Skip to content

Quelle & Urheberrecht

Glossar Sanskrit–NL

Zusammengestellt aus den Wortlisten des Sanskrit-Kurses von Alois Payer.


SanskritIASTGenusBedeutungLektion
अखिलअखिल3zonder onderbrekingen, geheel52
अगारअगारnHuis, tehuis36
अग्निagnimvuur, de god Agni2
अजिनअजिनnantilopehuid, met name de huid van de zwarte antiloop (Hirschziegenantilope : Antilope cervicapra L. ). Oorspronkelijk51
अञ्जलिअञ्जलिmDe beide ter eerbiediging hoog samengevouwen handen36
अञ्ज्अञ्ज्7Pzalven, smeren31
अटवीअटवीwoud51
अणु ३अणु ३dun, fijn, zeer klein ; m.: atoom25
अतस्अतस्van daar, toen, daarom, vandaar (pronominale stam a- „deze“ + ablatiefsuffix -tas)24
अतिअतिover, voorbij (in ruimte, tijd, aantal, hoeveelheid, volgorde, macht, intensiteit), uiterst41
अतिथिअतिथिmgast51
अथवाअथवाof (vooraf geplaatst)15
अद् अत्ति अद्यते अन्नadeten, verorberen13
अद्यअद्यvandaag48
अधिअधिover, op, er-, met betrekking tot20
अधिकअधिक3extra, overtollig, buitengewoon43
अधिक ३अधिक ३overvloedig, extra, groter, beter, buitengewoon23
अधिपतिअधिपतिmijdelheid, trots42
अध्यक्षअध्यक्षmopziener, departementshoofd ; ooggetuige24
अध्ययनadhyayananstuderen, met name Vedastudie9
अध्यापनअध्यापनnonderwijzen, onderricht16
अनगार्यअनगार्यnThuisloosheid van een boeddhistische monnik of novice36
अनसूयाअनसूयाfniet morren, afgunsteloosheid16
अनुअनुnaar, langs, over - heen, langs, volgens, erbij, achter - aan36
अनुकृअनुकृnabootsen, nadoen36
अनुगम्अनुगम्iemand volgen, erlangs lopen36
अनृतanṛtanonwaarheid, leugen (tegenstelling tot satya)10
अनृशंस्यअनृशंस्यnniet-boosaardigheid16
अनेकअनेक3veel (niet een paar)42
अन्तअन्तmeinde, grens18
अन्तरेअन्तरेAdvondertussen42
अन्तर्अन्तर्Advbinnenin, in het binnenste ; Postpositie met Gen. Lok. (, ): binnenin, middenin ; Postpositie met Gen. Abl. (, ): uit ..52
अन्नannanvoedsel (afgeleid van PPP: ad-na: het gegetene)13
अन्यथाअन्यथाAdvanders, anderszins, ten onrechte, onjuist25
अन्यद्अन्यद्3een andere (declinatie zoals )43
अन्योन्यअन्योन्य3wederzijds, elkaar52
अपवर्गअपवर्गmeinde, verlossing20
अपिapiook (achtergeplaatst)12
अपोहअपोहmnegatie ( + )24
अभिअभिnaar, in de richting van, naar toe, tegen, in, met betrekking tot, op, over, aan24
अभिअभिbe-, na - toe, naar - hier, naar - toe, tegen, in - binnenin, met betrekking tot, op, over, aan36
अभिगम्अभिगम्heengaan, naderen36
अभिनिवेषabhiniveṣamneiging tot, hardnekkigheid, volhouden; speciaal: gehechtheid aan het lichaam alsof het iets eigens is5
अभिषेकsicabhiṣeka m. : besprenkeling van een koning bij de koningswijding, koningswijding12
अभ्यन्तरअभ्यन्तर3zich binnenin bevindend, volgende; m. de naaste verwant, inwoner51
अमुत्रअमुत्रAdvdaar, daarheen52
अरण्यअरण्यwildernis, bos51
अरिअरिmvijand (volgens Thieme, Der Fremdling im Ṛgveda: oorspronkelijk = vreemdeling)15
अर्जुनअर्जुनmArjuna, een van de vijf zonen van . Held in het (zie Basham, Wonder blz. 409 - 414)42
अर्थअर्थomwille van ..., om te19
अर्हअर्ह„Je zou moeten“)22
अर्हन्त्अर्हन्त्een waardige. In het boeddhisme en het jaïnisme: iemand die de definitieve verlossing heeft bereikt22
अलंकारअलंकारmsieraden, versieringen (in de poëzie)24
अलम्अलम्genoeg, voldoende, (iemand, iets) aan kunnen ; met datief: genoeg voor, voldoende voor, aan kunnen ; met instrumentaal:24
अल्पअल्प3klein, gering43
अवअवneer, omlaag, weg, af-40
अवज्ञानअवज्ञानveronachtzaming29
अवतारअवतारm(afdaler, afdaling) incarnatie van een god, m.n. Viṣṇu's 10 incarnaties (z. Basham, Wonder blz. 304 - 309)40
अवनिअवनिfaarde49
अविद्याavidyāonwetendheid, onkennis5
अशोकअशोक3vrij van verdriet; Ashoka-boom = Saraca asoca (Roxb.) Wilde; naam van de keizer Aśoka () (ca. 304 – 232 v.Chr.)38
अश्अश्9Peten, verteren30
असित ३असित ३donker, zwart20
अस् अस्तिaszijn, aanwezig zijn13
अस् अस्यति अस्यते अस्तasasyate, PPP asta : werpen, (weg-)werpen13
अस्मिताasmitā„ik-ben-heid”, d.w.z. de (onjuiste) overtuiging: ik ben degene die ziet, enz3
अहिंसाअहिंसाhet niemand kwaad doen, niet-geweld, geweldloosheid16
अह्अह्zeggen, spreken36
अह् प्रअह् प्रzeggen, spreken36

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
आख्यानआख्यानnvertelling24
आजीवआजीवmlevensonderhoud16
आत्मन्आत्मन्mhet zelf, de eigen persoon, het diepste wezen. Filosofisch en in verlossingsleer: het Absolute in het individu, waarvan38
आदरआदरmacht, aandacht, respect49
आदर्शआदर्शmspiegel52
आदायAbsol.met Akk.: in gezelschap van, met33
आदिआदिmbegin18
आदित्यआदित्यmzon ; mv.: Āditya : een bepaalde klasse van goden50
आदृतआदृत3geacht36
आनन्दआनन्दmzaligheid, vreugde43
आन्वीक्षिकीānvīkṣikīfilosofie (de wetenschap die door middel van logisch correcte redeneringen tot haar conclusies komt)3
आपणआपणmmarkt43
आपानआपानdrinkgelag51
आम्आम्ja43
आयुर्वेदआयुर्वेदmhet traditionele medische systeem van India49
आयुस्आयुस्levensduur (de volledige levensduur die men kan leven wanneer niets daartussen komt)49
आर्यआर्य3Arisch, edel; m. Arier (zelfbenaming van de Sanskriet sprekende oude Indiërs, letterlijk: gastvrij (Thieme)); edelman, m15
आश्रमआश्रमmkluizenaarschap, levensfase, levensperiode (namelijk als , , en eventueel als ; zie Basham, Wonder, p. 159 e.v.)20
आसनआसनnhet zitten, zitplaats ; ook: zithoudingen van de yogi17
आस्आस्zitten17

