Skip to content

Les 7

Weekspreuk

धर्मो जयति नधर्मः सत्यं जयति नानृतम् | क्षमा जयति न क्रोधो देवो जयति नासुरः ॥

dharmo jayati nādharmaḥ
satyaṃ jayati nānṛtam |
kṣamā jayati na krodho
devo jayati nāsuraḥ ||

Recht overwint, niet onrecht,
Waarheid overwint, niet onwaarheid,
Lankmoedigheid overwint, niet woede,
God overwint, niet de tegen-god.

7.1. De werkwoordelijke zin met lijdend voorwerp

Schema:
(Agens = kartṛ m. = कर्तृ) – lijdend voorwerp (karman n. = कर्मन्) – werkwoord

bijv.
rāmaḥ phalaṃ khādati = रामः फलं खादति : "Rāma eet (kaut) een vrucht."
brāhmaṇo devaṃ yajati = ब्राह्मणो देवं यजति : "De brahmaan vereert een god met een offer (voor iemand anders)."

Staat het werkwoord in Parasmaipada of Ātmanepada, dan staat het lijdend voorwerp (karman n. = कर्मन्) over het algemeen in de Akkusatief (Wenfall, dvitīyā f. = द्वितीया).

7.2. De Akkusatief (Wenfall, dvitīyā f. = द्वितीया = "tweede kasusuitgang")

Uitgang van de Akkusatief Enkelvoud Mannelijk en Vrouwelijk na klinker: -m

Maskulina opAkkusatief Enkelvoud
-a: devadevam
देवम्
-i: kavikavim
कविम्
-u: gurugurum
गुरुम्
Feminina opAkkusatief Enkelvoud
: devatādevatām
देवताम्
-i: śrutiśrutim
श्रुतिम्
: devīdevīm
देवीम्
-u: dhenudhenum
धेनुम्

Akkusatief meervoud mannelijk van de stam op klinker (uitzondering: eenlettergrepige wortelstammen met lange klinker): Verlenging van de uitklinkende klinker + -n

Manneijk opAkkusatief meervoud
-a: devadevān
देवान्
-i: kavikavīn
कवीन्
-u: gurugurūn
गुरून्

Akkusatief meervoud vrouwelijk van de stam op klinker (uitzondering: eenlettergrepige wortelstammen met lange klinker): Verlenging van de uitklinkende klinker + -s

Vrouwelijk opAkkusatief meervoud
: devatādevatās
देवतास्
-i: śrutiśrutīs
श्रुतीस्
: devīdevīs
देवीस्
-u: dhenudhenūs
धेनूस्

7.2.1. Akkusatief enkelvoud en meervoud van de vraag- en aanwijzende voornaamwoorden

ManneijkVrouwelijkMannelijk
kim
wie/wat
ev.kam
कम्
kām
काम्
kim
किम्
mv.kān
कान्
kās
कास्
kāni
कानि
tad
hij/het/dat
ev.tam
तम्
tām
ताम्
tad
तद्
mv.tān
तान्
tās
तास्
tāni
तानि
etad
deze hier
ev.etam / enam
एतम् / एनम्
etām / enām
एताम् / एनाम्
etad / enad
एतद् / एनद्
mv.etān / enān
एतान् / एनान्
etās / enās
एतास् / एनास्
etāni / enāni
एतानि / एनानि
idam
deze
ev.imam / enam
इमम् / एनम्
imām / enām
इमाम् / एनाम्
idam / enad
इदम् / एनद्
mv.imān / enān
इमान् / एनान्
imās / enās
इमास् / एनास्
imāni / enāni
इमानि / एनानि

De vormen enam (एनम्) enz. behoren tot de stam enad (एनद्), die slechts in enkele naamvallen vormen vormt. Deze worden in plaats van de vormen van etad en idam gebruikt wanneer hetgeen daarmee wordt aangeduid, in de voorafgaande zin al is genoemd.
bijv. ayaṃ devaḥ, enaṃ yajante. = अयं देवः । एनं यजन्ते ॥ : "Er is een god. Men brengt hem offers."

7.2.2. Gebruik van de accusatief (dvitīyā f. = द्वितीया = "tweede naamval")

De accusatief (dvitīyā f. = द्वितीया) duidt aan:

  1. In een niet-passieve werkwoordszin: het direct object (karman n. = कर्मन्) van de handeling die door het werkwoord wordt uitgedrukt:
    bijv.
    • devaṃ yajati = देवं यजति : "Hij eert een god met een offer."
    • phalam āpnoti = फलमाप्नोति : "Hij verkrijgt de vrucht (bijv. van zijn handelen)."
  2. Bij werkwoorden die een gang, een beweging, een leiden of iets dergelijks naar iets toe uitdrukken, duidt de accusatief het doel van de beweging aan:
    bijv.
    • narakaṃ gacchati = नरकं गच्छति : "Hij gaat naar de hel."

Verdere toepassingen van de accusatief worden later behandeld.

