Skip to content

Les 51

51.1. उपपद-samenstellingen

उपपद-samenstellingen (उपपद o. "begeleidend woord") zijn तत्पुरुष met een verbaal substantief als achterlid, dat alleen als achterlid van samenstellingen voorkomt, maar niet als zelfstandig, afzonderlijk woord. उपपद worden met de कृत्-suffixen

  • -a
  • -t

gevormd. Het zijn nomina agentis, d.w.z. zij duiden een agens aan (कर्तृ) die de handeling verricht die door de onderliggende wortel wordt aangeduid.

Dergelijke samenstellingen worden door de inheemse commentatoren niet door nominale combinaties, maar middels werkwoordsvormen ontleed:

Voorbeelden:

सुखकरः = सुखं करोतीति सुखकरः कुलघ्नः = कुलम्हन्तीति कुलघ्नः

Voorbeelden:

a) कृत्-suffix -Ø

-नी 3 "leidend" bijv. सेनानी m. "legeraanvoerder" (सेना v. "leger")

-भुज् 3 "genietend, etend" bijv. भूमिभुज् m. "koning" (भूमि v. "aarde")

-विद् 3 "wetend" bijv. धर्मविद् 3 "de dharma kennend"


Afb.: भूमिभुज् ज्ञानेन्द्र वीर बिक्रम शाह, नेपालस्यान्तिमो राजा (2001 - 2008)
(Afbeeldingsbron: Details)

b) कृत्-suffix -t

-कृत् 3 "makend" bijv.

कुलक्षयकृत् 3 "vernietiging van de familie teweegbrengend"

पापकृत् 3 "kwaad doend, kwaaddoener"

-जित् 3 "verslaand", bijv.

शत्रुजित् 3 "de vijanden verslaand"

पुरुजित् 3 "velen verslaand" (पुरु 3 "veel, overvloedig")

-भृत् 3 "dragend" bijv. भूमिभृत् m. "koning"


Afb.: पापकृत् भरतपुर, राजस्थान
(Bron: Details)

c) कृत्-achtervoegsel -a

- 3 „gaand (in, naar)” (vermoedelijk afgeleid van de stam gā, met de basis g + a) bijv. खग 3 „vliegend” m. „vogel, wandelende ster” ( n. „gat, ‘lucht’ruimte”)

-घ्न 3 "vernietigend", bijv. कुलघ 3 "familie(s) dodend"

- 3 (jña » jā » diepste j + a) "afkomstig uit, geboren in", bijv. आत्मज "zoon"

-ज्ञ 3 "bekwaam" (jñ-a) bijv. सर्वज्ञ 3 "alwetend"

- 3 "gevend" (d-a) bijv. वारिद m. "wolk" (वारि n. "water")

- 3 "drinkend" (p-a) bijv. द्विप m. "olifant (twee keer drinkend)"

- 3 „beschermend” (p-a) bijv. भूप „de aarde beschermend = koning”

-स्थ 3 „staand in, zich bevindend in“ (sth-a) bijv. गृहस्थ m. „huishouder, huisvader“

-कर 3 "veroorzakend, doend" bijv. सुखकर 3 "geluk brengend"

-स्मर 3 „zich herinnerend“ bijv. जातिस्मर 3 „zich eerdere geboorten herinnerend“


Afb.: द्विपो द्विर्पिबति : हस्तेन च मुखेन च नेपाल
(Afbeeldingsbron: Details)

51.2. Verbuiging van stammen die eindigen op een enkele medeklinker (behalve een nasale, halfklinker of -s)

Stammen die eindigen op een eenvoudige medeklinker (behalve een nasale, halfklinker of -s) kennen geen stamvervaging. De verbuiging verloopt volledig regelmatig door het toevoegen van de reguliere naamvaluitgangen.

Enige onregelmatigheid: in het nominatief, accusatief en vocatief meervoud van het onzijdige wordt een nasale voor de stamuitgang ingevoegd.

51.2.1. Stamwoorden op niet-palatale sluitklanken

De gebruikelijke klankveranderingswetten gelden, d.w.z.