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
इ एति ईयते इतiīyate, PPP ita : gaan13
इज्याijyāfoffer (uit \yj » ij + suffix yā)9
इतिitialdus11
इत्थम्इत्थम्Advop deze manier, zo43
इन्द्रइन्द्रmvorst, eerste, beste onder ; godenkoning Indra15
इन्द्रियइन्द्रियnkracht, zintuig24
इवइवals het ware, zoals (in vergelijkingen: = "een man als een tijger", "een tijgerachtige man"15
इष्इष्sig[] : sturen42
इहइहhier, hier op aarde, hierheen; nu. Voor zelfstandige naamwoorden in de locatief () synoniem met , m: statuut, gewoonte,50

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
ईक्ष्ईक्ष्zien20
ईक्ष्ईक्ष्zien, (op)merken, beschouwen36
ईश्वरīśvaramheer, heerser, god (monotheïstisch)2

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
उतउतen, ook, of49
उत्तमउत्तम3hoogste, beste43
उत्सादउत्सादmondergang51
उदकउदकnwater18
उदकउदकwater38
उद्उद्op, omhoog, naar buiten, uit, uit-20
उद्उद्op, omhoog, naar boven, naar buiten, uit, uit-29
उपमाउपमाfvergelijking33
उपहारउपहारmofferen, offer, geschenk51
उपाध्यायउपाध्यायmleraar36
उपेक्षाupekṣāonverschilligheid, gelijkmoedigheid3

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
ऊहऊहmoverweging, argumentatie24
ऊहापोहऊहापोहmdiscussie over voor en tegen24

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
ऋतुऋतुmperiodiek verschijnsel, seizoen, tijdsperiode, menstruatie, tijd waarin de vrouw vruchtbaar is en recht heeft op geslach51
ऋध्ऋध्bloeien20
ऋषिṛṣimvedische wijze, dichter van vedische liederen10

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
एकत्रएकत्रAdvop één plaats51
एवएवbenadrukt het voorgaande, komt in het Duits vaak overeen met de klemtoon, een soort emoticon <!>, bijv. "alleen de waa15

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
ओष्ठओष्ठmlip20

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
औपकारिकऔपकारिक3- : nuttig24

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
कदलीकदलीfbananenboom (Musa sp.)52
कन्याकन्याfjong meisje, dochter, maagd41
कपिkapimaap8
कम्कम्10Ābeminnen28
करकरmhand (zie 8)20
कर ३कर ३doen, maken, veroorzaken20
करुणाkaruṇāmedeleven, medelijden3
कर्गलकर्गलnpapier43
कर्मन्कर्मन्nte 8U: handeling, daad, werk; heilig werk, offerhandeling; Karma: het eerdere doen, dat later zijn vruchten brengt (bijv38
कर्मविपाककर्मविपाकmrijpen van de daden = de goede en slechte consequenties van daden in eerdere bestaansvormen (zie -)38
कलत्रकलत्रvrouw, wijfje51
कलाकलाfkunst49
कल्पनाकल्पनाfHet vormen in gedachten, het aannemen van iets dat niet bestaat in de werkelijkheid, fictie40
कल्याणकल्याण3mooi50
कविkavimdichter2
कामkāmamwens, begeerte, gewenste gave, zinnelust, liefde; liefdesgod Kāma5
कामम्कामम्naar wens, naar hartelust22
कारुkārumambachtsman9
कालकालmtijd, (juist) moment; lot, dood; Kāla, de god van de dood15
कालनकालनnbos51
कियत्कियत्3hoe groot43
किल्बिषकिल्बिषnschuld, belediging, zonde25
कुकुals eerste deel van samengestelde woorden: slecht50
कुप्यकुप्यnbosproduct, metaal (geen edelmetaal)24
कुमारकुमारmprins42
कुमारकुमारmkind, jongeman, prins; bijnaam van / Murugan = முருகன் = മുരുകന്‍ / Subrahmanya = ಸುಬ್ರಹ್ಮಣ್ಯ48
कुमारीkumārīfhet meisje, de maagd8
कुमारीकुमारीfmeisje, dochter48
कुलकुलkudde, menigte, geslacht, afstamming, familie15
कुलूहलकुलूहलnnieuwsgierigheid, interesse49
कुशीलवkuśīlavam(reizende) vertoonder, acteur, zanger9
कुसीदkusīdanwoeker9
कृकृzich buigen, eren, begroeten24
कृ करोतिkṛmaken, doen8
कृतम्कृतम्= „Het is afgelopen met de woede = laat de woede rusten!”24
कृत्स्नकृत्स्न3heel, volledig49
कृष् कर्षतिkṛṣtrekken9
कृष् कृषतिkṛṣploegen9
केवलम्केवलम्Advalleen, uitsluitend, volledig41
कोविदकोविद3ervaren in ()52
कौमरकौमरnkindertijd48
कौशिककौशिकmuil51
क्रमयतिक्रमयतिbr35
क्रमितुम्क्रमितुम्br35
क्रमिष्यतिक्रमिष्यतिbr35
क्रम्क्रम्1Usig[], 4P : schrijden, gaan35
क्रम्यतेक्रम्यतेbr35
क्राक्राbr35
क्रियाक्रियाhandeling, heilige handeling, offerhandeling, ceremonie (zie 8)20
क्रीक्री9Ukopen30
क्रूरक्रूर3rauw, wreed51
क्रोधkrodhamtoorn5
क्लेशkleśamkwelling, plaag5
क्षत्रियkṣatriyamKṣatriya (prinselijke en militaire stand)2
क्षत्रियाkṣatriyāvrouwelijke kṣatriya3
क्षत्रियीkṣatriyīvrouw van een Kṣatriya3
क्षमाक्षमाfgeduld, langmoedigheid, vergevingsgezindheid16
क्षिप्क्षिप्6Pwerpen, slingeren49
क्षिप्तक्षिप्तbr32
क्षिप्यक्षिप्यbr32
क्षिप्यतेक्षिप्यतेbr32
क्षेपयतिक्षेपयतिbr32
क्षेप्स्यतिक्षेप्स्यतिbr32
क्षेमक्षेमnrust, vrede, welzijn, zeker bezit16
कॢप्कॢप्in goede orde zijn, passen bij (Loc.) ; zich vormen, ontstaan ; besluiten tot, zich neerleggen bij (Datief)40

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
खन्खन्1Ugraven51
खिलखिलmbraakland, woestijn52
ख्याख्या2Pzien, zichtbaar worden ; noemen, verklaren, meedelen24
ख्याख्या2Pafwijzen, versmaden44