7.3. Sandhi van een -n aan het einde van een woord

Eind-n:

  1. Wordt vóór stemhebbende palatale en retroflexe sparśa en vóór ś- vervangen door de nasale die bij deze klanken hoort:

    • -n vóór j-, jh-, ñ-, ś- »
    • -n voor ḍ-, ḍh-, ṇ-, ṣ- » -ṇ
      bijv. kṣatriyān + jayati » kṣatriyāñ jayati = क्षत्रियांञ्जयति : „Hij verslaat de Kṣatriya’s.”
      Een ś- aan het begin van een woord wordt dan meestal vervangen door ch-:
      gurūn + śṛṇoti » gurūñ chṛṇoti (naast gurūñ śṛṇoti) = गुरूञ्छृणोति (गुरूञ्शृणोति) : "Hij luistert naar de leraren." "Hij gehoorzaamt de leraren."
  2. Wordt vóór aanluidende l- vervangen door -l met Anunāsika (genasaleerde l, in het schrift ल् met Anunāsika ):
    bijv. paśūn + labhate » पशूंल्लभते : "Hij verkrijgt vee."

  3. Wordt vóór aanluidende stemloze palataal, retroflex of dentaal vervangen door Anusvāra + de bij deze klanken behorende sibilant:
    -n vóór c-, ch- » -ṃś
    -n vóór ṭ-, ṭh- » -ṃṣ
    -n vóór t-, th- » -ṃs
    bijv. devān + ca » devāṃś ca = देवांश्च : "en de goden (acc.)"
    devān + tu » devāṃs tu = देवांस्तु : "maar de goden (acc.)"

  4. Behalve na een korte klinker (zie later) blijft de uitluidende -n in alle overige gevallen onveranderd.

7.4. Het neutrum (napuṃsaka n. = नपुंसक)

In het neutrum zijn de vormen voor nominatief (prathamā) en accusatief (dvitīyā) identiek.

7.4.1. Neutrum van de stammen op -a

Uitgang nominatief / accusatief enkelvoud: -m
bijv. phala n. = फल = "vrucht": Nom. / Acc. sg. phalam = फलम्
Uitgang nominatief / accusatief meervoud: -āni
bijv. phala n. = फल: Nom. / Acc. pl. phalāni = फलानि

7.5. Athematische presensklassen

De 5e presensklasse vormt een zogenaamde athematische presensstam, d.w.z. de presensstam eindigt niet, zoals bij de thematische presensklassen (1e, 4e, 6e, 10e klasse), op de "themaklinker" -a.

De athematische presensklassen hebben stamabstufing, d.w.z. er zijn twee vormen van de presensstam:

  1. sterke stam: hooggradig (zelden verlengd)
  2. zwakke stam: laaggradig

De sterke stam staat:
in de indicatief singular Parasmaipada praesens (laṭ) en imperfectum (laṅ)
alle eerste personen van de imperatief (loṭ) Parasmaipada en Ātmanepada
in de derde persoon singular imperatief (loṭ) Parasmaipada

Alle andere vormen hebben de zwakke praesensstam.

7.5.1. Primaire uitgangen van de 3e persoon plural bij athematische stammen

Bij athematische praesensstammen luiden de primaire uitgangen van de 3e persoon plural:
Parasmaipada: -anti
Ātmanepada: -ate

7.5.2. De 5e praesensklasse (svādi = स्वादि = "su enz.")

Sterke stam: (meestal) laaggradige wortel (zoals aangevoerd) + -no-
Zwakke stam: (meestal) laaggradige wortel (zoals aangevoerd) + -nu-

Voor vocale uitgangen wordt bij op een klinker uitgaande wortels -nu- door -nv- vervangen, bij op een consonant uitgaande wortels wordt voor vocale uitgangen -nu- door -nuv- vervangen.

Voorbeelden:

Wortel
धातु
Sterke stamZwakke stamVoor klinker
(zwak)
āp
5 P
आप्
"bereiken"
āp-no
(3.sg. āpnoti = आप्नोति)
āp-nuāp-nuv
(3.pl. āpnuvanti = आप्नुवन्ति)

5 Ā
अश्
"bereiken"
aś-nu
(3.sg. aśnute = अश्नुते)
aś-nuv
(3.pl. aśnuvate = अश्नुवते)
su
5 U
सु
"uitpersen"
su-no
(3.sg. sunoti = सुनोति)
su-nu
(3.sg. sunute = सुनुते)
su-nv
(3.pl. sunvanti = सुन्वन्ति,
3.pl. sunvate = सुन्वते)
śru
5 P
श्रु
"horen"
śṛ-ṇo
(3.sg. śṛṇoti = शृणोति)
śṛ-ṇuśṛ-ṇv
(3.pl. śṛṇvanti = शृण्वन्ति)

7.6. Woordenlijst

Leer de volgende woorden:

  • 5 Ā (aśnute) अश् अश्नुते : bereiken, bij komen, verkrijgen
  • āp 5 P (āpnoti) आप् आप्नोति : bereiken, verkrijgen
  • kup 4 P (kupyati) कुप् कुप्यति : toornig worden
  • krudh 4 P (krudhyati) क्रुध् क्रुध्यति : toornig worden
  • khād 1 P (khādati) खाद् खादति : kauwen, eten
  • śru 5 P (śṛṇoti !) श्रु शृणोति : horen (iets: accusatief, iemand: genitief of accusatief; over: accusatief; van iemand: genitief, ablatief, instrumentaal)
  • su 5 U (sunoti) सु सुनोति : uitpersen
  • soma m. सोम : persdrank, soma; maan (uit welke plant soma werd geperst, is tot op de dag van vandaag omstreden).