  • aan het woorduiteinde staat de overeenkomstige stemloze niet-aspirat
  • voor het -su van de lokatief meervoud wordt het woorduiteinde eerst vervangen door de overeenkomstige stemloze niet-aspirat, daarna treden de overeenkomstige klankveranderingen op
  • voor een medeklinker met stem wordt het woorduiteinde vervangen door de overeenkomstige stemhebbende niet-aspirat.

Voorbeelden:

शत्रुजित् 3 "vijanden overwinnend"

Mannelijk geslacht, Vrouwelijk geslacht:

Enkelvoud:

Nominatief/Vocativ शत्रुजित् (śatrujit + s)
Accusatief शत्रुजितम्

Meervoud:

Nominatief/Accusatief/Vocativ शत्रुजितस्
Instrumentalis शत्रुजिद्भिस्
Lokatief शत्रुजित्सु

Mannelijk geslacht

Enkelvoud Nominatief/Accusatief/Vocativ शत्रुजित्
Meervoud Nominatief/Accusatief/Vocativ शत्रुजिन्ति

सुयुध् 3 "goed strijdend"

Enkelvoud. Nominatief/Vocativ m.v.o. सुयुत्
enzovoort.

Volledige paradigmas bij Kielhorn, Grammatik blz. 16ff.

51.2.2. Stamwoorden op palatale sluitklanken (c, ch, j), ś, ṣ

Voor een met een klinker beginnende uitgang blijft het woorduiteinde van de stam ongewijzigd.

Voor de overige uitgangen geldt:

  • uitlopende -c en -j worden vervangen door k en de stam wordt vervolgens behandeld alsof hij op -k uitloopt

  • in sommige woorden (lijst bij Kielhorn, Grammatik blz. 18) wordt uitlopende -j vervangen door -ṭ

  • uitlopende -ch wordt vervangen door -ṭ

  • uitlopende -ś en -ṣ worden - met enkele uitzonderingen - vervangen door -ṭ. In de uitzonderingsgevallen worden -ś en -ṣ vervangen door -k
    d.w.z.

  • -c » -k

  • -ch » -ṭ

  • -j » -k of -ṭ

  • -ś » -ṭ of -k

  • -ṣ » -ṭ of -k

Voorbeelden:

सत्यवाच् 3 "de waarheid sprekend" (बहुव्रीहि)

Mannelijke vorm, vrouwelijke vorm:

Enkelvoud:

Nom.Voc. सत्यवाक्
Acc. सत्यवाचम्
Instr. सत्यवाचा

Meervoud:

Instr. सत्यवाग्भिस्
Loc. सत्यवाक्षु

Onzijdig

Enkelvoud Nom.Acc.Voc. सत्यवाक्
Meervoud Nom.Acc.Voc. सत्यवाञ्चि

शेषभुज् 3 "Eet restjes"

Mannelijke vorm, vrouwelijke vorm:

Enkelvoud:

Nominatief/Vocatief शेषभुक्
Accusatief शेषभुजम्

Meervoud:

Instr. शेषभुग्भिस्
Loc. शेषभुक्षु

Onzijdig

Enkelvoud Nom.Acc.Voc. शेषभुक्
Meervoud Nom.Acc.Voc. शेषभुञ्जि

परिव्राज् m. „zwervende monnik”

Mannelijke vorm, vrouwelijke vorm:

Enkelvoud:

Nominatief, Vocatief परिव्राट्
Accusatief परिव्राजम्

Meervoud:

Instr. परिव्राड्भिस्
Loc. परिव्राट्सु


Afb.: परिव्राट् पुष्कर
(Afbeeldingsbron: Details)

51.2.3. Wortelvormen op -h

Voor een uitgang die met een klinker begint, blijft de -h ongewijzigd.

Voor de overige uitgangen

  • wordt de -h normaal gesproken vervangen door -ḍh
  • als de onderliggende stam met een d- begint, wordt -h vervangen door -gh. Hetzelfde geldt voor sommige andere woorden, naar keuze of verplicht (overzicht bij Kielhorn, Grammatica §80,2)
  • (in de uitklank van het stamwoord wordt -h vervangen door -dh)

Na deze vervangingen wordt de stam verder behandeld alsof hij op -ḍh, -gh resp. -dh eindigt.

Zie de paradigmas bij Kielhorn, Grammatik, blz. 20v.