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
गजgajamolifant8
गम्गम्aantreffen, bereiken, verkrijgen20
गर्भगर्भ„binnenste”, bijv19
गर्भगृहगर्भगृहVolwahsen, A.: India : Bouwwerken van de Hindu's, Boeddhisten en Jainas. -- München, 1968)19
गर्ह्गर्ह्schelden, berispen51
गापयतिगापयतिbr35
गास्यतिगास्यतिbr35
गीतगीतbr35
गीयतेगीयतेbr35
गुणguṇamdraad, koord; eigenschap, goede eigenschap13
गुप्तगुप्त3behoed, beschermd29
गुरुguru3zwaar, belangrijk, eerbiedwaardig2
गुर्वीgurvīvrouwelijke vorm van guru3
गृहस्थगृहस्थ3zich in het huis bevindend ; m. huisvader (iemand die zich in de 2e bevindt)29
गृहीतगृहीतbr32
गृह्यगृह्यbr32
गृह्यतेगृह्यतेbr32
गृह्यसूत्रgṛhyasūtranleerwerken voor de ceremonies en offers van het dagelijks leven3
गैगै1Pzingen, op zingende toon reciteren, in gebonden rede verkondigen35
गोदानगोदानngeven van koeien / een koe ; tweede haarsnijceremonie (een )25
ग्रस्ग्रस्verteren, vreten29
ग्रहग्रहmgrijpen, greper, krokodil, wandelende ster46
ग्रहणग्रहणngrijpen24
ग्रहीष्यतिग्रहीष्यतिbr32
ग्रह्ग्रह्9Usig[] (gṛh-ṇā-ti) : grijpen, vatten, vastpakken46
ग्राहयतिग्राहयतिbr32
ग्लैग्लै1Pweerzin voelen, wegvloeien36

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
घातघातmdoden, slachten17
घृतघृतngesmolpen boter, ghee ( / گھی / ঘী)33
घ्राघ्रा1Psig[] : iets ruiken36

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
चक्रचक्रnwiel52
चक्रामचक्रामbr35
चक्ष्चक्ष्zien50
चतुर्थचतुर्थ3vierde15
चर ३चर ३het beweeglijke = dieren (in tegenstelling tot planten)22
चरित्रचरित्रngebruik, gewoonte, gewoonterecht ; verandering48
चर्चर्een gelofte naleven, met name seksuele onthouding)22
चल्चल्1Pin beweging komen42
चाण्डाल । चण्डालचाण्डाल । चण्डालmlaagste stand van de Dalits49
चाययतिचाययतिbr32
चिचि5Ustapelen, verzamelen36
चितचितbr32
चित्तचित्तnbewustzijn, denken, geest16
चित्यचित्यbr32
चिन्तापरचिन्तापर3in gedachten verdiept42
चिन्त्चिन्त्denken, nadenken51
चीयतेचीयतेbr32
चुर्चुर्stelen28
चेत्चेत्indien; mits, dat (staat nooit aan het begin van een zin)30
चेष्ट्चेष्ट्bewegen20
चेष्यतिचेष्यतिbr32
चौलचौलnceremonie () van het haar knippen (op de leeftijd van 3 jaar)24
च्युच्युzich roeren, zich voortbewegen, neervallen52

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
छन्नछन्नndek, schuilplaats49
छिद्छिद्7Uafsnijden31

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
जगौजगौbr35
जटाजटाhaarvlecht (asketische haardracht)51
जन्मन्जन्मन्ngeboorte43
जवजव3snel, haastig43
जातिजातिgeboorte, soort, kaste (zie voor als kaste: Basham, Wonder, p. 148 e.v.)15
जायाजायाfechtgenote48
जि जयतिjioverwinnen, verslaan, behalen8
जीवजीवmleven, individuele ziel30
जीव्जीव्leven16
जीव्जीव्1Pleven30
ज्ञाज्ञा9Ukennen, herkennen, weten, begrijpen30
ज्ञाज्ञा9Uherkennen, begrijpen31
ज्ञाज्ञाgoedkeuren, beloven; Ā: antwoorden, bevestigen, beweren, erkennen42
ज्ञाज्ञाbevelen, aanwijzen43
ज्ञातिज्ञातिm(bloed)verwant (verwanten zijn degenen die men kent!)30
ज्ञानज्ञानninzicht, kennis, het kennen (m.n. de "hogere" waarheden in religie en filosofie)30

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
तत्त्वतत्त्वnware wezen, waarheid, realiteit ( + = Dit-heid)24
तनु ३तनु ३slank20
तनूकृतनूकृverminderen, verzwakken20
तन् तनोतिtanuitrekken8
तन्त्रतन्त्रsnaar ; weefgetouw, schering, weefsel ; grondslag, norm, regel ; leer, leerboek ; tantra ; toverspreuk ; middel, truc, g48
तरयतरय3drievoudig, uit drie delen bestaand51
तर्हितर्हिdestijds, toen ; daarom, dus43
ताततातmPapa42
तावत्तावत्Advzo lang42
तीक्ष्णतीक्ष्ण3"wild", scherp, spits, streng, hevig, bits29
तीर्थतीर्थnOversteekplaats, heilige badplaats, pelgrimsoord40
तीर्थङ्करतीर्थङ्करmOversteekplaatsmaker (over het lijden heen) = de 24 leraren van de Jaina40
तुtumaar (staat na het eerste woord van de tegenstellende zin of het tegenstellende zinsdeel)8
तुद्तुद्6Uslaan40
तुल्तुल्wegen43
तुल्यतुल्य3gelijk, vergelijkbaar ()51
तुष्तुष्4Ptevreden zijn, genoegen nemen met (, , , )46
तृणतृणngrassteel24
तॄतॄ1Poversteken, overschrijden, zich redden voor iemand (Akk. = iemands oversteken)40
त्यागत्यागmopgeven, afzien, vermijden25
त्रयीtrayīfdrietal; in het bijzonder de drie Veda's (Ṛgveda, Sāmaveda, Yajurveda)5
त्रित्रि3drie52
त्रिपिष्टपत्रिपिष्टपnIndra's hemel52
त्रिवर्गत्रिवर्गmdrietal (bijv. , , ; of: , , ; of: , , )52
त्रैत्रैbeschermen, redden52
त्वर्त्वर्haasten49

