Skip to content

Les 11

11.1. Dubbele accusatief

Sommige werkwoorden kunnen een dubbele accusatief (dvitīyā) regeren: accusatief van de persoon en accusatief van de zaak.

Daartoe behoren:
Werkwoorden van het spreken: tot iemand (accusatief) over iets (accusatief) spreken; tegen iemand (accusatief) iets (accusatief) zeggen
Werkwoorden van het vragen: iemand (accusatief) naar iets (accusatief) vragen
Werkwoorden van het onderwijzen: iemand (accusatief) iets (accusatief) onderwijzen
enkele verdere werkwoorden, waarvan dit in de woordenlijsten wordt vermeld

Wordt een dergelijke constructie in de passief gezet, dan wordt de persoon (die gevraagd wordt enz.) in de nominatief (prathamā) geplaatst, terwijl de zaak (waarnaar gevraagd wordt enz.) in de accusatief blijft.

bijv. rāmo brāhmaṇaṃ dharmaṃ pṛcchati = रामो ब्राह्मणं धर्मं पृच्छति = "Rāma vraagt de brahman naar de dharma."
» Passief: rāmeṇa brāhmaṇo dharmaṃ pṛcchyate = रामेण ब्राह्मणो धर्मं पृच्छयते

Deze regel geldt alleen wanneer zowel persoon als zaak object zijn. Is een zaak het enige object, dan staat deze volgens het basisschema van de passieve zin in de nominatief (prathamā):

bijv. rāmo dharmaṃ pṛcchati = रामो धर्मं पृच्छति = "Rāma vraagt naar de dharma."
» Passief: rāmeṇa dharmaḥ pṛcchyate = रामेण धर्मः पृच्छयते

11.2. Woordenlijst

Leer de volgende woorden:

iti इति : aldus
Staat na de formulering van een gedachte, wens, uitspraak of citaat als het ware als aanhalingsteken (").
bijv. sādhavaḥ svargaṃ gacchantīti brāhmaṇā vadanti "Brahmanen zeggen: 'Heiligen gaan naar de hemel'" = "Brahmanen zeggen dat heiligen naar de hemel gaan".
In het Sanskriet bestaat geen indirecte rede; vormingen met iti moeten in het Nederlands vaak in indirecte rede worden weergegeven.
... (citaat) ... iti śrutiḥ = "aldus de Veda".
Vaak moet men na iti een werkwoord van het denken aanvullen: "denkend: '...' doet hij dat". In het Nederlands idiomatisch weergeven (bijv. "Omdat hij honger heeft, gaat hij...").

  • evam एवम् : zo (bijwoordelijk, bijv. evaṃ jayati "zo overwint hij").

  • na : niet

    • Ontkent afzonderlijke woorden (staat er direct voor: na sādhuḥ "een niet-goede") of hele zinnen (staat aan het begin of direct voor het werkwoord).
  • putra m. पुत्र : zoon (in India was het noodzakelijk om een zoon te verwekken die de offers voor de voorouders kon brengen.)

  • dharma m. धर्म : („dat wat vaststaat”, d.w.z.) recht, wet, zede, karakter.

    • Komt het meest overeen met de natuurwet/zedenwet. Iedereen heeft, afhankelijk van varṇa en āśrama (levensfase), zijn eigen plichten (svadharma).
  • adharma m. अधर्म : onrecht (tegenpool van dharma).

  • iṣ 6 P (icchati) इष् इच्छति : wensen (iṣ-ccha-ti).

Enkele naamwoordvormen:

  • vad 1 P वद् : zeggen
    • vāda m. वाद : uitspraak, verklaring, woord
    • vadana n. वदन : het spreken; spraakorgaan: mond, gezicht


Afb.: vadanāni = वदनानि
(Bron afbeelding: Details)

  • prach 6 P प्रच्छ् : vragen

    • praśna m. प्रश्न : vraag (achtervoegsel -na zoals in yaj-ña)
  • iṣ 6 P इष् : wensen

    • iṣṭi v. इष्टि : wens (iṣ + -ti)

11.3. Oefening

A) Vertaal de onderstaande zinnen:

  1. ऋषिः सत्यं वदति ।
  2. ब्राह्मणः पुत्रमिच्छति ।
  3. साधुः स्वर्गं गच्छति ।
  4. ब्राह्मणो ऽनृतं न वदतीति स्मृतिः ।
  5. क्षत्रियो ब्राह्मणं धर्मं पृच्छति ।
  6. एवं ब्राह्मणो यज्ञेन देवं यजति ।
  7. पुत्रः पापं करोतीति वैश्या मन्यते ।
  8. क्षत्रियः क्षत्रियेण सह युध्यते
  9. अधर्मो ऽनृतमिति पुत्रः पापं न करोति । |
  10. अयं क्षत्रियो धर्मं रक्षति । |
  11. को ऽग्निं यजते । |
  12. स श्रावको बुद्धं धर्मं पृच्छति ॥
    B) Zet de zinnen uit A) in de passieve vorm.

C) Zet in de zinnen uit A), waar dat zinvol is, het onderwerp, het lijdend voorwerp en het predikaat in het meervoud.

D) Vorm de passieve vorm van de zinnen die volgens C) zijn gevormd.


Afb.: śrāvako mahākāśyapaḥ = श्रावको महाकाश्यपः
(Bron: Details)

11.4. Herhalingsoefening

A) Vertaal naar het Sanskriet met passieve constructies:

  1. Vaiśya-vrouwen vragen brahmanen naar de Dharma.
  2. De leraar spreekt een mantra uit.
  3. Heilige vrouwen komen in een hemel terecht.
  4. Een Vedische wijze doet niets kwaads.
  5. Brahmans vereren als offerpriesters de godin met offers.
  6. De Śūdra-vrouw gaat naar het dorp.
  7. Wie ziet de waarheid?

B)

  1. Geef met een dvandva de taken van alle tweemaal-geborenen aan. Ontleed het samengestelde woord in het Sanskriet.
  2. Geef met een dvandva de taken van de Vaiśya’s aan. Ontleed het samengestelde woord in het Sanskriet.

C) Vertaal:

  1. श्रवणेन श्रूयते । |
  2. कर्षर्कैः कृष्यते । |
  3. श्रावकेणेश्वरो नेज्यते । |
  4. रक्षिक्या गुरू रक्ष्यते । |
  5. ब्राह्मणेनानृतं नोद्यते । |
  6. शूद्रेतरा । |
  7. शिक्षा कल्पो व्याकरणं निरुक्तं छन्दो ज्योतिषमङ्गानि । |
  8. आन्वीक्षिकीत्रयीवार्त्तादण्डनीतयो विद्याः ॥

D) Vertaal en zet in het Sanskriet het subject, het lijdend voorwerp en het werkwoord in het meervoud:

  1. फलमश्नुते । |
  2. गुरुणा सत्यमुद्यते । |
  3. वैश्यः पशुं लभते । |
  4. पुत्रः पुण्यं करोति ॥

E) Zet de zinnen C) 1-5 om in actieve constructies.


Afbeelding: karṣakeṇa kṛṣyate = कर्षकेण कृष्यते
(Bron afbeelding: Details)

Een deel van de Bibliotheek van Tüpfli's Global Village