Voorbeelden:

गुह् 3 "verbergend"

Mannelijk, vrouwelijk:

Enkelvoud:

Nom.Voc. घुट् (Grassmanns wet van hauchdissimilatie: गुढ् + s)
Acc. गुहम्

Meervoud:

Instr. घुड्भिस्
Lok. घुट्सु

द्रुह् "schadelijk, hatend" (optioneel -ḍh/-gh)

Mannelijk, vrouwelijk:

Enkelvoud:

Nom.Voc. ध्रुट् । ध्रुक्
Acc. द्रुहम्

Meervoud:

Instr. ध्रुड्भिस् । ध्रुग्भिस्
Lok. ध्रुट्सु । ध्रुक्षु

51.3. Sandhi van aanvangend h-

Voor aanvangend h- wordt een voorafgaande sluitklank vervangen door de overeenkomstige stemloze niet-aspirat en het aanvangende h- door de bij deze sluitklank behorende stemhebbende aspirat:

तत् + हि » तद्धि वाक् + हि » वाग्घि परिव्राट् + हि » परिव्राड्ढि

51.4. Sandhi van aanvangend ch-

Aanvangend ch- wordt na korte klinker, na मा "niet" en na "naar" vervangen door cch-:

+ छिन्दति » न च्छिन्दति

51.5. -ch- in het woord

In het woord wordt -ch- na alle klinkers vervangen door -cch-:

bijv. छिद् » चिच्छेद

51.6. Woordenlijst

अजिन n.: antilopehuid, met name de huid van de zwarte antiloop (Hirschziegenantilope : Antilope cervicapra L. ). Oorspronkelijk voorkomend op het hele Indische subcontinent van Punjab en Sind tot Bengalen en van Nepal tot Kanyakumari (Kaap Comorin) (Tamil: கன்னியாகுமரி) Zie:
> Walker's mammals of the world / Ronald M. Nowak. -- 6e druk. -- Baltimore [e.a.] : Johns Hopkins Univ. Pr., 1999. -- 2 delen. -- ISBN 0-8018-5789-9. -- Deel 2. -- blz. 1193 e.v.


Afb.:
(Bron: Details)

अतिथि m.: gast

अभ्यन्तर 3: zich binnenin bevindend, volgende; m. de naaste verwant, inwoner

अरण्य zn.: wildernis, bos

ऋतु m.: periodiek verschijnsel, seizoen, tijdsperiode, menstruatie, tijd waarin de vrouw vruchtbaar is en recht heeft op geslachtsgemeenschap met haar echtgenoot.

Zie voor ऋतु Manu III, 45-48: volgens deze tekst duurt ऋतु 16 dagen (volgens de alternatieve vertaling: 20 dagen) vanaf het begin van de menstruatie; gedurende de eerste vier dagen na het begin van de menstruatie is geslachtsgemeenschap verboden (volgens de alternatieve vertaling: gedurende de eerste acht (4 + 4) dagen), evenals op de 11e (resp. 15e) en 13e (resp. 18e) dag. Op even dagen krijgt de vrouw zonen, op oneven dagen dochters. Voor het volgende wordt uitgegaan van een ऋतु van in totaal 16 dagen (niet de alternatieve vertaling), zoals ook de meeste inheemse commentaren doen, en wat dus de heersende opvatting is geweest.

Aangezien de eisprong 14 dagen vóór het begin van de menstruatie plaatsvindt, is bij deze bepaling van de vruchtbare periode de vruchtbaarheid bijna „gegarandeerd” bij een interval tussen de menstruaties van 19 tot 30 dagen. De verboden dagen (de 11e en de 13e) vergroten de kans op geslachtsgemeenschap op de 12e en de 14e dag, d.w.z. de kans op bevruchting bij een cyclus van 28 dagen (de levensduur van de zaadcellen in de vrouw bedraagt ca. 3 dagen). Deze berekeningen zijn als het ware een positieve toepassing van de Knaus-Ogino-methode.