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
दण्डदण्डmstok, gesel, straf18
दण्डनीतिdaṇḍanītifpolitiek (een tatpuruṣa bestaande uit daṇḍa m. = "stok, macht, heerschappij, straf" en nīti f. = "rechte leiding")5
दरैद्र ३दरैद्र ३arm20
दह् दहति दग्धdah(iets) verbranden12
दादा3Ugeven33
दानdānangeven, geschenk, vrijgevigheid9
दानदानngeven, geschenk, vrijgevigheid33
दायक ३दायक ३gevend, schenkend20
दारदारmvrouw25
दारिद्र्यदारिद्र्यnbevelen, onderwijzen, straffen25
दासदासmslaaf, leenman, dienaar15
दासीदासीslavin, leenvrouw, dienstmaagd15
दिनदिनdag37
दिनदिनndag43
दिवानिशम्दिवानिशम्Adverbdag en nacht48
दिव्यदिव्य3hemels, goddelijk52
दिश्दिश्tonen, aanwijzen, bevelen17
दिष्टिदिष्टिfaanwijzing, gunstig toeval17
दिष्ट्यादिष्ट्या(letterlijk: door een gunstig toeval) O gunstig toeval (uitroep van vreugde en zaligheid)17
दिह्दिह्2Ubestrijken, besmeren51
दीर्घदीर्घ3lang49
दुःखduḥkhanongeluk, lijden8
दुहितृदुहितृfDochter42
दुह्दुह्melken17
दूतदूतmboodschapper, gezant42
देवdevamhemelse wezen, god; vorst, koning2
देवताdevatāgodheid (abstract en concreet)3
देवीdevīgodin, in het bijzonder Durgā v. = , de echtgenote van Śiva =3
देवृदेवृmBroer van de echtgenoot (zwager van de vrouw)42
देशदेशmplaats, locatie, land, streek50
द्रव्यद्रव्यnvoorwerp, bezittingen, materieel eigendom, geld25
द्रुद्रु1Plopen, haasten46
द्रुह्द्रुह्4Pschaden49
द्विजdvijam"tweemaal geborene" (geïnitieerden van de drie hoogste standen: Brāhmaṇa, Kṣatriya, Vaiśya)2
द्विजातिdvijāti3tweemaalgeborene5
द्विधा । द्वेधाद्विधा । द्वेधाAdvtweeledig, in twee delen42
द्विष् द्वेष्टि द्विष्यते द्विष्टdviṣhaten, vijandig zijn13
द्वेषdveṣamhaat5
द्वेषdveṣahaat13

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
धर्मधर्मmdat wat vast is en vasthoudt = Dharma25
धर्मसूत्रdharmasūtranleerwerken over recht en zeden (juist gedrag)3
धाधाde volledige aandacht op iets richten, zich concentreren33
धातुम्Inf.sig[]33
धान्यधान्यngedorsen graan25
धापयतिKaus.sig[]33
धास्यतिFut.sig[]33
धीयतेPass.sig[]33
धीरधीर3vast, standvastig, continu, volhardend52
धृधृ1Uvasthouden, stevig vasthouden25
धेनुdhenu(melk-)koe3
ध्यैध्यै1Pzich voorstellen, denken49
ध्रुवध्रुव3vast, onveranderlijk50

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
न चेत्न चेत्indien niet30
ननान्दृननान्दृfZuster van de man42
ननाशननाशbr35
नन्दिन्नन्दिन्3door (bijzondere) vreugde gekenmerkt, vrolijk ; m. naam van het rijdier () van de (een stier)44
नन्द्नन्द्1Pzich verheugen in ()44
नप्तृनप्तृmKleinzoon42
नमस्नमस्nbuiging, eerbewijzing, groet (declinatie later). Begrotingsformule24
नम्नम्buigen20
नम्नम्1Pbuigen, zich buigen, neigen, zich buigen46
नवग्रहनवग्रहmde negen wandelende sterren (geen planeten!) (zie Basham, Wonder blz. 493)46
नशिष्यति । नङ्क्ष्यतिनशिष्यति । नङ्क्ष्यतिbr35
नश्नश्4Pverloren gaan, ten onder gaan, verdwijnen35
नागnāgamde Naakte, de olifant, de slang (olifant en slang hebben geen vacht, evenals de "naakte aap" mens)8
नाभिनाभिnavel20
नामन्नामन्naam38
नाशयतिनाशयतिbr35
निनिnaar beneden, omlaag, binnenin, achteruit20
निनिnaar beneden, naar binnen, achteruit24
निनिnaar beneden, omlaag, binnenin, achterwaarts46
निखिलनिखिल3volledig, geheel52
नित्य ३नित्य ३voortdurend, bestendig, eeuwig25
नित्यम्नित्यम्Advaltijd, bestendig steeds25
निरोधनिरोधmstoppen, tot stilstand brengen16
निर्वाणनिर्वाणUitdoven, Nirvana38
निश्चितनिश्चित3besloten, vastgesteld43
निषेकनिषेकmbesprenkeling, bevruchting, vloeistof, ejaculaat, ceremonie bij de verwekking50
निस्निस्naar buiten, weg, eruit, tevoorschijn, uit, weg, zonder - van52
नीनीwegleiden, onderrichten, opvoeden25
नी नयतिleiden6
नीतिशास्त्रnītiśāstranleerwerken van levenswijsheid3
नृत् नृत्यतिnṛtdansen6
नृपनृपm"beschermer van de mannen" = koning20
नृशंस्यनृशंस्यnboosaardigheid, lafheid16
नोचेत्नोचेत्indien niet, anders43
न्यायन्यायmregel, principe, methode, oordeel (juridisch), logica (uit ni + i + a)25
न्यायन्यायmnorm, regel, juiste manier; methode, logica (van + )29

