Skip to content

Les 3

3.1. Nominatief enkelvoud van het vrouwelijk geslacht

3.1.1. Nominatief enkelvoud op -s

Ook de volgende naamwoordstammen, die met een klinker eindigen, vormen de nominatief enkelvoud op -s:

Vrouwelijke naamwoorden op -i: bijv. śruti v. "het horen" -- Nom. sg.: śrutis = श्रुतिस्
Vrouwelijke naamwoorden op -u: bijv. dhenu v. "melkkoe" -- Nom. sg.: dhenus = धेनुस्

3.1.2. Nominatief enkelvoud zonder uitgang

De nominatief enkelvoud wordt gevormd zonder uitgang:

Vrouwelijke naamwoorden op -ā: bijv. devatā v. "godheid" -- Nom. sg.: devatā = देवता
Vrouwelijke naamwoorden op -ī: bijv. devī v. "godin" -- Nom. sg.: devī = देवी

Let op! Daarnaast bestaan er eenlettergrepige vrouwelijke wortelnomina op -ī, waarvan de nominatief enkelvoud eindigt op -s: bijv. dhī v. "gedachte" -- Nom. sg.: dhīs = धीस्. Ook lakṣmī (लक्ष्मी) v., tarī (तरी) v. "boot" en tantrī (तन्त्री) v. "snaar" vormen onregelmatig de nominatief enkelvoud op -s: lakṣmīs = लक्ष्मीस्.

3.2. Vorming van vrouwelijke naamwoorden bij mannelijke naamwoorden

Mannelijke naamwoorden op -a:
Vrouwelijk geslacht op -ā: bijv. kṣatriya m. » kṣatriyā v. "Kṣatriya-vrouw" = क्षत्रिया
Vrouwelijk geslacht op -ī: bijv. brāhmaṇa m. » brāhmaṇī v. "Brahmanin" = ब्राह्मणी

Mannelijke naamwoorden op -u:
Vrouwelijk geslacht op -ī: bijv. sādhu m. » sādhvī v. (goed, heilige) = साध्वी
(-u- wordt voor een klinker -v-, dus -u- + -ī » -vī)

3.3. Nominatief meervoud mannelijk en vrouwelijk geslacht

De uitgang van de nominatief meervoud in het mannelijk en vrouwelijk geslacht is -as.
Mannelijke naamwoorden op -a: deva- + -as » devās = देवास्
Vrouwelijke naamwoorden op -ā: devatā- + -as » devatās = देवतास्
Mannelijke naamwoorden op -i: kavi- » kave- + -as » kavayas = कवयस्
Vrouwelijke naamwoorden op -i: śruti- » śrute- + -as » śrutayas = श्रुतयस्
Vrouwelijke naamwoorden op -ī: devī- + -as » devyas = देव्यस्
Mannelijke naamwoorden op -u: guru- » guro- + -as » guravas = गुरवस्
Vrouwelijke naamwoorden op -u: dhenu- » dheno- + -as » dhenavas = धेनवस्

Opmerking: e is de hogere trap (guṇa) van i, o is de hogere trap van u.

3.4. Klinkersandhi

Eenvoudige klinkers die niet of alleen in lengte van elkaar verschillen, ‘versmelten’ tot de bijbehorende lange klinker:

  • -a / -ā + a- / ā- » -ā-
  • -i / -ī + i- / ī- » -ī-
  • -u / -ū + u- / ū- » -ū-
  • (-ṛ + ṛ- » -ṝ-)

bijv.

devatā + annapūrṇā » devatānnapūrṇā “Annapūrṇā is een godheid” = देवतान्नपूर्णा (Annapūrṇā is de godin van het eten en het koken; zij wordt beschouwd als een incarnatie van Pārvatī, de echtgenote van Śiva.)

devī + indrāṇī » devīndrāṇī „Indrāṇī is een godin” = देवीन्द्राणी (Indrāṇī is de echtgenote van de god Indra.)


Afb.: Indra en Indrāṇī op de olifant Airavata, miniatuur, Rājasthān, 1670/80
(Bron: Details)

Enkelvoudige klinkers (behalve -a / -ā) worden vóór ongelijksoortige klinkers vervangen door de overeenkomstige halfklinker:

  • -i / -ī » -y-
  • -u / -ū » -v-
  • -ṛ » -r-
    (!! Er zijn uitzonderingen op deze regel, met name voor duale vormen !!)

bijv.

devī + umā » devy umā "Umā is een / de godin" = देव्युमा (Umā is een naam voor Pārvatī, de echtgenote van Śiva)

-a / -ā voor een ongelijksoortige klinker:

  • -a / -ā + i- / ī- » -e-
  • -a / -ā + ṛ- » -ar-
  • -a / -ā + e- / ai- » -ai-
  • -a / -ā + o- / au- » -au-

Voor deze sandhi geldt dus het volgende schema:


(Afbeeldingsbron: Details)

Ziehi later naar deze zogenaamde stamafstamming!

b.v.