Afbeelding: ऋतुः
(Bron afbeelding: Details)

एकत्र Adv.: op één plaats

जटा v.: haarvlecht (asketische haardracht)


Afbeelding: जटा ऋषिकेश
(Bron afbeelding: Details)

तुल्य 3: gelijk, vergelijkbaar (तृतीयया)

तरय 3 (v.: तरयी): drievoudig, uit drie delen bestaand

प्राणान्तिक 3 (v.: -ī): dodelijk, dood brengend, levenslang

बाह्य 3: buiten, zich bevindend aan de buitenkant, vreemd

भिक्षा v.: bedeld aalmoes, bedelvoedsel

मार्यादा v.: grens

शिष् 7P शिनष्टि : verlaten, achterlaten

Perf.II शिशेषे, शिशिषुर्
Fut. शेक्ष्यति
Pass. शिष्यते
Kaus. शेषयति
PPPशिष्ट
Absol. -शिष्य

शिष् + वि 7P विशिनष्टि : onderscheiden

Pass. विशिष्यते : zich onderscheiden van (पञ्चम्या, तृतीयया), beter zijn dan (पञ्चम्या, तृतीयया), de beste zijn onder (षष्ठ्या, सप्तम्या)

समान 3: gelijksoortig, gelijk, vergelijkbaar ; m.: leeftijdgenoot

स्व 3: eigen, van iemand (mijn, jouw etc.) Wordt gedeclineerd zoals सर्व. In Abl.Lok.sg.m.n en in Nom.pl.m kan het ook worden gedeclineerd zoals देव:

Abl.sg.m.n स्वस्मात् । स्वात्
Lok.sg.m.n. स्वस्मिन् । स्वे
Nom.pl.m स्वे । स्वास्

गर्ह्गर्हते 10P गर्हयति : schelden, berispen

Perf I जगर्हे
Fut. गर्हिष्यते
PPP गर्हित

पिशित n.: (voorbereid) vlees


Afbeelding: पिशितम्
Kolkata = কলকাতা
(Bron afbeelding: Details)

उपहार m.: offeren, offer, geschenk

मधु n.: honing, zoete drank, met (honingwijn)


Afb.: मधु
Stadspaleis, उदयपुर
(Bron afbeelding: Details)

मांस n.: vlees

मृगया v.: jacht


Afb.: मृगया
Jacht met चीता (Acinonyx jubatus venaticus) Gujarat = ગુજરાत, 1812
(Bron afbeelding: Details)

शिवा v.: (vrouwelijk) jakhals (gouden jakhals = Canis aureus)


Afb.: शिवा
Canis aureus, Kalatop Khajjiar Sanctuary
(Bron afbeelding: Details)

रुत n.: geschreeuw

कौशिक m.: uil


Afb.: कौशिकः
Brahma-uil (Athene brama), Mahesana = મહેસાણા
(Bron afbeelding: Details)

शकुनि m.: vogel

श्वन् m.: hond

sterke stam श्वान्
zwakke stam voor klinker सुन्
zwakke stam voor medeklinker श्व


Afb.: श्वा लिङ्गं च
Karnataka = ಕರ್ನಾಟಕ
(Bron afbeelding: Details)

परिचित 3: vertrouwd, bekend

अटवी v.: woud

शून्य 3: leeg, woest

आपान() n.: drinkgelag


Afb.: आपानकम् जोधपुर
(Bron afbeelding: Details)

क्रूर 3: rauw, wreed

दिह् 2U देग्धि, दिग्धे : bestrijken, besmeren

Perf. II दिदेह
Fut. धेक्ष्यति
Pass. दिह्यते
Kaus. देहयति
PPP दिग्ध

विष n.: gif


Afb.: मूषिकाविषाणि
Bangalore = ಬೆಂಗಳೂರು
(Bron afbeelding: Details)

भुजंग m.: slang


Afb.: भुजंगः
Kettingviper (Daboia russelii), Bangalore = ಬೆಂಗಳೂರು
(Afbeeldingsbron: Details)

सायक m.: pijl

उत्साद m.: ondergang

कलत्र Neutrum: vrouw, wijfje

बन्दी f.: gevangene, roof

योषित् f.: jonge vrouw, meisje

शार्दूल m. = व्याघ्र m.

रुधिर n.: bloed

अर्चन n. अर्चना f. = पूजा f.