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
पञ्जरपञ्जरnkooi49
पण्डितपण्डितslim, bedreven (in)19
पण्डितपण्डित3slim, wijs, geleerd50
पण्यपण्य3koopbaar; n.: goederen, handel43
पत् पततिpatvallen, vliegen8
पत्रिकाpatrikāfbrief8
पदpadanstap, standplaats, plaats13
पद् पद्यते पद्यते पन्नpadpadyate, PPP panna : gaan, geraken in13
परपर3(deklinatie zoals ) verafstaand, vreemd, hoger dan (), uiterste, hoogst ; ander, vreemd, vijandig ; m.: vreemdeling52
परंपरापरंपराfonafgebroken reeks52
परमपरम3verste, hoogste ; : beter dan, hoger dan49
परम्परम्Advin hoge mate, daarop, later, maar, echter52
परलौकिक ३परलौकिक ३het hiernamaals betreffend, anderszins20
परिपरिrondom, om (plaats, tijd), rond29
परिचयपरिचयmkennismaking49
परिचितपरिचित3vertrouwd, bekend51
परिनिर्वाणपरिनिर्वाणvolkomen uitdoven, volkomen verlossing (aan het einde van het leven van een Boeddha of Arhant)38
परिव्राजकपरिव्राजकmrondtrekkende monnik, pelgrim29
पशुpaśumgedomesticeerd landbouwhuisdier, vee (collectief)3
पश् पश्यतिpaśzien, gewaarworden (wordt als presensstam gebruikt in plaats van de wortel dṛś 0 "zien, gewaarworden")8
पश्चात्तापपश्चात्तापmberouw43
पा पाति पायते पातbeschermen, hoeden13
पा पिबति पीयते पीतdrinken (traditioneel gerekend tot de 1e klasse)13
पात्रपात्रnEerbiedwaardige, Meester, Verhevene40
पादpādamvoet, een vierde, versregel13
पालयतिपालयतिook synoniem met Indekl.: weer, steeds weer, terug, nog een keer; daarentegen, maar (voor stemhebbende klanken behalve r29
पाशुपाल्यpāśupālyanveehouderij, veeteelt9
पितामहपितामहmgrootvader aan vaderskant42
पितामहीपितामहीfgrootmoeder aan vaderskant42
पितृपितृmVader42
पितृव्यपितृव्यmVaderbroer (oom langs vaderszijde)42
पिशितपिशितn(voorbereid) vlees51
पीड्पीड्10Pdrukken, kwelen ; benauwen, belegeren, plagen52
पुत्रपुत्रmZoon42
पुनः पुनर्पुनः पुनर्steeds weer30
पुनर्पुनर्Adverbwederom, weer, terug, maar24
पुनर्पुनर्weder, steeds weer, terug, nogmaals, daarentegen, maar30
पुनर्भवपुनर्भवmwedergeboorte30
पुरतस्पुरतस्vooraan, ervoor, voor43
पुरापुराAdveens, vroeger42
पुरुषपुरुषmmens, man, knecht15
पुष्कलपुष्कल3heerlijk, prachtig, overvloedig15
पुस्तकपुस्तकmManuscript, Boek40
पूपू9Ureinigen30
पूजापूजाEerbetoon, eervolle ontvangst, religieuze verering (Pūjā)15
पूज्पूज्10Peren, vereren29
पृथिवीपृथिवीfaarde36
पृथु ३पृथु ३wijd, breed, groot20
पृष्ठपृष्ठnrug, achterzijde36
पृष्ठम्पृष्ठम्achter36
पॄपॄ3Pvullen, vervullen33
प्रकृतिप्रकृति(van + ) grondvorm, natuurlijke staat, natuur; oermaterie, oorstof42
प्रच्छ् पृच्छतिprachvragen (iemand: acc.; naar iets: acc.)10
प्रजाप्रजाvoortbrenging, geboorte, nageslacht29
प्रजापतिप्रजापतिmHeer der schepselen, scheppergod36
प्रज्ञाप्रज्ञाfwijsheid, kennis25
प्रणिधानप्रणिधानntoepassing, inspanning, aandacht voor, dienstbaarheid, overpeinzing, gelofte20
प्रतिप्रतिterug, weer, tegen - heen44
प्रतिप्रतिnaar - toe, naar, met betrekking tot, tegenover52
प्रतिग्रहpratigrahamontvangen, geschenk9
प्रतिमाप्रतिमाbeeltenis, afbeelding24
प्रतिमाप्रतिमाfafbeelding33
प्रदानप्रदानngeven, schenken ; geschenk, donatie25
प्रधानप्रधान3voornaamste, beste ; n.: het belangrijkste52
प्रभृतिप्रभृतिfbegin18
प्रवचनpravacananrede, (mondelinge) onderricht9
प्रव्रज्याप्रव्रज्याfhet verlaten van huis en haard ten behoeve van de dakloosheid; ceremonie waarbij men boeddhistisch novice wordt (Pali: )44
प्रसङ्गप्रसङ्गmgehechtheid, neiging ; gelegenheid48
प्रसूतिप्रसूतिfgeboorte, nakomelingschap48
प्राणान्तिकप्राणान्तिक3dodelijk, dood brengend, levenslang51
प्रिय ३प्रिय ३lief, liefhebbend, vriendelijk30
प्रीप्री9Uvermakelijk maken, verblijden; liefhebben, iemand genegen zijn36

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
बन्दीबन्दीfgevangene, roof51
बन्ध्बन्ध्9Pbinden, vastbinden31
बलिबलिmafgifte, schenking, tribut51
बाणबाणmpijl, doel42
बाधनाबाधनाbenauwdheid, plaag, pijn20
बाह्यबाह्य3buiten, zich bevindend aan de buitenkant, vreemd51
बुद्धिbuddhifkennis, orgaan van de kennis12
बुध् बुध्यते बोधति बुद्धbudhontwaken, tot inzicht ontwaken, kennen; PPP buddha 3 ontwaakt, daarom Buddha = "de Ontwaakte" (niet: de Verlichte)12
बोधिbudhbodhi m./f. : het ontwaken (waardoor een Buddha of Jina tot het verlossende inzicht komt)12
ब्रह्मचर्यब्रह्मचर्यseksuele onthouding, celibatair levensgedrag22
ब्रह्मन्ब्रह्मन्nhet absolute, de Veda (volgens Thieme oorspronkelijk: de geformuleerde waarheid, daarvan "verwoorders van de waarheid")38
ब्राह्मणbrāhmaṇambrahmaan (geestelijke stand)2
ब्राह्मणीbrāhmaṇībrahmaanvrouw3
ब्रूब्रूspreken, zeggen (iemand iets toevertrouwen: dubbele accusatief)17

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
भक्तिभक्तिliefde en respect voor een persoonlijke God. Zie hiervoor Basham, Wonder, p. 332 e.v.)21
भञ्ज्भञ्ज्7P(iets) breken31
भद्रभद्र3goed, gelukkig; vocatief: mijn lieve!43
भयभयnangst, vrees; gevaar (de subjectieve en de objectieve zijde)33
भर्तृभर्तृmOnderhouder, Kostgever, Echtgenoot42
भारभारmlast28
भारभारmlast33
भार्याभार्या"degene die moet worden behouden" = echtgenote20
भार्याभार्याfEchtgenote ( = gerundivum bij : wat gedragen moet worden, wat behouden moet worden, wat recht heeft op onderhoud)42
भावनाभावनाmeditatieve uitbreiding (zie causatief)20
भिक्षाभिक्षाbedeld aalmoes, bedelvoedsel51
भिक्ष्भिक्ष्bedelen21
भिद्भिद्7Usplijten31
भीभी3Pvrezen voor (Abl., Gen.)33
भुजंगभुजंगmslang51
भुज्भुज्7Ugenieten (bijv. eten; "de aarde genieten" = de aarde beheersen)31
भूभू(rond iemand worden = omsingelen =) meester worden over, verslaan ; veronachtzamen, verachten29
भूभू1Pontstaan, bestaan31
भूभूomsingelen, beheersen, overwinnen46
भूभूonderkennen, gewaarworden, waarnemen, ervaren52
भू भवतिbhūworden, ontstaan, zijn6
भृभृ3Udragen, brengen; onderhouden, voeden33
भृत्यभृत्यmondergeschikte, dienaar28
भोस्भोस्aanroep, bijv.: hey, heda, oh, ei, hallo, hi! vaak niet te vertalen. Dit deeltje heeft een speciale sandhi: voor alle st46
भ्रंशभ्रंशmhet vervallen46
भ्रम्भ्रम्1Psig[] : zwerven, omzwerven46
भ्रातृभ्रातृmBroer42