Afb.: Was dit de Vedische somaplant?: Vliegenzwam: Amanita muscaria (L.) Lam.
(Bron: Details)

  • phala zn. फल : vrucht (ook in overdrachtelijke zin: (karmische) vrucht van een daad)
  • nṛtya zn. नृत्य : dans
  • svarga m. स्वर्ग : hemel
  • naraka m. नरक : hel (volgens een hindoeïstische opvatting heeft het universum de vorm van een ei (Brahmāṇḍa m.n. = ब्रह्माण्ड = „ei van Brahmā“): boven de aarde bevinden zich zes hemelen met toenemende gelukzaligheid, onder de aarde bevinden zich zeven zogenaamde pātāla n. = पाताल, verblijfsplaatsen van de nāga m. = नाग (slangen) en andere mythische wezens; daaronder bevinden zich 7 hellewerelden met toenemende kwellingen)
  • aṅga n. अङ्ग : lichaamsdeel, onderdeel; ook = vedāṅga = वेदाङ्ग
  • gam 1 P (gacchati) गम् गच्छति : gaan (behoort volgens de inheemse werkwoordclassificatie tot de tegenwoordige tijdklasse 1, maar is in werkelijkheid een vorming met een tegenwoordige tijdstamvormingsachtervoegsel -ccha-: gam » laaggraad (gm ») ga-ccha-ti)

7.7. Oefening

A) Vul in elk het enkelvoud en meervoud van het lijdend voorwerp of de richting-accusatief in:

  1. brāhmaṇas ... yajati (deva, devī, viṣṇu, agni, devatā)
    ब्राह्मणस् ... यजति (देव, देवी, विष्णु, अग्नि, देवता)


Afb.: Viṣṇu = विष्णु, 8./9e eeuw.
(Bron afbeelding: Details)

  1. gurus ... khādati (phala)
    गुरुस् ... खादति (फल)
  2. sādhus ... gacchati (svarga)
    साधुस् ... गच्छति (स्वर्ग)
  3. śūdrā ... gacchati (naraka)
    शूद्रा ... गच्छति (नरक)
  4. ... jayati (śūdra)
    जयति (शूद्र)
  5. ... labhate (dhenu, paśu, phala)
    लभते (धेनु, पशु, फल)

B) Vul de bijbehorende werkwoordsvormen in:

  1. sādhuḥ svargaṃ ... (āp, gam, aś)
    साधुः स्वर्गम् ... (आप्, गम्, अश्)
  2. brāhmaṇaḥ somam ... (su) (2 vormen)
    ब्राह्मणः सोमम् ... (सु)
  3. sādhur gurum ... (śru)
    साधुर्गुरुम् ... (श्रु)
  4. devī ... (kup, krudh)
    देवी ... (कुप्, क्रुध्)

C) Zet in de oefenzinnen B) het agens, object en werkwoord om naar het meervoud.

D) Zet over in de Ātmanepada:

  1. sunvanti.
    सुन्वन्ति ।
  2. nayanti.
    नयन्ति ।
  3. sunoti.
    सुनोति ।
  4. yajati.
    यजति ।


Afb.: yajati = यजति — Vedisch offer = yajña m. = यज्ञ
(Bron afbeelding: Details)

E) Vorm de accusatief (dvitīyā) enkelvoud en meervoud voor alle tot nu toe geleerde naamwoorden.

F) Vertaal:

  1. narakāṃś ca svargāṃś ca gacchanti.
    नरकांश्च स्वर्गांश्च गच्छन्ति ।
  2. gurūṃs tu śṛṇvanti.
    गुरूूंस्तु शृण्वन्ति ।
  3. Śūdras bereiken een hemel.
  4. De Kṣatriyas vereren als offerheren de godinnen met offers.
  5. Vaiśyavrouwen vereren godheden met offers.
  6. De HEER is boos.
  7. śikṣā kalpo vyākaraṇaṃ niruktaṃ chando jyotiṣam aṅgāni.
    शिक्षा कल्पो व्याकरणं निरुक्तं छन्दो ज्योतिषमङ्गानि ।
  8. Aan welke god offert deze brahmaan?


Afb.: Aan welke god offert men hier? Antwoord: Gaṇeśa (Gaṇapati) = गणेश (गणपति). Gaṇapatihoma (yajña).
(Bron afbeelding: Details)

  1. Wat kauwt deze heilige man?
  2. Wat persen deze (hier) uit?
  3. Hij is de leraar. Op hem luistert men (= horen zij).

Een deel van de Bibliotheek van Tüpfli's Global Village