śūdrā + itarā » śudretarā "Itarā is een Śūdra-vrouw" = शूद्रेतरा

3.5. Satzsandhi van -ās

-āḥ wordt voor alle stemhebbende klanken vervangen door -ā.

b.v.

dvijās + vaiśyāḥ » dvijā vaiśyāḥ "Vaiśyas zijn tweemaal geborenen" = द्विजा वैश्याः

3.6. Woordenlijst

Leer de volgende woorden:

śruti v. = श्रुति : het horen, de eeuwige overlevering (benaming voor de Veda's en Brāhmaṇa's).

smṛti v. = स्मृति : verbeelding, herinnering, meditatieverbeelding = aandachtigheid, overlevering (tegenbegrip van śruti). Omvat:
de zes vedāṅga n. (वेदाङ्ग)

  1. śikṣā v. (शिक्षा): juiste uitspraak
  2. chandas n. (छन्दस्): metrum
  3. vyākaraṇa n. (व्याकरण): grammatica
  4. nirukta n. (निरुक्त) : woordverklaring, etymologie
  5. jyotiṣa n. (ज्योतिष) : astronomie, kalenderleer
  6. kalpa m. (कल्प) : ceremonieel
    śrautasūtra n. (श्रौतसूत्र) : leerwerken voor de uitvoering van de grote offers
    gṛhyasūtra n. (गृह्यसूत्र) : leerwerken voor de ceremonies en offers van het dagelijks leven
    dharmasūtra n. (धर्मसूत्र) en dharmaśāstra n. (धर्मशास्त्र) : leerwerken over recht en zeden (juist gedrag)
    de grote epen mahābhārata n. (महाभारत) en rāmāyaṇa n. (रामायण)
    de purāṇa n. (पुराण)
    nītiśāstra n. (नीतिशास्त्र) : leerwerken van levenswijsheid

smṛti is ook specifiek een benaming voor Dharmaleerwerken.
dhenu v. = धेनु : (melk-)koe.

paśu m. = पशु : gedomesticeerd landbouwhuisdier, vee (collectief).

devatā v. = देवता : godheid (abstract en concreet).

brāhmaṇī v. = ब्राह्मणी : brahmaanvrouw.

kṣatriyā v. = क्षत्रिया : vrouwelijke kṣatriya.

kṣatriyī v. = क्षत्रियी : vrouw van een Kṣatriya.

vaiśyā v. = वैश्या : vrouwelijke Vaiśya.

śūdrā v. = शूद्रा : vrouwelijke Śūdra.

śūdrī v. / śūdrāṇī v. = शूद्री शूद्राणी : vrouw van een Śūdra.

devī v. = देवी : godin, in het bijzonder Durgā v. = दुर्गा, de echtgenote van Śiva = शिव.


Afb.: Durgā = दुर्गा, Orissa
(Bron: Details)

sādhvī v. = साध्वी : vrouwelijke vorm van sādhu.

gurvī v. = गुर्वी : vrouwelijke vorm van guru.

asmitā v. = अस्मिता : „ik-ben-heid”, d.w.z. de (onjuiste) overtuiging: ik ben degene die ziet, enz.

ānvīkṣikī v. = आन्वीक्षिकी : filosofie (de wetenschap die door middel van logisch correcte redeneringen tot haar conclusies komt).

upekṣā v. = उपेक्षा : onverschilligheid, gelijkmoedigheid.

karuṇā v. = करुणा : medeleven, medelijden.

muditā v. = मुदिता : vreugde, in het bijzonder medevreugde (het tegenovergestelde van afgunst).

3.7. Oefening

A) Zet de volgende zinnen in het meervoud:

  1. dvijo brāhmaṇaḥ = द्विजो ब्राह्मणः
  2. dvijaḥ kṣatriyaḥ = द्विजः क्षत्रियः
  3. dvijo vaiśyaḥ = द्विजो वैश्यः
  4. gurur brāhmaṇaḥ = गुरुर्ब्राह्मणः
  5. sādhur guruḥ = साधुर्गुरुः
  6. guruḥ kaviḥ = गुरुः कविः
  7. sādhvī brāhmaṇī = साध्वी ब्राह्मणी
  8. devatā guruḥ = देवता गुरुः
  9. paśur dhenuḥ = पशुर्धेनुः
  10. gurvī sādhvī = गुर्वी साध्वी

B) Vorm Nominaalzinnen door invulling:

  1. śrutis ... (veda) = श्रुतिस् ... वेद
  2. paśus ... (dhenu) = पशुस् ... धेनु
  3. devī ... (durgā, umā, indrāṇī) = देवी ... दुर्गा, उमा, इन्द्राणी
  4. devatā ... (mīnākṣī, annapūrṇā) = देवता ... मीनाक्षी, अन्नपूर्णा
  5. śūdrā ... (itarā) = शूद्रा ... इतरा

C) Vertaal naar het vrouwelijk geslacht:

  1. gurur brāhmaṇaḥ = गुरुर्ब्राह्मणः
  2. sādhur guruḥ = साधुर्गुरुः
  3. kṣatriyaḥ sādhuḥ = क्षत्रियः साधुः

D) Vertaal naar het Sanskriet:

  1. Umā is een godin.
  2. De Veda is śruti.
  3. De leersters zijn godinnen.
  4. Melkkoeien zijn gedomesticeerde dieren.
  5. Dichters zijn leraren.
  6. Kṣatriyas zijn tweemaalgeborenen.
  7. De heilige mannen zijn Śūdras.

Een deel van de Bibliotheek van Tüpfli's Global Village