Skip to content

Oefening 9

A) Probeer de mogelijke betekenissen van de volgende woorden te achterhalen:

1. brāhmānaka ब्राह्मणक : m. iemand die alleen maar op een brahmaan lijkt = een slechte brahmaan

2. mati मति : v. mening

3. śravaṇa श्रवण : n. oor

4. dhenuka धेनुक : m. (coïtus) op de manier van een koe

5. jayaka जयक : 3 zegevierend

6. rakṣikā रक्षिका : v. bewaker, amulet

7. karṣaka कर्षक : 3 ploegend ; m. landbouwer

8. kleśa क्लेश : m. kwelling

9. nāyikātva नायिकात्व : n. toestand van een geliefde

10. tantraka तन्त्रक : 3 (net) van de weefketting / het weefgetouw afkomstig = nieuw geweven

11. nartaka (v. nartakī) नर्तक (नर्तकी) : danser

12. naraka नरक : m. hel

13. lābhaka लाभक : m. = lābha

14. īśvaratā ईश्वरता : v. HEER-zijn

15. dhenukā धेनुका : v. = dhenu

16. yodhaka योधक : m. strijder

17. kopa कोप : m. woede

18. veśaka वेशक : 3 binnentreden

19. darśaka दर्शक : 3 ziend

20. kopaka कोपक : 3 iemand die snel boos wordt, opvliegend

B) Vertaal:

1. Taken van alle tweemaal-geborenen:

ijyādhyayanadānāni इज्याध्ययनदानानि

(Yājñavalkyadharmaśāstra I, 118)

Offer, studie van de Veda’s, het geven van giften.

2. Specifieke taken van een brahmaan:

pravacanayājanapratigrahāḥ प्रवचनयाजनप्रतिग्रहाः

(Gautamadharmasūtra X,2)

Onderwijzen, offers brengen in opdracht, giften aannemen.

3. Specifieke taken van een Kṣatriya:

rakṣaṇaṃ sarvabhūtānām रक्षणं सर्वभूतानाम्

(sarvabhūtānām = genitief: „van alle wezens”)

(Gautamadharmasūtra X,7)

Bescherming van alle wezens.

4. Specifieke taken van een Vaiśya:

kṛṣivāṇijyapāśupālyakusīdam कृषिवाणिज्यपाशुपाल्यकुसीदम्

(naar Gautamadharmasūtra X,49)

Landbouw, handel, veeteelt en gelduitlening.

5. Taken van een Śūdra:

dvijātīnāṃ śuśrūṣā vārttā kārukuśīlavakarma ca. द्विजातीनं शुश्रूषा वार्त्त्ता कारुकुशीलवकर्म च

(naar Kauṭilīya-arthaśāstra 1.3.8.)

Toelichting:
dvijātīnām = genitief (wezenval) meervoud van dvijāti (vertaal hier: "tegenover de Tweemaalgeborenen")

kārukuśīlavakarma is een tatpuruṣa met een dvandva (kārukuśīlava) in het voorlid. karma = nom. enk. van karman o. "daad, werkzaamheid, karma" bij de wortel kṛ 8 U). Vertaal "daad / werkzaamheid van de ... (genitief)" (door het dvandva aangeduiden).

Gehoorzaamheid tegenover de Tweemaalgeborenen, werkzaamheden voor het levensonderhoud, werkzaamheid als ambachtsman respectievelijk rondtrekkende artiesten.

6. kṛṣiḥ pāśupālyaṃ vaṇijyā ca vārttā. कृषिः पाशुपाल्यं वणिज्या च वार्त्ता

(naar Kauṭilīya-arthaśāstra 1.4.1.)

Economie is landbouw, veeteelt en handel.


Afb.: रक्षणं सर्वभूतानाम्
(Afbeeldingsbron: Details)

Een deel van de Bibliotheek van Tüpfli's Global Village