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
मणिमणिmjuweel51
मत्स्यमत्स्यmvis29
मदमदmbedwelming, zintuiglijke bedwelming = zinslust25
मदमदmook "werpsap" van een olifant (in de Musht)51
मद्मद्zich verheugen, zich aan iets (Instr., Gen., Lok.) bedwalmen25
मधुमधुnhoning, zoete drank, met (honingwijn)51
मध्य ३मध्य ३gemiddeld; n. midden20
मनुमनुmmens, man; naam van de vader van het menselijk geslacht (zie 4Ā)38
मनुष्यमनुष्यmmens38
मन्मन्verachten, minachten50
मन् मन्यतेmandenken6
मन्त्रिन्मन्त्रिन्3raadgevend ; m.: adviseur, raadheer, minister50
मरणमरणsterven, dood15
मलमलmvuil, smet52
महीमहीaarde, grond20
महीमहीde Grote)32
मामाmeten33
मांसमांसnvlees51
मातामहमातामहmgrootvader aan moederskant42
मातामहीमातामहीfgrootmoeder aan moederskant42
मातुलमातुलmMoederbroer (oom langs moederszijde)42
मातुलानीमातुलानीfEchtgenote van de moederbroer (vrouw van de moederbroer)42
मातृमातृfMoeder42
मात्रामात्राfmaat, begrenzing18
मात्स्यमात्स्य3behorend tot de vis (vissen)29
मानमानminschatting, aanzien, roem, eer, trots, hoogmoed, minderwaardigheidscomplex ; (men meet zich aan anderen)25
मारमारmhet gepersonifieerde kwaad, de gepersonifieerde verleiding / manipulatie, duivel52
मार्गmārgamweg (wegen waren vaak de wildwissels)12
मार्यादामार्यादाgrens51
मिह्मिह्1Pplassen, pissen, ejaculeren38
मुखमुखmond, gezicht, voorste deel, begin37
मुच् मुञ्चति मुक्तmuclosmaken, loslaten, bevrijden; uit de kringloop der wedergeburten (saṃsāra m.) bevrijden = verlossen12
मुदिताmuditāvreugde, in het bijzonder medevreugde (het tegenovergestelde van afgunst)3
मुनिमुनिmWijze, (zwijgende) asceet37
मुहूर्तमुहूर्तmogenblik, moment, juist oogenblik49
मुह् मुह्यतिmuhverward zijn6
मूर्खमूर्ख3dom, stom, onnozel m. Domkop37
मूर्खमूर्खmslang41
मूलमूलnwortel25
मूल्यमूल्यnwaarde, prijs43
मृमृsterven (volgens Indiase grammatici: 6 Ā)15
मृगmṛgamwild dier12
मृगयामृगयाjacht51
मृतिमृतिsterven, dood15
मृत्युमृत्युmdood ; gepersonifieerd: god van de dood15
मृदुमृदु3zacht, mild, soepel; langzaam, zwak29
मेघमेघmwolk („Seicher”)38
मेधामेधाfWijsheid, Verstand, Gedachte40
मैत्रीmaitrīvriendschap, vriendelijkheid, welwillendheid5
मोक्षmucmokṣa m. : losmaking, bevrijding, verlossing12

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
यजनyajananoffer in opdracht van iemand anders9
यज् यजतिyajmet een offer vereren, offers brengen6
यत्यत्streven naar (, , )44
यत्नयत्नminspanning, moeite44
यथायथाals, als het ware29
यदियदिals25
यदियदिindien30
यदियदिals46
यद्यपियद्यपिhoewel, zelfs indien, ofschoon30
यद्येवम्यद्येवम्indien het zo is, onder deze omstandigheden30
यम्यम्1Psig[] : houden, dragen ; aanbieden, verlenen ; bijeenhouden, temmen, teugelen, overwinnen44
याया2Pgaan, rijden44
यातृयातृmEchtgenote van de broer van de echtgenoot42
यानयानngaan, weg, voertuig44
यामयामmnachtwake (telkens drie uur)52
यावत्यावत्Advhoe lang, terwijl42
युज्युज्7Uspannen, inspannen, aanspannen, bevestigen ; Ā ook: zich inspannen (= zich inspannen), verbinden met, concentreren op (L31
युध् युध्यतेyudhvechten6
योगयोगmaanspannen, verbinding, vereniging, verwerving ; yoga16
योषित्योषित्fjonge vrouw, meisje51
यौवनयौवनnjeugd48

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
रक्त ३रक्त ३gekleurd, rood20
रक्ष् रक्षतिrakṣbewaken8
रभ्रभ्vatten, grijpen44
रम्रम्stilstaan, rusten, vertoeven ; begeesterd raken, zich vermaken29
रहस्रहस्ngeheim, eenzaamheid50
रागrāgam(rode) kleur, hartstocht, liefde5
रागरागmook: kleur, rode kleur51
राजन्राजन्mkoning (zie voor het koningschap in India Basham, Wonder, blz. 82–94). Als laatste deel van een samenstelling (met name38
राज्ञीराज्ञीkoningin, echtgenote van een koning38
राज्यराज्य3koninklijk; zn. koninkrijk, koningschap, heerschappij38
रिष्रिष्1Pbeschadigd worden, mislukken, schade toebrengen50
रुतरुतngeschreeuw51
रुद्रुद्huilen, janken17
रुद्ररुद्रm(de jankende =) de stormgod Rudra17
रुधिररुधिरnbloed51
रुध्रुध्7Ustoppen, tot stilstand brengen, tegenhouden = insluiten, bedekken31
रुह्रुह्1Pbeklimmen, bestijgen46
रुह्यरुह्यbr32
रुह्यतेरुह्यतेbr32
रूढरूढbr32
रूपrūpanuiterlijk, vorm, mooie vorm, natuur, wezen9
रेरेHé! Jij daar!43
रोक्ष्यतिरोक्ष्यतिbr32
रोहयति । रोपयतिरोहयति । रोपयतिbr32

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
लक्षणलक्षणnkenmerk, teken, attribuut20
लघुलघु3licht (niet zwaar, niet moeilijk), snel, kort (in de uitdrukking)48
लभ् लभतेlabhvatten, verkrijgen, grijpen8
लम्ब्लम्ब्hangen aan (), vastzitten aan ()46
लिख् लिखतिlikhkrassen, schrijven (oorspronkelijk met de graveerstift op een palmblad, later echter algemeen)8
लिप्लिप्6Ubesmeren, insmeren25
लिप्तिलिप्तिfbesmering, schrijven, schrift25
लीलालीलाgrap, spel42
लुप्लुप्breken, vernietigen50
लोकयिष्यतिलोकयिष्यतिbr32
लोकितलोकितbr32
लोक्यलोक्यbr32
लोक्यतेलोक्यतेbr32
लोभlobhamhebzucht, begeerte5
लौल्यलौल्यnhebzucht, wellust52