बलि m.: afgifte, schenking, tribut

मणि m.: juweel


Afb.: मणिः
Hope Diamond uit Guntur = ಗುಂಟೂರು, thans Smithsonian Museum of Natural History, Washington DC
(Afbeeldingsbron: Details)

वन n.: bos

मद m.: ook "werpsap" van een olifant (in de Musht)


Afb.: मदः
(Afbeeldingsbron: Details)

राग m.: ook: kleur, rode kleur

कालन n.: bos

खन् 1U खनति : graven

Perf. चखान, चखने
Fut. खनिष्यति
Kaus. खानयति
PPP खात
Absol खनित्वा । खात्वा

चिन्त् 10 चिन्तयति : denken, nadenken

शबर .: eigennaam van een niet-ariaanse stam

51.7. Vertaalopdracht

. कौटिलीयार्थशास्त्र १, , - १२ आश्रमधर्मः गृहस्तस्य स्वधर्माजीवस्तुल्यैरसमानार्षिभिर्वैवाह्यमृतुगामित्वं देवपित्रातिथिपूजा भृत्येषु त्यागः शेषभोजनं च ।९। ब्रह्मचारिणः स्वाध्यायो ऽग्निकार्याभिषेकौ भैक्षाव्रतित्वमाचार्ये प्राणान्तिकी वृत्तिस्तदभावे गुरुपुत्रे सब्रह्मचारिणि वा ।१०। वानप्रस्थस्य ब्रह्मचर्यं भूमौ शय्या जाटाजिनधारणमग्निहोत्राभिषेकौ देवतापित्रतिथिपूजा वन्यश्चाहारः ।११। प्रव्राजकस्य जितेन्द्रियत्वमनारम्भो निष्किंचनत्वं सङ्गत्यागो भैक्षाव्रतमनेकत्रारण्ये च वासो बाह्याभ्यन्तरं च शौचम् ॥१२॥

Uitlegging: -अभिषेकौ Nom.Akk.Voc.Dual.masc. (Dualdvandva)

. कौटिलीयार्थशास्त्र १, , १६ - १७ Over de noodzaak van het in acht nemen van de वर्नाश्रमधर्म

तस्मात्स्वधर्मं भूतानाम् राजा न व्यभिचारयेत् ।स् स्वधर्मं संदधानो हि प्रेत्य चेह च नन्दति ॥१६॥ व्यवस्थितार्यमर्यादः कृतवर्णाश्रमस्थितिः । त्रय्याभिरक्षितो लोकः प्रसीदति न सीदति ॥१७॥

. बाण (7e eeuw n.Chr.): कादम्बरी ed. K.P. Parab, 1896, blz. 65ff.: Overwegingen van de papegaai वैशम्पायन over het jagersbestaan:

आसीच्च मे मनसि -- अहो मोहप्रायमेतेषां जीवितं साधुजनगर्हितं च चरितम् । तथा हि । पुरुषपिशितोपहारे धर्मबुद्धिः , अहारः साधुजनगर्हितो मधुमांसादिः , श्रमो मृगया , शास्त्रं शिवारुतम् , समुपदेष्टारः सद्सतां कौशिकाः , प्रज्ञा शकुनिज्ञानम् , परिचिताः श्वानः , राज्यं शून्यास्वटवीषु , आपानकमुत्सवः , मित्राणि क्रुरकर्मसाधनानि धनूंषि , सहाया विषदिग्धमुखा भुजंगा इव सायकाः , गीतमुत्सादकारि मुग्धमृगाणाम् , कलत्राणि बन्दीगृहीताः परयोषितः , क्रूरात्मभिः शार्दूलैः सह संवासः , पशुरुधिरेण देवतार्चनम् , मांसेन बलिकर्म , चौर्येण जीवनम् , भूषणानि भुजंगमणयः , वनकरिमदैरङ्गरागः , यस्मिन्नेव कानने निवसन्ति तदेवोत्ख्यातमूलमशेषतः कुर्वत इति चिन्तयत्येव मयि शबरसेनापतिः समुपाविशत् ॥ ४. Commentaar van de भानुचन्द्र (16e eeuw) op het voorgaande deel van de कादम्बरी (deze oefening moet onder begeleiding van een leraar worden vertaald. Indien zo'n leraar niet beschikbaar is, kan men deze overslaan)

