दार m. pl. (!!!): vrouw
द्रव्य n.: voorwerp, bezittingen, materieel eigendom, geld
धान्य n.: gedorsen graan

Afb.: धान्यम्
(Bron afbeelding: Details)
धृ 1U धरति : vasthouden, stevig vasthouden
Fut. धरिष्यति
Pass. ध्रियते
PPP धृत
Inf. धर्तुम्
Absol. 2: -धृत्य
daarvandaan:
धर्म m.: dat wat vast is en vasthoudt = Dharma
नित्य ३ : voortdurend, bestendig, eeuwig
नित्यम् Adv.: altijd, bestendig steeds
प्रज्ञा f.: wijsheid, kennis
प्रदान n.: geven, schenken ; geschenk, donatie
मद् 4 P माद्यति (!) : zich verheugen, zich aan iets (Instr., Gen., Lok.) bedwalmen
Fut. मदिष्यति
Pass. मद्यते
PPP मत्त
Inf. मदितुम्
daarvandaan:
मद m.: bedwelming, zintuiglijke bedwelming = zinslust
मान m.: inschatting, aanzien, roem, eer, trots, hoogmoed, minderwaardigheidscomplex ; (men meet zich aan anderen)
यदि Konjunctie: als
न्याय m.: regel, principe, methode, oordeel (juridisch), logica (uit ni + i + a)
अन्यथा Adv.: anders, anderszins, ten onrechte, onjuist
या 2P याति, यान्ति = गम्
Pass. यायते
PPP यात
Inf. यातुम्
Absol. 2: -याय
दारिद्र्य n. = दरिद्रस्य भावः प्रदान n. = दान शास् 2P शास्ति, शासति (3. mv.) : bevelen, onderwijzen, straffen
Pass. शिष्यते
PPP शिष्ट ३ : onderwezen
Absol 1.: शासित्वा / शिष्त्वा
daarvandaan:
शिक्षा f.: wetenschap, onderwijs ; fonetiek
स्तेन m.: dief
स्तेय n.: diefstal
किल्बिष n.: schuld, belediging, zonde
विना Postpositie: zonder, behalve (met Akk., Instr., Abl.)
मूल n.: wortel

Afb.: मूलानि
(Bron: Details)
लिप् 6U लिम्पति (!): besmeren, insmeren
Fut. लेप्स्यति
Pass. लिप्यते
PPP लिप्त
Inf. लेप्तुम्
daarvan:
लिप्ति f.: besmering, schrijven, schrift

Afb.: लिप्तिः
(Bron: Details)
वर्ष n.,m.: regen, regentijd, jaar
वह् 1U वहति : leiden, varen, waaien (wind)
Fut. वक्ष्यति
Pass. उह्यते
PPP ऊढ
Inf. वोढुम्
Absol 2: -उह्य वह् + वि 1P विवहति : wegleiden (namelijk de bruid uit het ouderlijk huis) = trouwen
daarvan:
विवाह m.: wegleiden, huwelijk van een vrouw (Instr., saha) (voor het huwelijk zie Basham, Wonder S. 166 -171)

Afb.: विवाहः
(Bron: Details)
नी + वि 1U विनयति : wegleiden, onderrichten, opvoeden
daarvan:
विनय m.: verwijderen, opvoeden, discipline, boeddhistisch: kloosterdiscipline, kloosterrichtlijn
विज्ञान n.: kennis, inzicht
विष्टि f.: arbeid, dwangarbeid

Afb.: विष्टिः
(Bron: Details)
वृध् 1Ā वर्धते : groeien, groter worden
Fut. वर्धिष्यते
Pass. वृध्यते
PPP वृद्ध : volwassen, oud, vermeerderd
Inf. वर्धितुम्
daarvan:
वृद्धि f.: groei, groeiing, verdubbelingsgraad (uit: vṛdh-ti)
सामर्थ्य n.: hetgeen aan zijn doel beantwoordt
स्वभाव m.: wezen, natuur, karakter
हर्ष m.: (het rechtopzetten van het lichaamshaar), vreugde
हिरण्य ३ : gouden ; n.: goud, geld, rijkdom