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
वञ्चकवञ्चकmbedrieger43
वणिज्वणिज्mkoopman43
वत्सवत्सmkalf, jong, kind ; vocatief: mijn lieve43
वत्स्यतिFut.:br Pass.:
PPP:
Inf
27
वद्वद्formeel begroeten, aanspreken36
वद्वद्1Pterugzeggen = antwoorden44
वद् वदतिvadzeggen, spreken10
वनवनnbos51
वपुस्वपुस्nschoonheid, lichaamsvorm (verbuiging zie later)20
वरवर3beste43
वरवरmwens49
वरवर3beste52
वर्गवर्गmafdeling, sectie, schare52
वर्णvarṇamkleur, geboortestand (streven)2
वर्णvarṇamkleur, soort, stand5
वर्षवर्षnregen, regentijd, jaar25
वश्वश्2Psig[], Imperat. 2.sg.: : willen, gebieden, verlangen naar52
वसन्तवसन्तm(„stralend“ =) lente (maart tot mei)27
वसिष्यतेFut.:br PPP:
Inf
27
वसुवसुrijkdom, schat, bezit27
वस्वस्verblijven, wonen (met locatief van de persoon bij wie men woont)27
वस्तुवस्तुnzitplaats, plaats; reëel object, echt ding, werkelijkheid, voorwerp27
वस्तुतस्वस्तुतस्in werkelijkheid, werkelijk27
वस्त्रवस्त्रnkledingstukken = jurk, gewaad, stof27
वह्वह्1Uleiden, varen, waaien (wind)25
वह्निवह्निmkennis18
वावाof (achtergesteld)15
वावाof20
वावा2Pwaaien, blazen38
वावाofwel ... of45
वावा2Pwaaien, blazen52
वाच्यवाच्य3ook: berispenswaardig48
वाणिज्यvāṇijyanhandel9
वातवातmwind38
वातवातmwind52
वानप्रस्थवानप्रस्थmboskluizenaar (iemand die zich in de 3e bevindt)29
वार्त्ताvārttāverworven bezit, economie (economie)5
विक्ल्पविक्ल्पmAlternatief, twijfel40
विचित्र ३विचित्र ३bont, veelzijdig, mooi, wonderbaarlijk, vreemd20
विजिज्ञासुविजिज्ञासु3iemand die volledig wil kennen52
विज्ञानविज्ञानnkennis, inzicht25
विद्विद्half, m.n. helft15
विद्विद्2Pweten, kennen28
विद्याvidyākennis, wetenschap5
विधिविधिmordening, wet, voorschrift; schepping, lot20
विधिविधिmook: lot (verwant aan )50
विनयविनयmverwijderen, opvoeden, discipline, boeddhistisch: kloosterdiscipline, kloosterrichtlijn25
विनाविनाzonder, behalve (met Akk., Instr., Abl.)25
विपणिविपणिfwinkel43
विप्रविप्रm"de trillende" = dichter, zanger, priester, brahmaan20
विभ्रमविभ्रमmhet heen en weer gaan46
विलम्बविलम्बnvertraging, uitstel43
विवाहविवाहmwegleiden, huwelijk van een vrouw (Instr., saha) (voor het huwelijk zie Basham, Wonder S. 166 -171)25
विशेषविशेषmbijzonderheid, specificatie, differentia specifica23
विशेषविशेषmverschil, bijzonderheid48
विश् विशतिviśbinnengaan6
विषविषngif41
विषविषngif51
विषमविषम3ongelijk, oneffen, kwaadaardig46
विषयविषयmgebied, domein, object, zintuiglijk object20
विष्टिविष्टिfarbeid, dwangarbeid25
विहंगविहंगmvogel ("in de lucht droom - - gaand")49
वृक्षवृक्षmboom37
वृज्वृज्7Pkeren, draaien ; afweren, uitsluiten52
वृत्वृत्draaien, zich omdraaien, zich (ergens) bevinden, wonen16
वृत्वृत्keren, terugkeren20
वृत्वृत्plaatsvinden, gebeuren, ontstaan24
वृत्तवृत्तgedrag24
वृत्तिवृत्तिgedrag, activiteit, levenswijze24
वृद्धिवृद्धिfgroei, groeiing, verdubbelingsgraad (uit: vṛdh-ti)25
वृध्वृध्groeien, groter worden25
वृष्वृष्1Pregenen (meestal met een -- een god of een wolk)50
वेषवेषmkleding, uiterlijk, voorkomen49
वैवैpartikel dat het voorgaande woord benadrukt: waarlijk, inderdaad, maar50
वैश्यvaiśyamVaiśya (stand van de voedselproducenten en handelaars)2
वैश्याvaiśyāvrouwelijke Vaiśya3
व्यवहारव्यवहारmbedrijf, wandel, omgang, verkeer, zaken, handel, (rechts)zaak52
व्याकरणव्याकरणgrammatica (bij )48
व्याघ्रव्याघ्रmTijger (Panthera tigris tigris) (letterlijk: gaap)15
व्याधिव्याधिmziekte18
व्रज्व्रज्1Pschrijden, gaan, weggaan36
व्रतव्रतeen moeder belooft haar dochter als tempelprostituee () aan te bieden als haar dochter weer gezond wordt. Belangrijke va22

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
शंस्शंस्1Pprijzen, gebieden42
शकुनिशकुनिmvogel51
शक्तिशक्तिgoddelijke kracht, gepersonifieerd als vrouwelijke metgezel, in het bijzonder van22
शबरशबरeigennaam van een niet-ariaanse stam51
शब्दशब्दmgeluid, toon, signaalgeluid: woord18
शयनशयनnligplaats, bed44
शरशरmpijlsteel, pijl42
शरणशरण3beschermend, schattend; n. bescherming, toevlucht, het zich tot iets wenden41
शर्कराशर्कराfsuiker (het Duitse "Zucker" gaat via het Italiaanse zucchero, daarvandaan via het Arabische sukkar - سكر en Perzisch šäk43
शस्त्रशस्त्रsnijgereedschap, snijwapen, zwaard, wapen16
शाक्यमुनिशाक्यमुनिmasceet uit het geslacht van de (Kṣatriya's uit ) = Boeddha Gautama37
शासनाशासनाfkoninklijk edict, leer, religie41
शास्शास्2Pterechtwijzen, beheersen, gebieden, onderwijzen41
शास्त्रशास्त्रnleer, leerwerk41
शास्त्रिन्शास्त्रिन्monderwezen, geleerde41
शिक्षाशिक्षाfwetenschap, onderwijs ; fonetiek25
शिवाशिवा(vrouwelijk) jakhals (gouden jakhals = Canis aureus)51
शिशुशिशुmkind, jong49
शिष्शिष्7Pverlaten, achterlaten51
शिष्यशिष्य3te onderwijzen = leerling41
शीशीliggen. Deze wortel heeft in alle vormen van de tegenwoordige stam Hoge graad: 1.sg.Ind.Tegenw.Ā (śe + e). De vol44
शीघ्रशीघ्र3snel, haastig43
शीलशीलngebruik, gewoonte, natuur, karakter, goede gewoonte = moraal52
शुकśukampapegaai8
शुचिशुचि3stralend, glanzend, verfijnd ; m.: zuiverheid29
शुचिशुचि3schijnend, zuiver, helder38
शुच्शुच्1P(vlammen, schijnen) ; treuren, betreuren38
शुच् शोचतिśuctreuren8
शुश्रूषाśuśrūṣāfgehoorzaamheid, gehoorzame dienst9
शूद्रśūdramŚūdra (stand van de dienstverleners)2
शूद्राśūdrāvrouwelijke Śūdra3
शूद्री शूद्राणीśūdrīvrouw van een Śūdra3
शून्यशून्य3leeg, woest51
शूरशूर3dapper, heldhaftig ; m.: held18
शोकशोकmrouw, verdriet38
शोभनशोभन3schitterend, prachtig, heerlijk, mooi, goed18
शौचशौचreiniging, zuiverheid16
श्रमयतिश्रमयतिbr32
श्रमित्वा । श्रान्त्वाश्रमित्वा । श्रान्त्वाbr32
श्रमिष्यतेश्रमिष्यतेbr32
श्रम्श्रम्4Psig[] : zich inspannen, moe worden46
श्रम्यश्रम्यbr32
श्रम्यतेश्रम्यतेbr32
श्रान्तश्रान्तbr32
श्रिश्रि1Uleunen, zich aanleunen, steun vinden, naar iemand toe gaan (, )46
श्रुतिśrutihet horen, de eeuwige overlevering (benaming voor de Veda's en Brāhmaṇa's)3
श्रेष्ठिन्श्रेष्ठिन्mrijke koopman43
श्रोणि । श्रोणीश्रोणि । श्रोणीheup20
श्रौतसूत्रśrautasūtranleerwerken voor de uitvoering van de grote offers3
श्वन्श्वन्mhond51
श्वसुरश्वसुरfSchoonvader (in oude tijd: alleen van de vrouw)42
श्वस्श्वस्morgen48
श्वस्रूश्वस्रूfSchoonmoeder (declinatie volgt later)42