आसीच्चेति । मे मम मनसि चित्त आसीद्बभूव । खेद इति शेषः । तदेव दर्शयति -- अहो इत्यादिना । अहो इत्याश्चर्ये । एतेषां भिल्लानां जीवितं प्राणितं मोहो ऽज्ञानं प्रायं प्रचुरं यत्र तादृशम् । चः पुनरर्थे । चरितमाचरणं साधुजनैः सज्जनजनैर्गर्हितं निन्दितम् । तदेव विशेषतो दर्शयति -- तथा हीति । पुरुषेति । पुरुषस्य पुंसो यत्पिशितं मांसं तस्य य उपहारो भगवत्यै नैवेद्यदर्शनं तस्मिन्धर्मबुद्धिः श्रेयोधीः । आहार इति । आहारः प्रत्यवसानं साधुजनैर्गर्हितो निन्दितो मधुमांसादिर्मधुः मद्यं माक्षिकं वा । मांसं प्रतीतम् । ते आदौ यस्येति बहुव्रीहिः । आदिशब्दात्कन्दादिपरिग्रहः । श्रम इति । श्रमः शक्तिसाधनायासो मृगयाखेटकः । शास्त्रमिति । शिवा सृगाली तस्य रुतं शब्दितं शास्त्रमुच्चस्वरवेदपाठः । प्रबोधजनकत्वसाम्यात्तदुपमानम् । सदिति । सदसतां शुभाशुभानां समुपदेष्टारो बोधकाः कौशिका उलूकाः । प्रज्ञेति । शकुनयः पत्त्रिणस्तेषां स्थूलमहत्त्वादिना ज्ञानं तदेव प्रज्ञा विवेकबुद्धिः । परीति । श्वानः सारमेयाः परिचिता विश्वासपालत्राणि । राज्यमिति । शून्यासु जनरहितासु विन्ध्याटवीषु राज्यं स्वामित्वम् । आपानकेति । उत्सवः संतुष्टिकार्यं तदेवापानमेवापानकम् । स्वार्थे कः । पानगोष्ठिका । मित्राणीति । क्रूरं यत्कर्म तत्साधनानि तद्धेतुभूतानि धनूंष्येव चापान्येव मित्राणि सहृदः । हितचिन्तकानीति यावत् । सहाया इति । विषेण दिग्धं मुखमाननं येषामेवंविधाः सायका बाणास्त एव सहाया इष्टकार्यकर्तृत्वात्साहाय्यकारिणः । क इव । भुजंगाः सर्पा इव । एतेषां विषदिग्धमुखत्वं स्वाभाविकम् । तेषामौपाधिकमिति भावः । गीतमिति । मुग्धा अनभिज्ञा ये मृगा हरिणास्तेषामुत्साहकारि स्तब्धताविधायि गीतं गानम् । कलत्रेति । परयोषितो ऽन्यस्त्रिय एव बन्दी ग्रहकस्तद्रूपत्वेन गृहीताः स्त्रीकृताः कलत्राणि स्वपत्न्यः । क्रूरेति । क्रूरात्मभिर्दुष्टात्मभिः शार्दुलैश्चित्रकैः समं संवासः सहावस्थानम् । पश्वेति । पशवो महिषास्तेषां रुधिरेण रक्तेन देवतार्चनं देवपूजनम् । मांसेनेति । मांसेन पिशितेन बलिर्हन्तकरस्तत्कर्म तत्कृत्यम् । चौर्येणेति । चौर्येण परद्रव्यापहारेण जीवनं प्राणधारणम् । भूषणनीति । भूषणान्याभरणानि भुजंगमणयः सर्परत्नानि । पर्वतवासित्वात्तेषां ते सुलभा इति भावः । वनेति । वनकरिणामरण्यहस्तिनां मदैर्दानवारिभिरङ्गरागो विलेपनम् । यस्मिन्निति । अनिर्दिष्टनामनि कानने वने निवसन्ति निवासं कुर्वन्ति तदेव काननमशेषतः समग्रत उत्खातमुत्पाटितं मूलं मध्यभागो यस्यैवंभूतं कुर्वते विदधत इति पूर्वोक्तप्रकारेण मयि चन्तयति ध्यायति सत्येव ...

Een deel van de Bibliotheek van Tüpfli's Global Village