Afb.: हिरण्यम्
(Bron afbeelding: Details)
अणु ३ : dun, fijn, zeer klein ; m.: atoom
गोदान n.: geven van koeien / een koe ; tweede haarsnijceremonie (een संस्कार)
A) Vul de vervoegingsvoorbeelden van Les 16, herhalingsoefening A aan door toevoeging van 4. Dativus (चतुर्थी) en 5. Ablativus (पञ्चमी). Vorm ook vervoegingsreeksen met alle tot nu toe geleerde vormen voor
१. सन्त् (m., n.)
२. महान्त् (m., n.)
३. यद् (m., n., f.)
Leer deze vervoegingsparadigma's uit je hoofd!
B) Vertaal en ontbind de samenstellingen in het Sanskriet:
गुर्वादेशाद्रामो ग्रामान्नगरं गत्वा साधुगृहं प्रविश्य साधुमुपस्थायालं क्रोधेनेति वक्ति ॥१॥ गुरोरधर्मः श्रोतुं न शक्यत इति श्रुत्या च स्मृतिभिश्चोद्यते ॥२॥ क्षत्रिया जनाञ्छत्रुभ्यो रक्षितुमर्हन्तीति क्षत्रियधर्मः ॥३॥ कृतयज्ञदोषत्वाद्ब्राह्मणो धनं लब्धुं नार्हति ॥४॥ धनलाभहेतोस्ते वैश्या व्रतं कृत्वा ब्रह्मचर्यं चरन्ति ॥५॥ बुद्द्धाश्चार्हन्तश्च दुःखान्मुक्ताः । मुञ्चन्ती बुद्धिर्हि तैः प्राप्ता ॥६॥ लोभेन च क्रोधेन च मोहेन च जना दुष्यन्ति । ततः प्राप्तकाला नरकं पतन्ति ॥७॥ क्षत्रियो महानगरतः शत्रुग्रामं योद्धुं शूरयोधानानयति ॥८॥
पुत्रलाभकारणाद्ब्राह्मणी व्रतं चरति ॥९॥ लब्धपुत्रत्वाद्द्विजेन महासुखमाप्तम् ॥१०॥ विष्णुर्भक्तान्मरणात्पाति ॥११॥ रामाद्विना = रामं विना = रामेण विना ॥१२॥ साधोः शिक्षा गुणाय संपद्यते नासाधोः ॥१३॥ रामः कृष्णाय तिष्ठति ॥१४॥ सुखेन गच्छति ॥१५॥ अलं भयेन ॥१६॥ लोकादधिको हरिः ॥१७॥ (हरi m. = विष्णु / कृष्ण)

Afbeelding: लोकादधिको हरिः
Verklaring: सर्वतस् = sarva "elk, allen" + -tas ; अणु = Nom., Akk. sg. neutr.
मानाद्वा यदि वा लोभात् क्रोधाद्वा यदि वा भयात् । यो न्यायमन्यथा ब्रूते स याति नरकं नरः ॥२॥ भवन्ति नरकाः पापात् पापं दारिद्र्यसंभवम् । दारिद्र्यमप्रदानेन ॥३॥ शासनाद्वा विमोक्षाद्वा स्तेनः स्तेयाद्विमुच्यते । अशासित्वा तु तं राजा स्तेनस्याप्नोति किल्बिषम् ॥मनुस्मृति ८.३१६॥ ॥४॥
Verklaring: राजा = Nom. sg. van राजन् m. = नृप
1. कौटिलीयार्थशास्त्र १.४.१. over het nut van de economie:
वार्त्ता धान्यपशुहिरण्यकुप्यविष्टिप्रदानादौपकारिकी ॥
2. कौटिलीयार्थशास्त्र १.५. over de opleiding van een vorst:
तस्माद्दण्डमूलास्तिस्रो विद्याः ॥१॥ विनयमूलो दण्डः प्राणभृतां योगक्षेमावहः ॥२॥ कृतकः स्वाभाविकश्च विनयः ॥३॥ क्रिया हि द्रव्यं विनयति नाद्रव्यम् ॥४॥ शुश्रूषाश्रवणग्रहणविज्ञानोहापोहतत्त्वाभिनिविष्टबुद्धिं विद्या विनयति नेतरम् ॥५॥
॥ वृत्तचौलकर्मा लिपिं संख्यानं चोपयुन्ञ्जीत ॥७॥ वृत्तोपनयस्त्रयीमान्वीक्षिकीं च शिष्टेभ्यो वार्त्तामध्यक्षेभ्यो दण्डनीतिं वक्तृप्रयोक्तृभ्यः ॥८॥ ब्रह्मचर्यं चा षोडशाद्वर्षाद् ॥९॥ अतो गोदानं दारकर्म चास्य ॥१०॥ नित्यश्च विद्यावृद्धसंयोगो विनयवृद्ध्यर्थम्, तन्मूलत्वाद्विनयस्य ॥११॥
॥ श्रुताद्धि प्रज्ञोपजायते प्रज्ञाया योगो योगादात्मवत्तेति विद्यानां सामर्थ्यम् ॥१६॥
॥ कामक्रोधलोभमानमदहर्षत्यागात्कार्यः ॥१.६.१.॥
Verklaring van de in bovenstaande tekst rood gemarkeerde woorden:
1.5.1. तिस्रस् : naamval, accusatief, vrouwelijk tot त्रि "drie"
1.5.2. प्राणभृताम् : genitief, meervoud, mannelijk tot प्राणभृत् m. "wezens"
1.5.5. इतरम् accusatief, enkelvoud, mannelijk tot इतर ३ "ander"
1.5.7. कर्मा : nominatief, enkelvoud, mannelijk tot कर्मन् neutrum "daad, werk" ; उपयुञ्जीत : optatief 3. persoon enkelvoud Ā aan upa-yuj 7 "zich toe-eigenen": "hij moge zich toe-eigenen"
1.5.8. वक्तृप्रयोक्तृभ्यस् ablatief, datief, meervoud tot वक्त्र्प्रयोक्तृ (इतरेतरद्वन्द्व) "theoretici en praktici"
1.5.9. षोडश ३ : "zestiende"
1.5.10. कर्म nominatief, accusatief, enkelvoud tot कर्मन् n. "daad"
1.5.16. धि sandhi-vorm tot हि ; आत्मवत्ता v.: "zelfbezit"
1.6.1. कार्य ३ "te doen, wat gedaan moet worden"