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
संख्यासंख्याftelling, opsomming ; n.: een van de zes filosofische systemen (kort: Basham, Wonder p. 326v.)24
संपुटसंपुटmdoos (hier: pakket, bundel)43
संयक्संयक्Advjuist, waarachtig, op de behoorlijke manier ; volkomen, volledig50
सकाशसकाशmaanwezigheid, tegenwoordigheid42
सङ्गसङ्गmhet hechten aan, contact met ()46
सङ्घसङ्घn(tot - : samen-slaan): schare, hoop, gemeenschap (bijv. boeddhistisch)41
सज्ज्सज्ज्1Phangen, hechten48
सञ्ज्सञ्ज्1Psig[] : hechten, zich vasthechten aan ()46
सत्वरसत्वर3snel, haastig43
सद्सद्zitten, zich nederzetten20
सद्सद्sig[] : zich neerzetten46
सनातन ३सनातन ३eeuwig, onvergankelijk, bestendig30
समसम3gelijk, even, vergelijkbaar (met instrumentalis)18
समसम3gelijk, precies, vergelijkbaar46
समतासमताgelijkmoedigheid46
समम्समम्Advop dezelfde manier, tegelijk (), gelijkmatig46
समयसमयmovereenkomst, contract, termijn, datum, tijd43
समाधिसमाधिminnerlijke verzameling, hoogste aandacht, meditatieve "verdieping"20
समाधिसमाधिminnerlijke concentratie, hoogste aandacht33
समानसमान3gelijksoortig, gelijk, vergelijkbaar ; m.: leeftijdgenoot51
समान ३समान ३gelijk23
सर्वसर्व3elke, alle50
सहsahasamen met, gezamenlijk met (ook bij „vechten met“ enz.) (postpositie met instrumentalis)10
सहितसहित3verenigd, voorzien van18
सह्sahaankunnen, verdragen, geduldig verdragen = vergeven12
साधनसाधनmtot het doel leidend, bewerkstelligend16
साधुsādhu3juist, goed2
साध्वीsādhvīvrouwelijke vorm van sādhu3
सामर्थ्यसामर्थ्यnhetgeen aan zijn doel beantwoordt25
सामान्यसामान्यngelijkheid, overeenstemming23
सायकसायकmpijl51
सारसारmpit, merg, essentie, substantie52
सारथिsārathimwagenmenner, voerman8
सिंहसिंहmleeuw (Panthera leo persica)15
सिच् सिञ्चति सिक्तsicbesprenkelen12
सीमन्सीमन्grens38
सुखsukhangeluk, welzijn8
सुतसुतmzoon38
सुप्तिसुप्तिfslaap, m.n. diepe slaap40
सुष्टुसुष्टु3geprezen, uitmuntend, goed18
सूक्ष्मसूक्ष्म3fijn, klein, subtiel48
सूर्यसूर्यmzon, zonnegod Sūrya38
सूर्यसूर्यmzon52
सृज् सृजतिsṛjloslaten, uit zich zelf laten gaan, emaneren6
सेवासेवाfdienst, opwachting52
सेव्सेव्iemand () dienen, opwachten, eren, liefhebben52
स्तनस्तनmborst20
स्तुस्तुloven, prijzen15
स्तुतिस्तुतिlofprijzing, loflied15
स्तेनस्तेनmdief25
स्तेयस्तेयndiefstal25
स्तोत्रस्तोत्र(middel om te prijzen =) loflied, hymne15
स्त्रीस्त्रीvrouw20
स्त्रीस्त्रीvrouw, echtgenote ; femininum48
स्थविरस्थविर3oud, bejaard48
स्थास्थाzich onthouden van, afstand nemen van, zich afzijdig houden, blijven staan42
स्थाविरस्थाविरn(hoog) ouderdom48
स्पृश्स्पृश्6Praken36
स्मृ स्मरतिsmṛzich voorstellen, herinneren6
स्मृतिsmṛtiverbeelding, herinnering, meditatieverbeelding = aandachtigheid, overlevering (tegenbegrip van śruti). Omvat3
स्वस्व3eigen, van iemand (mijn, jouw etc.) Wordt gedeclineerd zoals . In Abl.Lok.sg.m.n en in Nom.pl.m kan het ook worden gedec51
स्वकस्वक3eigen (mijn, jouw ...) ; m.: lid36
स्वप्स्वप्2Pslapen, zich ter slaap leggen40
स्वप्नस्वप्नmslaap, droom40
स्वभावस्वभावmwezen, natuur, karakter25
स्वयम्स्वयम्zelf, vanzelf49
स्वसृस्वसृfZuster42
स्वस्तिस्वस्तिfgeluk, heil (nominale vorming uit = "het is goed")24
स्वागतस्वागतnwelkom (uit su-ā-gata)24
स्वाध्यायस्वाध्यायm"zelfstudie", recitatie (vooral van de Veda), vedastudie20

SanskritIASTGenusBedeutungLektion
हन्हन्slaan, doodslaan, doden17
हन्हन्2Pterugslaan44
हरहर3wegnemend; m.: de Vernietiger = bijnaam van Śiva27
हरिहरि3blond, geel, groen; m. bijnaam van Viṣṇu (hoort niet bij de stam 1)27
हरिष्यतिFut.:br Pass.:
PPP:
Inf
27
हरिहरहरिहरmViṣṇu en Śiva verenigd als één enkele godheid27
हर्षहर्षm(het rechtopzetten van het lichaamshaar), vreugde25
हस्तहस्तmhand18
हस्तिन्हस्तिन्molifant (Elephas maximus)38
हाहा3Pverlaten33
हितPPPsig[] (!!)33
हिरण्य ३हिरण्य ३gouden ; n.: goud, geld, rijkdom25
हीनPPPverlaten door, ontbrekend, gebrekkig33
हीनयानहीनयानnhet gebrekkige voertuig (van het boeddhisme): minachtende benaming door de vertegenwoordigers van de "grote weg", het ;33
हुहु3Pin het vuur gieten (als offer, vooral gesmolpen boter)33
हृहृ1Uvasthouden, dragen; halen, wegnemen, stelen27
हृदयहृदयnhart42
हृष्हृष्4Pstijf worden: zich verheffen (haar), zich verblijden over (Instr., Akk., Lok.)36
हेतुहेतुmdrijfveer, aanleiding, oorzaak, reden; , , met genitief of als tweede deel van een samengesteld woord = "omwille van...,24
ह्रस्वह्रस्व3kort49
ह्वे । हूह्वे । हू1Uroepen, aanroepen46

Een deel van de Bibliotheek van Tüpfli's Global Village